Ons erfrecht dateert uit de tijd van Napoleon, met als primair doel: de goederen in de familie houden. Bij gebrek aan een uitgewerkt stelsel van sociale zekerheid was dat een logische optie van de wetgever. Sindsdien evolueerde onze samenleving grondig, maar niet ons erfrecht. Eensgezindheid over de nood aan een hervorming bestaat er allang. Een wetsvoorstel dat momenteel in het parlement wordt besproken zou eindelijk voor een hervorming kunnen zorgen.

Al in 2013 wees de Gezinsbond het beleid op de knelpunten in ons huidig erfrecht. De rode draad in onze analyse: de wetgever moet ruimte tot dialoog creëren en altijd een minimale bescherming voorzien. Er zijn zoveel verschillende familiesituaties mogelijk én maatschappelijk aanvaard, dat het niet meer mogelijk is om voor iedere situatie ook een oplossing uit te schrijven in de wetgeving. Mensen moeten aan de hand van een aantal wettelijke regels het erfrecht kunnen boetseren naar hun eigen noden.

'Mensen moeten met een aantal wettelijke regels het erfrecht kunnen boetseren naar hun eigen noden'

Het wetsvoorstel dat is ingediend in de Kamer op 25 januari 2017 komt aan een groot deel van onze verzuchtingen tegemoet. Een goede zaak voor gezinnen, helaas niet voor feitelijk samenwonende partners. Zoals de kaarten nu liggen, lijken zij in de kou te zullen blijven staan. Dat vinden wij bijzonder jammer, want koppels maken hun eigen keuzes. Trouwen, wettelijk samenwonen, feitelijk samenwonen? Het is vaak het buikgevoel dat de doorslag geeft, zelden juridische overwegingen. Net omdat het allemaal gezinnen zijn, hebben ze recht op bescherming om precaire situaties te voorkomen, zeker op de cruciale momenten in hun leven. Zoals op het moment dat hun partner overlijdt.

Minimale bescherming stelt in sommige situaties weinig voor

Voor gehuwden is het erfrecht van de langstlevende partner goed geregeld. Het gehuwde koppel geniet een uitgebreide bescherming waar geen afbreuk aan kan worden gedaan. Dit is het zogenaamde reservataire erfrecht. Bij wettelijk samenwonenden is de regeling eerder rudimentair en is een afwijking van de bij wet voorziene regeling mogelijk. Maar er is wel een bescherming voorzien. Voor feitelijk samenwonenden is dat anders. Zij hebben geen enkel wettelijk erfrecht in elkaars nalatenschap. Wie het anders wil, moet tijdens het leven initiatief nemen zetten in de vorm van bijvoorbeeld schenkingen, testament, aankoop van een woning met een tontine overeenkomst en dergelijke meer. Is dit niet gebeurd, dan zal de langstlevende partner geen enkele aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van de eerst stervende. Dat kan bijzonder moeilijke situaties tot gevolg hebben, bijvoorbeeld wanneer alleen de eerst stervende partner het huurcontract van het huis waarin ze wonen, ondertekende. De overblijvende partner kan dan geen aanspraak maken op de voortzetting van het contract en staat bijgevolg op straat. Maar zelfs wie voor de helft eigenaar is van de woning is niet altijd helemaal zeker dat hij kan blijven wonen, zelfs als een testament het vruchtgebruik van de andere helft zou toekennen aan de partner. Eerst zal immers de vraag moeten beantwoord worden of deze regeling geen afbreuk doet aan de reservataire aanspraken van andere erfgenamen.

In het huidige wetsvoorstel zal aan deze situaties niets wijzigen, wat een gemiste kans is.

Erfrecht bevat hindernissen

Zelfs als koppels goed geïnformeerd zijn en voorzieningen hebben getroffen, schuilen er toch nog addertjes onder het gras. Zo hebben ascendenten, bloedverwanten in opklimmende lijn zoals ouders en grootouders, op dit moment nog altijd een reservataire aanspraak op de nalatenschap als de overledene geen kinderen heeft. Dit wil in het geval van feitelijk samenwonenden zeggen dat de erfrechtelijke aanspraak van bloedverwanten in opklimmende lijn prioritair is tegenover elke andere regeling, zoals een testament. Dit kan in de praktijk betekenen dat een feitelijk samenwonende partner slechts de helft van de nalatenschap erft, ondanks het feit dat zijn overleden partner daar anders over besliste in zijn testament. En ook hier is de woning vaak een heikel punt, omdat bij vele gezinnen de gezinswoning de hoofdbrok is in hun vermogen.

Niet alleen bloedverwanten in opklimmende lijn, maar ook kinderen hebben een reservatair erfrecht. Ook daar kunnen wilsbeschikkingen geen afbreuk aan doen.

Bovendien zitten er wat betreft de tarieven voor erfbelasting extra voorwaarden vast aan de toepassing van de lagere tarieven voor partners. De vererving van de gezinswoning zal pas vrijgesteld zijn van erfbelasting als de feitelijke samenwoners minstens drie jaar samen wonen. Voor andere bestanddelen van de nalatenschap kan al van het voordeeltarief genoten worden na één jaar samen wonen. Op zich redelijke voorwaarden, maar wel belangrijk voor feitelijke samenwoners om ervan op de hoogte te zijn.

Gezinswoning heeft een bijzondere waarde voor alle gezinnen

De Gezinsbond pleit er voor dat er ook een wettelijke regeling is voor feitelijk samenwonenden, mensen die dus samen zijn gedomicilieerd, die een minimale bescherming voorziet. Met ons eerste voorstel willen wij voorkomen dat deze de langstlevende partner van een feitelijk samenwonend koppel van de ene dag op de andere op straat komt te staan. Concreet stellen wij voor dat de langstlevende partner het recht moet hebben om in de gezamenlijke verblijfplaats te kunnen blijven wonen gedurende een periode van 1 jaar vanaf het overlijden. Ongeacht wie eigenaar is van de woning.

Duurzame affectieve relaties verdienen extra bescherming

Voor feitelijk samenwonende koppels die leven in een duurzame affectieve relatie, vinden wij een uitgebreider erfrecht opportuun en pleiten wij voor het toekennen van het vruchtgebruik op de gezinswoning aan de langstlevende partner zodat ze levenslang in de woning die ze deelden met hun partner kunnen blijven wonen. Dezelfde aanspraken als de wettelijk samenwonende partner dus.

Maar hoe bepaal je wie in een duurzame affectieve relatie zit? Ons voorstel is om vooreerst feitelijk samenwonenden die gemeenschappelijke kinderen hebben te beschouwen als levend in een duurzame affectieve relatie. Op dat moment erft de langstlevende partner dus automatisch het vruchtgebruik over de gezinswoning (behalve als een wilsbeschikking van de overledene anders aangeeft). Zijn er geen gemeenschappelijke kinderen, dan kan een relatie als duurzaam en affectief worden beschouwd als partners minstens gedurende drie jaar op hetzelfde adres zijn gedomicilieerd. Ook in deze gevallen moet het mogelijk zijn voor de partners om andere wilsbeschikkingen op te stellen. Maar de overlevende partner moet sowieso verzekerd zijn van het recht om gedurende 1 jaar in de gezinswoning te blijven wonen. Ditzelfde recht van bewoning zou dan vanzelfsprekend ook gelden voor wettelijk samenwonenden en gehuwden in die eerder uitzonderlijke situaties waarin zij geen aanspraak kunnen maken op het vruchtgebruik op de gezinswoning.

Wij hopen dat bij de besprekingen van de hervorming van het erfrecht politici tot het besef komen dat feitelijk samenwonende koppels ook gezinnen zijn. Gezinnen met recht op de bescherming die hen toekomt.

Erika Coene werkt op de studiedienst van de Gezinsbond.

Ons erfrecht dateert uit de tijd van Napoleon, met als primair doel: de goederen in de familie houden. Bij gebrek aan een uitgewerkt stelsel van sociale zekerheid was dat een logische optie van de wetgever. Sindsdien evolueerde onze samenleving grondig, maar niet ons erfrecht. Eensgezindheid over de nood aan een hervorming bestaat er allang. Een wetsvoorstel dat momenteel in het parlement wordt besproken zou eindelijk voor een hervorming kunnen zorgen. Al in 2013 wees de Gezinsbond het beleid op de knelpunten in ons huidig erfrecht. De rode draad in onze analyse: de wetgever moet ruimte tot dialoog creëren en altijd een minimale bescherming voorzien. Er zijn zoveel verschillende familiesituaties mogelijk én maatschappelijk aanvaard, dat het niet meer mogelijk is om voor iedere situatie ook een oplossing uit te schrijven in de wetgeving. Mensen moeten aan de hand van een aantal wettelijke regels het erfrecht kunnen boetseren naar hun eigen noden.Het wetsvoorstel dat is ingediend in de Kamer op 25 januari 2017 komt aan een groot deel van onze verzuchtingen tegemoet. Een goede zaak voor gezinnen, helaas niet voor feitelijk samenwonende partners. Zoals de kaarten nu liggen, lijken zij in de kou te zullen blijven staan. Dat vinden wij bijzonder jammer, want koppels maken hun eigen keuzes. Trouwen, wettelijk samenwonen, feitelijk samenwonen? Het is vaak het buikgevoel dat de doorslag geeft, zelden juridische overwegingen. Net omdat het allemaal gezinnen zijn, hebben ze recht op bescherming om precaire situaties te voorkomen, zeker op de cruciale momenten in hun leven. Zoals op het moment dat hun partner overlijdt. Voor gehuwden is het erfrecht van de langstlevende partner goed geregeld. Het gehuwde koppel geniet een uitgebreide bescherming waar geen afbreuk aan kan worden gedaan. Dit is het zogenaamde reservataire erfrecht. Bij wettelijk samenwonenden is de regeling eerder rudimentair en is een afwijking van de bij wet voorziene regeling mogelijk. Maar er is wel een bescherming voorzien. Voor feitelijk samenwonenden is dat anders. Zij hebben geen enkel wettelijk erfrecht in elkaars nalatenschap. Wie het anders wil, moet tijdens het leven initiatief nemen zetten in de vorm van bijvoorbeeld schenkingen, testament, aankoop van een woning met een tontine overeenkomst en dergelijke meer. Is dit niet gebeurd, dan zal de langstlevende partner geen enkele aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van de eerst stervende. Dat kan bijzonder moeilijke situaties tot gevolg hebben, bijvoorbeeld wanneer alleen de eerst stervende partner het huurcontract van het huis waarin ze wonen, ondertekende. De overblijvende partner kan dan geen aanspraak maken op de voortzetting van het contract en staat bijgevolg op straat. Maar zelfs wie voor de helft eigenaar is van de woning is niet altijd helemaal zeker dat hij kan blijven wonen, zelfs als een testament het vruchtgebruik van de andere helft zou toekennen aan de partner. Eerst zal immers de vraag moeten beantwoord worden of deze regeling geen afbreuk doet aan de reservataire aanspraken van andere erfgenamen.In het huidige wetsvoorstel zal aan deze situaties niets wijzigen, wat een gemiste kans is.Zelfs als koppels goed geïnformeerd zijn en voorzieningen hebben getroffen, schuilen er toch nog addertjes onder het gras. Zo hebben ascendenten, bloedverwanten in opklimmende lijn zoals ouders en grootouders, op dit moment nog altijd een reservataire aanspraak op de nalatenschap als de overledene geen kinderen heeft. Dit wil in het geval van feitelijk samenwonenden zeggen dat de erfrechtelijke aanspraak van bloedverwanten in opklimmende lijn prioritair is tegenover elke andere regeling, zoals een testament. Dit kan in de praktijk betekenen dat een feitelijk samenwonende partner slechts de helft van de nalatenschap erft, ondanks het feit dat zijn overleden partner daar anders over besliste in zijn testament. En ook hier is de woning vaak een heikel punt, omdat bij vele gezinnen de gezinswoning de hoofdbrok is in hun vermogen. Niet alleen bloedverwanten in opklimmende lijn, maar ook kinderen hebben een reservatair erfrecht. Ook daar kunnen wilsbeschikkingen geen afbreuk aan doen. Bovendien zitten er wat betreft de tarieven voor erfbelasting extra voorwaarden vast aan de toepassing van de lagere tarieven voor partners. De vererving van de gezinswoning zal pas vrijgesteld zijn van erfbelasting als de feitelijke samenwoners minstens drie jaar samen wonen. Voor andere bestanddelen van de nalatenschap kan al van het voordeeltarief genoten worden na één jaar samen wonen. Op zich redelijke voorwaarden, maar wel belangrijk voor feitelijke samenwoners om ervan op de hoogte te zijn.De Gezinsbond pleit er voor dat er ook een wettelijke regeling is voor feitelijk samenwonenden, mensen die dus samen zijn gedomicilieerd, die een minimale bescherming voorziet. Met ons eerste voorstel willen wij voorkomen dat deze de langstlevende partner van een feitelijk samenwonend koppel van de ene dag op de andere op straat komt te staan. Concreet stellen wij voor dat de langstlevende partner het recht moet hebben om in de gezamenlijke verblijfplaats te kunnen blijven wonen gedurende een periode van 1 jaar vanaf het overlijden. Ongeacht wie eigenaar is van de woning. Voor feitelijk samenwonende koppels die leven in een duurzame affectieve relatie, vinden wij een uitgebreider erfrecht opportuun en pleiten wij voor het toekennen van het vruchtgebruik op de gezinswoning aan de langstlevende partner zodat ze levenslang in de woning die ze deelden met hun partner kunnen blijven wonen. Dezelfde aanspraken als de wettelijk samenwonende partner dus. Maar hoe bepaal je wie in een duurzame affectieve relatie zit? Ons voorstel is om vooreerst feitelijk samenwonenden die gemeenschappelijke kinderen hebben te beschouwen als levend in een duurzame affectieve relatie. Op dat moment erft de langstlevende partner dus automatisch het vruchtgebruik over de gezinswoning (behalve als een wilsbeschikking van de overledene anders aangeeft). Zijn er geen gemeenschappelijke kinderen, dan kan een relatie als duurzaam en affectief worden beschouwd als partners minstens gedurende drie jaar op hetzelfde adres zijn gedomicilieerd. Ook in deze gevallen moet het mogelijk zijn voor de partners om andere wilsbeschikkingen op te stellen. Maar de overlevende partner moet sowieso verzekerd zijn van het recht om gedurende 1 jaar in de gezinswoning te blijven wonen. Ditzelfde recht van bewoning zou dan vanzelfsprekend ook gelden voor wettelijk samenwonenden en gehuwden in die eerder uitzonderlijke situaties waarin zij geen aanspraak kunnen maken op het vruchtgebruik op de gezinswoning.Wij hopen dat bij de besprekingen van de hervorming van het erfrecht politici tot het besef komen dat feitelijk samenwonende koppels ook gezinnen zijn. Gezinnen met recht op de bescherming die hen toekomt.Erika Coene werkt op de studiedienst van de Gezinsbond.