Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

Het was 1956, hij was zes jaar oud, en zijn ouders hadden zoals zo veel gezinnen nog geen tv in huis. Dus kocht hij voor twee frank snoep in een winkeltje waar wel een tv stond, en bleef daar een hele middag zitten. Aan de achterkant van het toestel ging hij kijken hoe de mensen in en uit het scherm kwamen. Toen hij drie jaar later op de eerste rij zat bij een gala dat Toni Corsari presenteerde, wist hij het zeker: hij zou presentator worden. Het parcours dat Luc Appermont sindsdien gereden heeft, is behoorlijk indrukwekkend. Vijftig jaar radio gemaakt, bijna even lang shows en programma's gepresenteerd op de VRT en de VTM. Maar ook beroemde, altijd vlekkeloze presentators konden niet ontsnappen aan de lockdown in de lente, en aan het sluiten van de kappers. Hebt u zoals veel mensen geworsteld met uw haar tijdens de lockdown? Luc Appermont: (lacht) Dat viel best mee. Als ik toch nog ergens naartoe moest, knipte Bart het wat bij aan de oren. Blijkbaar groeit mijn haar niet zo snel. Ik las dat u jarenlang een grote hoeveelheid biergistpillen innam omdat het goed zou zijn voor de haardos. Appermont: (lacht opnieuw) Dat advies kwam van dokter Herman Le Compte, ergens begin jaren 80. Hij zei: wie 40 biergistpillen per dag neemt, zal nooit kaal of grijs worden. Iedereen verklaarde mij voor gek, maar ik heb er nooit bijwerkingen van gehad. (wijst naar zijn haar) En kijk, ik ben niet kaal en ook niet grijs. Dit is mijn natuurlijke haarkleur. Hecht u voor de rest belang aan uw uiterlijk? Appermont: Ik heb één credo in mijn leven dat alles bepaalt wat ik doe en zeg, en dat is: respect. Uit respect voor de kijker of het publiek wil ik er altijd keurig uitzien. Of dat nu in smoking is op een gala, of in jeans en polo op een sportevenement. Ik verzorg mij dus, maar niet in extreme mate. Ik heb een gezichtscrème voor 's morgens en 's avonds en om de twee maanden ga ik naar een schoonheidsinstituut van een goede vriendin van mij, dat is het. Zou u verjongingsingrepen overwegen om er presentabel te blijven uitzien? Appermont: Grove hulpmiddelen zou ik niet inschakelen, denk ik. Alles wat je nu ziet, is ook puur natuur. Als de rimpels komen, laat ik ze komen. Elke leeftijd heeft zijn gezicht. Wat doet u om fit te blijven? Appermont: Fietsen, wandelen en zwemmen. En om de twee dagen doe ik thuis buikspieroefeningen. Ik heb een partner die elf jaar jonger is, voor hem wil ik dat ook doen. We letten trouwens allebei op wat we eten en drinken. Maar Bart zegt altijd dat ik alles kan verorberen, terwijl hij nog maar naar eten moet kijken en al een kilo bijkomt. Hoe voedt u uw brein? Appermont: Ik ben een fanatieke lezer. Boeken, kranten, tijdschriften, zelfs bijsluiters als er niks anders te lezen valt. Als kind zat ik al in de boeken. Het was mijn troost. Ik was de middelste van vijf kinderen, en had weinig aansluiting bij de twee oudste en de twee jongste. Lezen was voor mij ontsnappen uit de realiteit. Ik heb de laatste jaren veel spirituele boeken gelezen en daar veel levenslessen uit gehaald. Wat literatuur betreft, is Willem Elsschot mijn favoriete auteur. Zijn verzameld werk heb ik kapotgelezen. U hebt talloze programma's gemaakt en gepresenteerd, u wordt een monument genoemd... Appermont: (onderbreekt en glimlacht) Ach, als je oud genoeg bent, word je sowieso een monument, hoor. Hebt u zich ooit als een vedette gedragen? Appermont: Oei. (denkt na) Misschien in de beginjaren. Toen ik pas op het scherm kwam als omroeper op de toenmalige BRT, verwachtte ik toch dat iedereen mij gezien had. Wat al vlug niet zo bleek te zijn, want er waren amper mensen met een televisie. (lacht) Dat was een heel mooie les in met twee voeten op de grond blijven. De laatste dertig, veertig jaar heb ik me nooit meer bezondigd aan grootheidswaanzin, denk ik. Geen sterallures dus, maar u was wel heel gebeten en gedreven. Appermont: Absoluut. Toen ik op mijn negende thuis vertelde dat ik presentator wilde worden, zei mijn vader, terwijl hij zijn krant bleef lezen: 'Gij wordt niks.' Leuk was dat niet. Maar ik dacht: wacht maar. Eigenlijk is het mijn drijfveer geweest. Ik zocht de hele tijd naar manieren om in het vak te raken. In de middelbare school volgde ik voordracht, las ik voor in de kerk, zat ik in het zangkoor en werd ik lid van een cabaretgroep. Vlak voor ik ging voortstuderen, las ik in de krant dat Studio Herman Teirlinck een nieuwe afdeling kleinkunst had opgericht voor cabaretiers en musicalartiesten. Misschien is dat de geknipte richting om presentator te worden, dacht ik, en ik ging me inschrijven. Met mijn ouders was ik overeengekomen dat ik mijn studie zelf zou betalen. Ik werkte indertijd als ober op het domein van Bokrijk, en ik verdiende daar goed geld mee. Hoe minder ik aangemoedigd werd, en hoe minder men in mij geloofde, hoe verbetener ik werd. Ik heb er zelfs een operatie voor overgehad. Toen ik op de Studio aankwam, lispelde ik en had ik een overbeet; mijn boventanden stonden dus niet op één lijn met mijn ondertanden. Daarmee zou ik nooit kunnen presenteren, vond de directie destijds. En dus liet ik mij opereren: er werd een kaakbeenfractuur aangebracht om mijn onderste tanden naar achteren te brengen. Ik herinner me nog goed het moment waarop ik wakker werd: mijn mond was dichtgebonden en ik kreeg vloeibaar voedsel via een buisje. Maar ik had het er allemaal voor over. Op een podium staan en de mensen entertainen, het was mijn grootste droom. De droom is uitgekomen, maar ik heb er wel altijd heel hard voor gewerkt. Vakantie kende ik niet. Zelfs toen mijn beste vriend trouwde en ik zijn getuige was, ben ik na de ceremonie op het gemeentehuis vertrokken voor een namiddagoptreden, om 's avonds net op tijd terug te zijn voor het dansfeest. Dat zou ik nu niet meer doen. Maar ik heb het nooit erg gevonden. U staat bekend als een zeer bedaarde man. Wanneer hebt u voor het laatst de controle verloren? Appermont: Ik verlies nooit de controle. Ik weet niet wat het is om dronken te zijn of een woede-uitbarsting te hebben. Bart en ik maken zelfs nooit ruzie. Hoogstens is er eens een discussie, maar slaande deuren of sneuvelend servies, dat kennen wij niet. Bent u vaak teleurgesteld in mensen? Appermont: Dat heb ik afgeleerd. Ik ga er ondertussen van uit dat elke mens zich gedraagt zoals hij of zij in staat is om zich te gedragen op dat bepaalde moment. Daarom probeer ik ook niet meer te oordelen. En al zeker niet te veroordelen. Als er iets op mijn weg komt dat mij niet zint, dan word ik niet kwaad, maar zeg ik: jammer, ik kan mij er niet in vinden, maar we gaan verder. Dat ene woordje 'jammer' helpt mij om alles te relativeren. Dat klinkt als totale onthechting. Appermont: Daar probeer ik naar te streven, ja: je niet meer ergeren aan mensen en ook op materieel vlak een onthecht persoon te worden. Ik ben nog niet waar ik moet zijn, hoor, het is een groeiproces. Maar ik vind het fijn om elke dag aan mezelf te werken. Boosheid levert toch niks op. Heeft iemand u ooit een mes in de rug gestoken? Appermont: Ik denk het niet. Ik heb mij ook nooit in zulke zaken willen verdiepen. Ooit las ik in een boek wat jaloezie echt betekent, namelijk dat je de macht aan een ander geeft over hoe jij je zou moeten voelen. En toen dacht ik: zover ga ik het niet laten komen. Het zou dus best kunnen dat er mensen afgunstig geweest zijn tegenover mij, maar ik heb mezelf nooit toegelaten om die signalen op te pikken. Ik heb er zelf trouwens ook geen last van. Kunt u gemakkelijk uw emoties uiten? Appermont: Bart zegt soms dat ik te rationeel ben, maar ik vind mezelf behoorlijk emotioneel. Ik kan wenen bij een kunstwerk of voorwerp dat goed gemaakt is. Maar naar de buitenwereld zal ik de controle houden over die emoties. Ik wil er niet mee koketteren. Bart is de enige bij wie ik echt ongecontroleerd mezelf ben. U bent opgegroeid in een beschermd milieu in het Limburgse Bilzen. Trok u grote ogen toen u in Antwerpen op de Studio aankwam? Appermont: O ja. Ik kwam daar binnen met een boekentas, maar op een kunstschool draagt natuurlijk niemand een boekentas. (lacht) Op het einde van het eerste jaar zei de directeur: 'Luc, je bent niet geschikt om naar het tweede jaar te gaan.' De andere docenten hebben toen toch een pleidooi voor mij gehouden, omdat ze iets in mij zagen. Ook daar was ik een buitenbeentje, besef ik nu. Net als in ons gezin. U hebt ook een tijd op internaat gezeten. Hoe kwam dat? Appermont: Omdat ik mij thuis niet kon aanpassen, stuurde mijn moeder me op mijn twaalfde naar het Klein Seminarie in Sint-Truiden. Er heerste daar een militair ritme. Opstaan om 6 uur, met z'n allen naar de wastafel, dan naar buiten om te turnen, vervolgens naar de kapel, de studie en de eetzaal. Eén weekend per maand mochten we naar huis. Dat was heel heftig. Voordien was ik een vrije vogel. Ik was het gewoon om op straat te leven en was bij iedereen in onze straat kind aan huis. Ik heb die twee jaar overleefd, maar omdat mijn resultaten naar beneden gingen en omdat mijn moeder inzag dat ik er echt niet gelukkig was, heeft ze mij er op mijn veertiende toch weer weggehaald. U was een buitenbeentje, zei u net. Werd u gepest op die school? Appermont: Daar zijn wel pesterijen gebeurd, ja. Omdat ik niet bij de groep hoorde. Maar het is geen trauma geworden. Het was eerder een stimulans. Net zoals met de reactie van mijn vader indertijd, dacht ik: ik zal me nog wel bewijzen. (zwijgt even) Er zijn wel momenten geweest dat ik het echt heel zwaar vond op dat internaat. Als de puberale weltschmerz me overviel, dacht ik weleens: als het morgen gedaan is, zal ik er niet rouwig om zijn. Maar goed, achteraf gezien ben ik dankbaar voor die periode. Het heeft me gehard. En misschien hadden mijn ouders ook wel gelijk. Ze wisten echt niet wat ze met mij moesten aanvangen. In hun ogen was ik rebels. Dat klinkt nu alsof ik een kleine crimineel was, maar eigenlijk was ik gewoon een braaf manneke dat niet kon aarden in het gezin waarin hij terechtgekomen was. Maar ja, hoe ging dat in die tijd. Vader was kostwinner, had altijd het laatste woord, en moeder ging daar niet tegenin. Pas door zo veel te lezen heb ik stilaan ingezien dat mijn jeugd toch niet zo vlekkeloos geweest is als ik altijd had gedacht. Ik heb steeds begrip gehad voor mijn ouders en waarom ze zich zo gedroegen; ze waren ook maar een product van hun tijd en generatie. En toch was onze relatie niet verstoord. Mijn vader is mijn grootste fan geworden, en mijn moeder heeft tien jaar lang mijn secretariaatswerk op zich genomen. Ik ben ook heel nauw betrokken geweest bij de verzorging van mijn moeder toen ze dementie kreeg. In 2010 kwam u uit voor uw relatie met Bart Kaëll, met wie u op dat moment al dertig jaar samen was. Wat was de belangrijkste reden om dat zo lang verborgen te houden? De familie of het grote publiek? Appermont: Beide. Voor mijn ouders was het ondenkbaar dat het bestond. En zelf heb ik altijd gevonden dat mijn privéleven niet van belang zou mogen zijn. Ik ben nogal ouderwets op dat vlak. Maar omdat ik een man heb die over gevoelens zingt, en omdat de media nu eenmaal veranderd zijn, moest hij er op een gegeven moment wel over spreken. Een relatie tussen twee mannen was lange tijd ook nog niet zo aanvaard als nu. Wellicht heeft enig opportunisme bij mij dus ook meegespeeld. Ik wilde geen programma mislopen omdat bepaalde traditionele mensen in de raad van bestuur mijn relatie met Bart niet zouden appreciëren. (denkt na) Bovendien was ik een laatbloeier. Eigenlijk heb ik altijd verlangd naar het idee van huisje, boompje, kindje. Ik heb ook enkele serieuze relaties met vrouwen gehad. Maar als het op trouwen aankwam, haakte ik toch altijd af. Ik kon toen nog niet benoemen waarom, maar ik wist wel elke keer dat het niet voor 100 procent klopte. Mochten Bart en ik elkaar hebben leren kennen in een ander decennium, zou ik zeker hebben nagedacht over kinderen adopteren. Een kind kunnen begeleiden in de zoektocht naar volwassenheid, dat moet mooi zijn. 'We zijn ervan overtuigd dat we nooit nog voor iemand anders zullen kiezen', zeiden jullie een tijd geleden. Dat zijn dure eden om te zweren. Appermont: Bart is een soulmate. Je kunt het niet beschrijven wat het betekent om iemand in je leven te hebben met wie je elke dag je geluk wilt delen. Als we niet samen zijn, bellen we elkaar zelfs drie, vier keer per dag. Zo'n lotje uit de loterij wens ik iedereen toe. Bart is één keer verliefd geweest op iemand anders, maar die vreselijke periode is een goede levensles voor mij geweest. Ik was hem aan het kneden naar mijn evenbeeld. Ik deed het met de beste bedoelingen, maar hij voelde zich compleet verstikt. Het heeft me geleerd dat je nooit iemand mag willen bezitten. En sindsdien hebben we beslist dat we nooit meer zullen toelaten om verliefd te worden op iemand anders. Want je kunt zelf heel goed controleren of je die drempel van verliefdheid overschrijdt of niet. Is er iets wat de mensen nog niet weten over Luc Appermont? Appermont: Stilaan zal nu alles wel geweten zijn wat geweten moet zijn, niet? Weet je, ik heb nooit gevraagd om in de boekjes te staan. De dag dat ik stop, stap ik ook onmiddellijk uit het publieke leven en verdwijn ik in de anonimiteit. Ik zie mijn publiek heel graag, maar ik zal perfect zonder hen kunnen als ik geen bekend figuur meer ben. Of ik niet overal herkend zal blijven worden? (glimlacht) Daar zijn trucjes voor. We doen dat nu al als we naar zee gaan: zet een pet op en een zonnebril, en er is niemand meer die weet wie je bent.