Edward De Vooght

‘Betere toespraken vergen meer intellectuele discipline, niet minder technologie’

Edward De Vooght Onderzoeker Communicatie, Media en Design (Arteveldehogeschool)

‘De verontwaardiging van de afgelopen dagen zegt minder over AI dan over een dieperliggend probleem: onze hardnekkige overschatting van citaten in publieke toespraken’, schrijft Edward De Vooght (Arteveldehogeschool) naar aanleiding van de commotie over door AI gehallucineerde citaten die door UGent-rector Petra De Sutter gebruikt werden in een toespraak.

Helemaal op zichzelf bekeken is wat UGent-rector Petra De Sutter overkwam een licht komisch, technisch slippertje dat inhoudelijk nauwelijks iets onthult. Wat wél betekenisvol is, is de felle escalatie van de discussie errond. Plots wordt gesproken over ontslag, geloofwaardigheid en zelfs een totaalverbod op AI in onderwijs en onderzoek. Die verontwaardiging zegt minder over AI dan over een dieperliggend probleem: onze hardnekkige overschatting van citaten in publieke toespraken.

Citaten als intellectuele pleisters

In het publieke debat worden citaten vaak ingezet als retorische snelkoppeling. Een verwijzing naar Einstein, Mandela of Aristoteles moet gewicht verlenen aan een gedachte die dat gewicht blijkbaar niet uit zichzelf kan dragen. Het citaat fungeert als intellectuele pleister: herkenbaar, geruststellend en zelden inhoudelijk verhelderend.

Dat fenomeen is niet nieuw. Toespraken van rectoren, professoren en politici zijn al jaren narratief zwak en inhoudelijk vaag, maar worden steevast opgeluisterd met grote namen. Die praktijk riep zelden verontwaardiging op. Pas wanneer AI in beeld komt, wordt het gebruik van citaten plots moreel beladen en voorgesteld als bewijs van luiheid of gebrek aan ambachtelijkheid. Alsof niet het citaat zelf problematisch is, maar het hulpmiddel dat het oproept. Zijn gehallucineerde citaten dan zoveel erger?

Een retorische scherpschutter struikelt niet over het feit dát een citaat wordt gebruikt, maar over de aanname dat zulke platgetreden verwijzingen nog indruk maken. Wat voor de spreker geruststellend aanvoelt, werkt voor het publiek steeds vaker als ruis.

Overlevering, legende en schijnzekerheid

Het verwijt van het klakkeloos vertrouwen op verzonnen citaten wordt in deze discussie zwaar aangezet, maar ook dat perspectief is selectief. Grote delen van wat wij als “klassieke citaten” beschouwen, kennen we enkel via overlevering, anekdotes of latere literaire reconstructie. Alea iacta est is daarvan een schoolvoorbeeld: of Caesar die woorden ooit precies zo heeft uitgesproken, weten we niet. Ze zijn ons overgeleverd via latere auteurs, niet via een transcript van het moment zelf.

Ook moderner cultureel erfgoed zit vol hardnekkige misvattingen. Elementary, my dear Watson komt in geen enkel Sherlock Holmes-verhaal letterlijk voor. De uitspraak “Ik ben het misschien niet eens met wat u zegt, maar ik zal tot de dood uw recht verdedigen om het te zeggen” wordt steevast aan Voltaire toegeschreven, terwijl ze hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van Evelyn Beatrice Hall, die Voltaires houding samenvatte, niet citeerde. En “Insanity is doing the same thing over and over again and expecting different results” blijkt nergens betrouwbaar aan Einstein te kunnen worden gekoppeld, ondanks zijn hardnekkige aanwezigheid op posters, slides en speeches.

Dat zijn geen uitzonderingen, maar het patroon. Het internet staat vol valse, fout geciteerde en fout toegeschreven uitspraken, vaak gekoppeld aan bekende namen omdat die gezag suggereren. In toespraken werd dat nooit als doorslaggevend probleem gezien. (En wellicht is het ook juist daarom dat ze gemakkelijk gefabriceerd worden door Large Language Models als ChatGPT.)

Maar citaten functioneren daar niet als academische voetnoten, maar als culturele bakens: ze roepen een gedachtewereld op, geen tekstkritische waarheid. Dat zulke onnauwkeurigheden nu plots als ernstige tekortkomingen worden gepresenteerd, heeft minder te maken met hernieuwde bronkritiek dan met de herkomst van het hulpmiddel dat het citaat produceerde.

Authenticiteit en AI: het verkeerde debat

De kritiek op AI wordt vaak verpakt als een pleidooi voor authenticiteit, opgevat als spreken vanuit een zuivere “interne stem”, onbemiddeld door hulpmiddelen. Alsof denken en schrijven ooit solitaire, ongefilterde processen zijn geweest. In werkelijkheid is academische, zakelijke en publieke communicatie altijd het resultaat van een smeltkroes van gesprekken, lectuur, feedback, redactie en samenwerking. Dat geldt evenzeer voor toespraken.

Redacteurs, collega’s, reviewers en speechschrijvers beïnvloeden teksten voortdurend, zonder dat dit als een aantasting van authenticiteit wordt gezien. Integendeel: die bemiddeling geldt doorgaans als een kwaliteitsgarantie. Waarom AI in dat geheel principieel problematischer zou zijn, blijft onduidelijk. Authenticiteit draait niet om het instrument, maar om verantwoordelijkheid, eigenaarschap en controle over wat wordt gezegd.

En net daarover blijft het publieke debat over AI in speeches vaak steken in volgens mij enge en misleidende voorbeelden: AI die zogezegd “toespraken schrijft” of “citaten verzint”. Daarmee wordt vermeden waar het werkelijk om gaat. AI kan inderdaad worden ingezet als snelle productiemachine die zonder veel reflectie teksten oplevert — en in dat geval is kritiek terecht. Maar dat is slechts één mogelijke toepassing.

AI kan evengoed functioneren als klankbord voor de speechschrijver: door tegenargumenten aan te reiken, de logica van een betoog te testen, overgangen te verfijnen, alternatieve formuleringen voor te stellen of een redenering bewust te vertragen. Mits gerichte prompts en actieve sturing kan AI het denkproces verdiepen, verbreden en aanscherpen, niet vervangen.

Ironisch genoeg komt authenticiteit in dat geval vaak minder onder druk te staan dan bij het routineuze gebruik van platte citaten van bekende grootheden. Wie zich in een toespraak verschuilt achter Churchill, Gandhi of welke historische icoon dan ook, heeft geen authenticiteitsprobleem maar een inhoudelijk tekort en dat wordt niet opgelost door een grote naam boven een platgereden argument te zetten.

Oproep: minder citaten, meer denken

Het incident rond De Sutter kan intussen worden opgeborgen. Misschien is het zinvoller om het debat te verleggen: weg van morele paniek over AI, en richting een kritischer reflectie op onze eigen retorische gewoontes. De vraag is in dat geval niet louter of een citaat correct is toegeschreven, maar waarom we denken dat het nodig is.

Als we publieke toespraken inhoudelijk en retorisch serieuzer willen nemen, heeft dat niets te maken met het verbieden van AI. Het vraagt vooral dat we hogere eisen stellen aan denken, argumentatie en helderheid.

AI kan daarbij slecht worden gebruikt, maar ook verstandig. Betere toespraken vergen meer intellectuele discipline, niet minder technologie.

Edward De Vooght heeft een doctoraat in retoriek, is onderzoeker naar het publiek debat en doceert media en politiek aan Arteveldehogeschool.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Expertise