Dit is de eerste aflevering over clubtrouw in het Belgische voetbal. In de loop van het seizoen zal Knack spelers belichten met een groot hart voor hun clubkleuren.
...

Clubliefde is een goed dat niet per strekkende meter kan worden verkocht. Maar de spelers die dat uitdragen vormen stilaan een erg kleine minderheid. Van de ongeveer 460 voetballers in eerste klasse zijn er slechts 10 langer dan vijf jaar bij dezelfde club actief. Bij die 10 zitten er veel die lang geblesseerd waren, zoals Andy Najar van Anderlecht en Brecht Dejaegere van AA Gent. Of de onfortuinlijke Miguel Van Damme, die een paar seizoenen miste door een opstoot van leukemie - de Cercle-doelman is helaas hervallen. Misschien waren deze voetballers zonder hun lichamelijke zorgen ook al eerder verkocht. Keeper Sammy Bossut heeft veruit de langste staat van dienst: al sinds 2006 verdedigt hij het doel bij Zulte Waregem. Van de veldspelers klopt niemand Michiel Jonckheere van KV Oostende. De geboren Oostendenaar debuteerde er in 2011. KVO speelde toen nog in tweede klasse. Jonckheere maakte er de promotie mee, en de wilde jaren onder Marc Coucke. Ook hij was lange tijd out met een blessure. Twee weken geleden keerde hij terug, in de wedstrijd tegen Club Brugge. Jonckheere werd meteen uitgeroepen tot man van de match. De middenvelder schrikt ervan dat hij in het Belgische voetbal bij de clubveteranen hoort: hij is tenslotte nog maar 29. 'Voor mij was het vanzelfsprekend om bij Oostende te blijven', zegt hij. 'Toegegeven, ik ben een gewoontedier. Ik woon in Adinkerke, vlak bij Plopsaland, op geen halfuur rijden van de club. Mijn levenskwaliteit is top, de mensen van Oostende appreciëren mij en betalen me een mooi loon om een droomjob uit te oefenen. Ik ben hier graag. Waarom zou ik dan vertrekken?' Reden nummer één zal bij veel spelers zijn: omdat er elders meer geld te verdienen valt. Maar voor 500 euro extra per maand verhuist u niet naar Eupen? Michiel Jonckheere: Dat is ondenkbaar. Er zijn kansen geweest om te vertrekken, maar ik heb ze nooit ernstig overwogen. Ik ben ook geen superster. Een andere club zal me niet meteen tien keer meer betalen. Mijn vader speelde in de eerste ploeg, net als drie ooms en mijn jongere broer Tim. Jelle Bataille, onze jonge rechtsback, is een neef, en er voetballen nog twee andere neefjes bij de jeugd. Op familiefeesten is het onderwerp KV Oostende niet te vermijden. Niet dat het een reden is om per se bij deze club te blijven, maar het speelt wel mee. Guy Ghysel, een van die ooms die ook bij Oostende voetbalde, is er vandaag sportief directeur. Wanneer u over een nieuw contract onderhandelt, zit uw oom aan de andere kant van de tafel. Jonckheere: In principe moeten we dat allebei zakelijk benaderen, maar dat zijn ongemakkelijke gesprekken, ja. Want als oom zou hij willen dat ik goed verdien - dat neem ik toch aan -, en tegelijk is het zijn taak om het loonbudget zo laag mogelijk te houden. Spelersmakelaars strijken per transactie een forse som op, waardoor de voetbalmarkt steeds sneller draait. Uw arme makelaar heeft aan u niet veel verdiend. Jonckheere:(lacht) Dat is waar. Ik heb er wel één. In het voetbal kun je niet zonder: die mannen kennen de bedragen. Ik ben geen grote winstpost voor mijn manager, maar veel werk zal hij aan mij ook niet hebben gehad. De macht van makelaars is enorm, en aangezien zij er belang bij hebben dat het geld rolt... Voetbal is evenveel business als sport. Clubs kopen spelers om er winst op te maken. Daarom arriveren er almaar meer buitenlandse voetballers zonder binding met de ploeg waar ze terechtkomen. Dat worden doorgaans geen echte clubspelers. Ik kan begrijpen dat de gemiddelde Serviër er weinig voor voelt om tien jaar bij KV Oostende te blijven. Stel: Oostende doet de volgende vijf seizoenen geen transfers. De spelers die stoppen, worden vervangen door eigen jeugd. Kan dat werken? Jonckheere: Vroeger wel, nu niet meer. Af en toe heeft een ploeg een nieuwe impuls nodig. Jongeren die direct kunnen doorstromen naar eerste klasse, zijn sowieso zeldzaam. Zelf heb ik ook een apenjaar bij Zulte Waregem nodig gehad, plus een paar seizoenen in tweede met KVO. Nee, vijf jaar zonder transfers en Oostende zakt. Zeker weten. Maar elk jaar de halve kern vervangen: daar betalen ploegen toch een prijs voor? Jonckheere: Ongetwijfeld. Neem Waasland-Beveren, dat ieder seizoen 15 nieuwe spelers haalt. Daar zullen goeie voetballers bij zitten en waarschijnlijk ook een paar mindere, maar het valt niet mee om daar elke keer een hecht geheel van te smeden. Bij Oostende is het verloop normaal gezien beperkt, maar deze zomer zijn ook hier veel nieuwkomers gehaald. Na ons vorige, ondermaatse seizoen moest het. Elk jaar komen hier nieuwe jongens binnen die ik van haar noch pluim ken, en eigenlijk vind ik dat een van de plezierigste kanten van mijn job. Je werkt heel intensief met die gasten samen. Voor je het weet, heb je er een vriend voor het leven bij. De band met de jongens die hier langer blijven, zoals Brecht Capon, is uiteraard hechter dan met de gemiddeld passant. Brecht en ik voetballen nu vijf jaar samen, de automatismen staan in steen gebeiteld. Maar spelers zoals wij zijn uitzonderingen geworden.Hebben clubspelers een streepje voor bij de supporters? Jonckheere: Ja, en dat is een wapen. Veel clubs zijn hun identiteit kwijt. Neem Cercle Brugge, dat een paar jaar geleden schitterde met een oer-Vlaamse ploeg. Tom De Sutter, Stijn de Smet en Dennis Viane: de supporters droegen hen op handen. Of Westerlo, met Jefke Delen en zijn Kempense kameraden: dat was toch charmant? Oostende is een van de weinige kleine clubs die niet in buitenlandse handen is gevallen. Een buitenlandse eigenaar wil geld verdienen. Wanneer een club overgenomen wordt, dan weet je dat er een carrousel van spelers op gang wordt getrokken. Het gevolg is dat het stadion minder bruist. Sint-Truiden was zo'n gezellige, Vlaamse club vol streekjongens, zoals Simon Mignolet of Peter Delorge. Staaien kolkte wanneer zij een mooie actie maakten. Dankzij een contingent fameuze Japanse talenten deed STVV het vorig jaar bijzonder goed, maar bij de fans maken zij minder los. Het stadion bleef leeg. U hebt bij KVO al veel meegemaakt. Aan welk tijdperk hebt u de beste herinneringen? Jonckheere: Aan de beginjaren in tweede klasse. Er was amper budget en zo goed als geen omkadering. Je schaamde je voor de kleedkamers, en 's morgens ontbeten we in koeienstal. Maar niemand klaagde. Sterker nog, de miserie schiep een band. (lacht) Behalve Laurent Depoitre heeft niemand van die groep een grote carrière gemaakt, maar we waren kameraden en dat maakte ons als ploeg 50 procent sterker. Uiteindelijk zijn we met tien punten voorsprong kampioen geworden. De mooiste tijd van mijn leven. Na de promotie kwam Marc Coucke. Gelukkig, want zonder zijn centen waren we meteen opnieuw gedegradeerd. Plots ging het snel voor Oostende. Coucke haalde spelers met namen als klokken, we werden zelfs herfstkampioen, maar ik herinner me vooral de ambiance. Zelfs als we zwaar verloren, vierde Coucke feest. Een voorzitter die de polonaise in gang steekt, die carnavalskrakers zingt op de fandag: ik denk niet dat ik het ooit nog zal meemaken. Bij Anderlecht houdt hij zich al bij al koest. (lacht)De manier waarop Coucke vertrok, deed pijn in Oostende. Ik praat het niet goed, maar we mogen ook niet vergeten dat we onder hem onze grootste successen hebben gevierd. Nadien was er even het gevoel: oei, lukt het wel zonder zijn geld? Maar dat is doorgespoeld. De trots en het geloof keerden terug bij KVO. Toen in de Coucke-jaren al die grote namen passeerden, hebt u dan nooit gedacht: voor mij is het afgelopen? Jonckheere: Dat is het lot van iemand die lang bij de club speelt: er komt telkens een concurrent en die heeft onvermijdelijk een streepje voor. Ik heb mij altijd opnieuw in de ploeg geknokt. Is dat prettig? Nee, maar het hoort erbij. Van de tien eersteklasseveteranen die langer dan vijf jaar bij dezelfde club zitten, zijn er veel die lang out waren met een blessure. U ook. Jonckheere: Sinds deze zomer ben ik weer fit, na een hielblessure die anderhalf jaar aansleepte. Het begon met een ontstoken achillespees, juist toen ik sportief in een sterke periode zat. Ik blonk uit in een ploeg die meedeed voor play-off I, dat wil je niet zomaar opgeven. Ik voetbalde maar verder, maar de blessure werd erger en erger. Tot het echt niet meer ging. Het weefsel rond mijn achillespees bleek verrot. Een eerste operatie bracht geen soelaas. Na een jaar sukkelen ging ik weer onder het mes en hebben ze een stuk van mijn hielbeen afgekapt. Klinkt luguber, hè. Maar het heeft mijn carrière gered. Mentaal ging ik door een diep dal. Mijn contract liep af. Je begint jezelf vervelende vragen te stellen. Wat als Oostende niet meer in mij zou geloven? Welke ploeg zal mij nog willen? Wat als voetballen er niet meer in zit? Gelukkig verlengde Oostende mijn contract, terwijl ik niet eens fit was. Daar ben ik de club enorm dankbaar voor. Zouden er in eerste nog voetballers rondlopen met een diploma sociaal werk? Jonckheere: Ik betwijfel het. Zoveel zijn er niet die een diploma hebben. Mijn ouders stonden erop dat ik zou studeren, en sociaal werk viel goed met voetbal te combineren. Maar mijn grote roeping is het eerlijk gezegd niet. Alle respect voor wie in de sociale sector werkt. Ik volgde stage bij kinderen met een mentale beperking. 's Avonds was ik vermoeider dan ik ooit als voetballer ben geweest. Verdienen voetballers te veel? Jonckheere: Natuurlijk. Maar dat is de wet van vraag en aanbod. Wij leiden een luxeleven. Drie, vier uur per dag op het veld staan, is al uitzonderlijk. Oké, we moeten er het een en ander voor laten, maar een sociaal assistent gaat ook niet elke nacht uit feesten. Rationeel bekeken verdienen voetballers overdreven veel, maar wie zou zo'n loon weigeren, alleen omdat het niet correct is tegenover mensen die minder hebben? Als oud-trainers zoals Fred Vanderbiest en Yves Vanderhaeghe het over u hebben, krijg je omschrijvingen als 'karakterspeler', 'veel inzet', en 'altijd als eerste op het oefencomplex'. Jonckheere: In principe zijn dat complimenten en toch hoor ik ze niet graag. Als men altijd benadrukt dat ik vooroploop in de strijd, dan zit daar toch een bijklank aan: 'Maar eigenlijk kan hij niet sjotten.' (lacht) Ik ben geen type dat drie man dribbelt en de bal droog in de kruising plaatst, dat is waar, maar mijn techniek is zeker oké. Ik moet mezelf niet kleiner maken dan ik ben, al lopen er, ook bij Oostende, zeker voetballers rond met meer talent. Qua inzet en loopvermogen moet ik een stapje meer zetten of ik sta niet in de ploeg. Is dat zo bijzonder? Ik word goed betaald om een leuke job uit te oefenen. Dan vind ik het maar normaal dat ik mijn best doe. Veel voetballers kunnen dat niet opbrengen. Jonckheere: Maar dat moet je begrijpen. Stel je eens voor dat je een tiener bent, en de clubs staan voor jou in de rij. De makelaars prijzen je de hemel in, je bent de held van de familie en verdient op je twintigste bakken geld. Op die manier opgroeien is geen cadeau: ben je dan wel hard genoeg als het eens tegen zit? Veel van die gasten niet, en dat kun je hen nauwelijks verwijten. Zelfs wanneer je er alles voor doet, moet je geluk hebben dat de trainer iets in je ziet. Yves Vanderhaeghe is heel belangrijk geweest voor mijn carrière. Als hij niet 100 procent in mij had geloofd en mij de kans had gegeven om uit te blinken, dan zou ik nu niet in eerste klasse spelen. In de analyses voor het seizoen zetten de kenners Oostende bij de kandidaat-zakkers. Na jullie goede start piepen ze anders. Jonckheere: De overwinning op Anderlecht heeft ons gelanceerd, maar ik vind het logisch dat de analisten weinig van ons verwachtten. Vorig seizoen was zwak, we hadden geluk dat het bij Lokeren nóg slechter draaide. Onze nieuwe transfers leken geen zekerheden, wegens lang geblesseerd of afkomstig uit kleinere competities. Mijn gevoel zegt dat we dit seizoen een betere ploeg hebben, al kunnen we maar beter bescheiden blijven. Over een maand kan de situatie er al anders uitzien. Jullie nieuwe trainer, Kare Ingebritsen, is geen bekende naam, maar hij werd in Noorwegen wel drie keer kampioen. Jonckheere:(knikt) Met Champions League-ervaring erbovenop. Ingebritsen praat niet veel, maar hij weet de groep wel een soort vaderlijk gevoel te geven. Vooral voor de buitenlandse jongens is het belangrijk dat iemand vraagt hoe het met de familie gaat, bij wijze van spreken. Jongens die weinig vertrouwen uitstraalden, deed hij opleven. Je moet het maar kunnen als coach. Ingebritsen maakt het eenvoudig. Zijn spelsysteem valt makkelijker in de praktijk te brengen dan dat van Gert Verheyen, onze vorige trainer. Toen Verheyen naar Oostende kwam, dacht ik: dat is voor KVO de perfecte man. Jonckheere: Gert is een hele goeie trainer, daarover is geen discussie mogelijk, maar hij had niet de juiste spelers voor zijn manier van voetballen. De resultaten volgden niet, en de club kwam in een negatieve spiraal terecht. Hij was daar ontgoocheld over. Die houding heeft de groep wat aangestoken, vrees ik. Augustus is een nerveuze maand in de voetballerij. Tot 23.59 uur op 2 september kunnen spelers komen en vertrekken. Jonckheere: Bij Oostende zal er normaal niet veel meer gebeuren, maar als er grote bedragen op tafel komen, worden de plannen omgegooid. En in januari opnieuw. Dat is het spelletje van de makelaars. Daar valt niet aan te ontsnappen. Tot slot: blijft u bij Oostende tot het eind van uw carrière? Jonckheere: Daar kan ik nu niet op antwoorden. Het lijkt een aantrekkelijk vooruitzicht, maar we moeten elk jaar weer kijken wat de club wil en biedt. Dat is een koel en zakelijk antwoord, ik weet het. Ik hou van Oostende, maar we zullen zien of de liefde wederzijds blijft.