Ik krijg een filmpje van mijn broer iets over twaalf uur, nieuwjaarsnacht. Vanuit zijn raam in Brussel filmt hij rookpluimen op het plein voor zijn deur. De bomen in zijn straat lichten op door de knallen. De volgende ochtend stuurt hij foto’s van restanten van brandhaarden en rondslingerend afval. De rode hulzen van de rotjes liggen overal.
Op andere plekken bleef de schade niet beperkt tot afval: In Amsterdam ging de Vondelkerk in vlammen op, twee Antwerpse kinderen raakten zwaargewond door vuurpijlen, er werd vuurwerk naar hulpdiensten gegooid. Huisdieren trilden overal het nieuwe jaar in. Vuurwerk gaat gepaard met hoge pieken in fijn stof, en de zware metalen uit het buskruit vervuilen de bodem. Waarom zetten we een zogenaamde traditie voort die op zo veel niveaus leed berokkent?
Het antwoord is simpel: omdat genoeg mensen het leuk vinden. Vuurwerk met Nieuwjaar is een traditie uit China, waar het gebruikt werd om boze geesten te verdrijven. Dat sloot naadloos aan bij het Germaanse gebruik van ratels en ander lawaai om je van boze geesten te ontdoen. Maar vandaag is er van die symbolische betekenis nog weinig over. Vuurwerk steken we voornamelijk af omdat we er een dopaminerush van krijgen, zo berichtte de krant De Tijd.
Ik voelde spanning, adrenaline. Ik dacht ook: gaat dit maar goed.
Ik begrijp ze goed, die fascinatie voor het knallen. In een samenleving waar controle, productiviteit, en maakbaarheid centraal staan kan vuurwerk een spannende manier zijn om daar even aan te ontsnappen. Als kind keek ik met een mengeling van angst en opwinding naar mijn ooms die vuurwerk in bierbakken schikten, het vuur aan de lont hielden, en zich snel uit de voeten maakten. Ik voelde spanning, adrenaline. Ik dacht ook: gaat dit maar goed. Meermaals stelde ik me afgeschoten vingers voor, en meermaals haalde ik opgelucht adem toen iedereen op het einde nog al zijn ledematen had.
Friedrich Nietzsche zou zeggen dat vuurwerk het dionysische in ons aanspreekt, ons verlangen naar wanorde, extase en roes. Iets in brand steken voor de lol is zo onproductief dat het breekt met onze apollinische zijde, die verlangt naar maat, orde en controle. Oproepen tot een vuurwerkverbod klinkt als een overwinning van de apollinische zijde, en Nietzsche waarschuwt dat geen van beide zijden te zeer mag doorwegen. Een samenleving waarin we te veel gefocust zijn op veiligheid, bescherming en de inperking van risico kan betuttelend, steriel en saai worden. Er moet ruimte blijven voor het knallen.
De vraag die vuurwerkcritici stellen is niet: mogen we nog knallen? Maar wel: kunnen we manieren bedenken om te knallen waar we niet zo’n hoge kostprijs voor betalen? Dat vergt wat creativiteit en steeds weer de afweging tussen individueel plezier en het algemeen belang.
‘Vuurwerk is een kortstondige kick in een doosje.’
Toegegeven, op die manier je dionysische verlangen stillen is minder makkelijk dan vuurwerk afsteken. Vuurwerk is dan ook een luie vorm van knallen. Je koopt een kortstondige kick in een doosje. Eigenlijk is vuurwerk het apollinische in een dionysische vermomming. Een doosje vuurpijlen belooft in ruil voor geld dat je luttele seconden uit de bol mag gaan, en je hoeft er niets voor te doen of te kunnen. Dat is pas saai.