Mijn moeder gaat vandaag met pensioen. Zelfs in deze komkommertijd zal dat gebeuren geen enkele krant halen. Ook in het jaarverslag van de Nationale Bank zal het volgend voorjaar hooguit zijdelings in een statistiek worden vermeld. Toch is het groot nieuws. Niet het minst voor haar, en zelf vind ik het ook redelijk wonderbaarlijk.

Vorige week vertelde ze mij en mijn broer uit het niets dat ze nog maar zeven dagen hoefde te werken voor ze mocht stoppen. Van een hele carrière bleven nog maar zeven dagen over. Het idee alleen al dat zoiets echt kan, kwam als een totale shock voor mij - ik moet nog minstens 37 jaar voortdoen.

Echt verrast kon ik anders niet zijn. Al ongeveer twee jaar gaf mijn moeder haar vier kinderen updates over hoelang ze nog moest werken. Telkens als ze dat deed - 'de laatste winter', 'de laatste keren in de vrieskou moeten fietsen' - klonk ze er zelf gelukkiger door. Die blijdschap droeg ze over op ons. Zeker aangezien uitkijken naar ons eigen pensioen nog voor enkele decennia een deprimerende bezigheid zal blijven, keken wij met z'n allen uit naar het hare.

Mag ik nog wel blij zijn om het pensioen van mijn moeder?

Dat was niet helemaal politiek correct van ons. Niet migratie, de islam of de opwarming van de aarde is de crisis waarmee ik ben opgegroeid. Nee, het pensioen is die crisis. Sinds ik kranten lees en naar Ter zake kijk, worden daarin - net als in Knack, trouwens - met graagte experts opgevoerd die zich grote, grote zorgen maken over de vergrijzing. Er zijn er die op zulke onheilsprofetieën hun hele carrière hebben gebouwd. Iemand die zelfs maar de apocalyptische omvang van dat probleem in twijfel trekt, kunnen zij niet meer ernstig nemen.

Ik heb dan nog het geluk dat mijn moeder op haar 65e met pensioen gaat, net zoals mijn vader volgend jaar. Stel u voor dat ze vroeger had beslist om ermee op te houden of, in het allerergste geval, een van de laatsten was die gebruikmaakte van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) of brugpensioen. Had ik dan wel blij voor haar mogen zijn? Moeten zulke moeders vermanend worden toegesproken door hun kinderen? De pensioenexperts lijken te vinden van wel.

De voorwaarden voor het tijdskrediet dat mama gebruikte om eerst vier vijfde te gaan werken en op het einde van haar carrière zelfs halftijds, zijn ondertussen wel al wat strenger geworden. Hoelang zullen we ons nog zulke landingsbanen kunnen permitteren? Ik heb het mijn moeder voorlopig maar vergeven.

Onder de pensioenexperts zitten er enkelen die zich nog stoerder willen voordoen dan de rest. 'Wat is er trouwens mis met werken?' vragen ze zich hardop af na hun pleidooi of donderpreek. 'Het is plezierig en zelfs emanciperend, belangrijk voor het sociaal contact; mensen doen dat niet tegen hun zin.'

Ik moet dan altijd even denken aan het mistroostige leventje dat zulke mannen - altijd mannen - moeten leiden, alsof ze echt niets leukers kunnen verzinnen dan vijf dagen per week acht uur achter een bureau te zitten.

Dat gezegd zijnde: mijn moeder deed haar werk graag -- en wel, denk ik, tot de laatste dag. Ze was, net als haar vader, boekhouder. Ook in haar vrije tijd heeft ze haar kinderen al geholpen om waarschijnlijk honderden euro's uit te sparen door onze boekhouding in de gaten te houden. Ze weet nog niet helemaal wat ze vanaf volgende week gaat doen, maar ze wil mensen met geldproblemen in elk geval helpen met schuldbemiddeling.

De laatste jaren hebben de pensioenexperts overigens nog een nieuw front geopend: de anciënniteitsregels, die wat hen betreft afgeschaft mogen. Het gaat om het principe dat werknemers die ouder worden ook steeds meer gaan verdienen. Een afspraak die elke economische logica tart, uiteraard, aangezien oudere werknemers doorgaans minder productief worden -- en hun werkgevers dus net minder geld opleveren. Naar het schijnt leiden die anciënniteitsregels er ook toe dat werkgevers nog altijd geen vijfenvijftigplussers willen aannemen.

Daarmee is een zoveelste argument voor een loonkostenverlaging gegeven. Voor de verkiezingen toonde econoom Gert Peersman anders aan in Knack dat de lastenverlagingen die de regering-Michel doorvoerde vooral voor hogere bedrijfswinsten hadden gezorgd. Sta mij ook hier dus enig wantrouwen toe, hoewel de naïefste verdedigers van de afschaffing van de anciënniteit beweren dat dertigers als ik net een hoger loon beter kunnen gebruiken dan zestigers als mijn moeder. Mijn loon zal dus aanzienlijk stijgen zonder dat ik er iets voor hoef te doen, als ik dat goed begrepen heb.

Het principe wringt ook met mijn rechtvaardigheidsgevoel. Dat een werkloosheidsuitkering in de tijd verminderd moet worden om werklozen aan te sporen een nieuwe job te zoeken, kan ik nog wel volgen. Maar dat alle ouderen, van wie we verwachten dat ze langer doorwerken, net in de jaren dat werken hun steeds zwaarder valt, geen opslag of beloning meer zouden mogen krijgen op het eind van het jaar, of zelfs minder zouden moeten gaan verdienen? Ik vind dat nogal respectloos. Het idee alleen al dat iemands loonpakket vanaf een bepaalde leeftijd ongewijzigd blijft is, zeker in een samenleving die heeft geleerd haar goedkeuring alleen nog in geld of extralegale voordelen uit te drukken, is veel radicaler dan de experts die het verdedigen graag doen geloven.

Dat ouderen, net in de jaren dat werken hun steeds zwaarder valt, zelfs minder zouden moeten gaan verdienen? Ik vind dat nogal respectloos.

Maar die experts doen zulke voorstellen altijd voor mij, of toch voor mijn generatie. Volgens hen maak ik me grote zorgen over mijn pensioen. Als zij dat zeggen, zal het wel zo zijn. Maar straks, als mijn moeder voor de laatste keer naar huis fietst, zal ik vooral aan haar denken, en aan het systeem dat ervoor zorgt dat nu misschien wel een van de mooiste periodes uit haar leven begint.

Door het in de politiek al vele jaren alleen nog over de versobering van de sociale zekerheid te hebben, zijn we bijna vergeten waarvoor we dat prachtding ooit hebben opgetuigd.