Terwijl hij zijn lepel even laat rusten in het bord tomatensoep dat voor hem op tafel staat, haalt Lode Van Hecke herinneringen op aan zijn laatste dans.
...

Terwijl hij zijn lepel even laat rusten in het bord tomatensoep dat voor hem op tafel staat, haalt Lode Van Hecke herinneringen op aan zijn laatste dans. 'Hoelang het geleden is dat ik nog eens heb gedanst? Van toen ik 48 was. Ik weet het nog goed, het was een wals met de secretaresse van de abdij van Orval, tijdens een excursie. Een van de chauffeurs was nadien zo kwaad dat hij twee jaar niet tegen mij heeft gesproken.' 71 is Van Hecke intussen en ook al is zijn levensmotto 'In de vreugde van de Geest', het dansen laat hij sinds die dag in 1998 aan anderen over. Hij woont ook niet meer in de abdij van Orval, waar hij vijfenveertig jaar lang een teruggetrokken leven leidde, maar in Gent. Op 23 februari 2020 werd hij er gewijd als bisschop, als opvolger van Luc Van Looy. Dat 'bisschop Lode' nog altijd van muziek houdt, bleek al meteen bij het begin van onze ontmoeting, twee uur eerder in zijn leefkamer, waar Arvo Pärt speelde. Van Hecke noemde diens zoektocht naar minimalisme 'nauw verwant met mijn cisterciënzerspiritualiteit' en tijdens het gesprek zal hij vol enthousiasme vertellen over zijn avonturen als muzikant bij The Black Skiffle Band, in de tijd dat de swinging sixties zelfs zijn geboorteplaats Roeselare bereikten. Maar beginnen deden we met de actualiteit. Met zijn Antwerpse collega Johan Bonny, die zijn excuses aanbood voor de standpunten van het Vaticaan over homoseksualiteit en het homohuwelijk. 'Ik voel plaatsvervangende schaamte', zei bisschop Bonny. U ook? LodeVan Hecke: Toen ik de tekst uit het Vaticaan las, viel ik ook van heel hoog, moet ik zeggen. Waarschijnlijk was het geen tekst die bedoeld was om zo breed gepubliceerd te worden, maar eerder een antwoord op een vraag uit Duitsland. Maar dan nog. We leven in een land en een cultuur waarin het homohuwelijk aanvaard is, in het burgerlijk recht en in de geesten van de meeste mensen. Dan kun je het als Kerk niet maken om in zo'n tekst zo veel mensen te kwetsen. Ik was dus ook kwaad, ja. Het gaat niet om de theorie, maar om menselijk contact. Hoe kan ik nu nog de mensen in de ogen kijken die bij deze thematiek betrokken zijn en zich inzetten voor de Kerk? Ik weet het niet. U bent na uw bisschopswijding in een strikt hiërarchische organisatie terechtgekomen. Voelt die hiërarchie niet beklemmend aan? Van Hecke: Nog niet, tot nu toe. (lacht) Ik kom inderdaad uit een ander milieu, dat van de monniken, die binnen de Kerk veel vrijheid genieten. Maar ik ben bijzonder goed ontvangen bij de Belgische bisschoppen, en ik heb vroeger nog drie jaar in Rome gewoond. Ik kende de complexiteit van de kerkelijke organisatie dus al wat. (zwijgt even) Toen ik werd gevraagd om bisschop te worden, flitste de vraag wel door mijn hoofd: zal ik nu vereenzelvigd worden met een instituut waarvan ik al op voorhand weet dat ik er vijanden zal hebben, nog voor ik mijn mond heb opengedaan? Maar ik werd geroepen. Alleen de paus kon mij vragen om het klooster te verlaten, en dus kon ik niet weigeren toen hij vorig jaar voor deze functie aan me dacht. Hoe moeilijk het ook was om mijn broeders van Orval te verlaten. Bent u dan zo gehoorzaam van aard? Van Hecke: Ik doe mijn best. Maar het is soms moeilijk, dat geef ik toe. Ik ben in een situatie terechtgekomen die helemaal anders is dan wat ik al jaren gewoon was. Wanneer spreek ik en wanneer niet? En wat zeg ik dan precies? Voor de ene spreek ik te veel, voor de andere te weinig. Ik kom uit een leven waarin luisteren centraal staat. Maar de laatste maanden heb ik veel teksten geschreven en video's gemaakt, en daardoor heb ik het gevoel dat ik 'de toeterende bisschop' aan het worden ben. Sowieso ben ik eerder intuïtief ingesteld, waarschijnlijk omdat ik muzikant ben, en niet puur rationeel. Gelukkig kan ik nog voldoende luisteren. Elke zaterdagnamiddag stel ik me in de Sint-Niklaaskerk beschikbaar voor een gesprek, voor wie dat wil. Daar komen heel diverse mensen op af, met uiteenlopende vragen. Waarom komen mensen zo graag spreken met een monnik, denk je? Omdat die zelf door zijn eigen duisternis is gegaan en niet te snel meer oordeelt, en nog minder snel veroordeelt. Daarmee verwijst u onder meer naar de 'spirituele woestijn van totale affectieve verdorring' waarin u enkele jaren na uw intrede in Orval terechtkwam. Wanneer is die duisternis verdwenen? Van Hecke: Ik herinner me de dag nog goed. Het was in de winter en ik ging onze kapel binnen voor de eucharistieviering van elf uur. We begonnen met een psalm, psalm 119 als ik me niet vergis, en plots sprak alles opnieuw. De Schrift sprak op dat moment al jaren niet meer. God zweeg en ik verwachtte absoluut niet dat die situatie nog zou eindigen, want ik was volledig murw geworden. Ik wilde ook niet te doen hebben met een God van de verbeelding, een illusie. Maar tijdens die psalm ging de deur opnieuw open, kon ik opnieuw ademen, kwam het zonlicht weer binnen en sprak alles weer. Sindsdien is dat gevoel nooit meer weggegaan. Niet dat ik voortdurend happy happy ben, maar mijn relatie met God is sinds die dag nooit meer fundamenteel op de helling komen te staan. U betrapt uzelf nooit meer op een oordeel? Van Hecke: Je zit hier niet voor een engeltje, verre van. Ik moet er nog elke dag tegen vechten en ik stel mezelf nog elke dag ter discussie. Maar hoe ouder ik word, hoe minder ik geneigd ben om iemand vast te pinnen op een idee, laat staan op een geaardheid. In de brief van Paulus aan de Romeinen lezen we: 'Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont.' Is het lichaam zondig? Van Hecke: Paulus was een genie, maar je moet die uitspraak interpreteren vanuit het standpunt van iemand die worstelt met zichzelf, van wie het lichaam op een bepaald moment als een gevangenis aanvoelt. Dit is geen metafysische uitspraak. Het lichaam is juist positief, we zijn geroepen om vanuit dat lichaam te verrijzen. (denkt na) Het dualisme, de tegenstelling tussen het vergankelijke lichaam en de onvergankelijke geest, is radicaal antichristelijk, maar heeft het christendom ook altijd bedreigd. Neem nu de inleiding op het Johannesevangelie. Als hij zegt dat 'Het Woord vlees geworden is', dan gaat het om de mens in zijn totaliteit - met al zijn gebreken en al zijn rijkdom - en niet om het lichaam ten opzichte van de ziel. Als God vlees is geworden, mens is geworden, hoe kan het lichaam dan slecht zijn? Maar men heeft er altijd mee geworsteld, omdat het christendom nu eenmaal gegroeid is in een Grieks-Romeinse cultuur waarin het dualisme wél bestond en waarin deze categorieën - lichaam, geest, ziel, psyche - anders werden ingevuld. De vertaling van 'ziel' in het Latijn is 'anima', maar de 'anima' behoorde bij de Romeinen tot het lichaam en niet tot de geest. Lichaam, geest, ziel: waar ligt de grens precies, en is het niet vooral een semantische discussie? Van Hecke: Voor een groot stuk is het een semantische discussie, dat klopt. We raken er niet uit, daar komt het eigenlijk op neer. Wat niet wil zeggen dat we het niet moeten blijven proberen. Ik herleid alles tot de dualiteit - geen dualisme, geen radicale tegenstelling - tussen 'het lichamelijke' en 'het geestelijke' dat in de mens bestaat, maar de grens daartussen is me ook niet duidelijk. Het is een voortdurend, paradoxaal spel tussen twee polen. Je hoeft maar kiespijn te hebben, en je kunt al niet goed meer bidden of zelfs denken; de invloed van het lichaam op de geest is dus zeer duidelijk. In die zin hebben we de plicht om voor ons lichaam te zorgen. En omgekeerd geldt hetzelfde. Ik heb verschillende broeders begeleid tot het einde, en toen heb ik vaak gezien dat de geest sterker was dan het lichaam. Naarmate het lichaam aftakelde, door ziekte bijvoorbeeld, werd de geest almaar sterker. Welk beeld hebt u van het leven na de dood? Van Hecke: Ik heb zoals velen geprobeerd om er een beeld van te vormen, zeker de eerste jaren, maar ik heb er al lang geen beelden meer bij. Ik denk eerder in termen van 'ik ga naar iemand toe' of 'Jezus zal daar ook zijn en in Hem zal ik mezelf en iedereen terugvinden'. Het vergankelijke zal onvergankelijk worden, maar we verdwijnen niet als persoon. Het zal gaan om relatie en liefde, zoals we het ook nu al kunnen beleven. Ik zie geen zingende engelen voor mij, helaas. (lacht)Is het stil in de hemel? Van Hecke: Misschien, misschien niet. Ik weet het echt niet. Als het er stil is, zal het een stilte van volheid zijn. Niet van leegte. Een beetje zoals de muziek van Arvo Pärt die we zojuist hoorden. Maar vergis je niet: ik sta niet te popelen om te vertrekken. Hoe ouder ik word, hoe liever ik leef. Nog even terug naar wat u zonet zei: als we de plicht hebben om voor ons lichaam te zorgen, waarom zien we dan zo weinig geestelijken sporten? Van Hecke: (veert op) Er zijn juist veel geestelijken die sporten! Maar het staat natuurlijk niet op hun hoofd geschreven. Ik heb zelf gesport tot ik abt werd, en toen was ik toch al 57 jaar. Regelmatig liep ik vijftien kilometer, in de bossen rond de abdij van Orval. Vijftien kilometer? Van Hecke: En wees gerust, het is er niet plat. (lacht) We hadden drie lussen: een korte, een middellange en een lange. Vijftien was de langste en we liepen die geregeld met een aantal broeders samen. In ons joggingpak, zoals iedereen.Hoe verzorgt u uw lichaam nu? Van Hecke: Te weinig. Tien jaar geleden ben ik op mijn knie gevallen, en sindsdien kan ik niet meer lopen. Ik ben hier vlak voor corona aangekomen en ik kende Gent niet. Elke dag ben ik anderhalf, twee uur door de stad gaan marcheren. Marcheren zelfs? Van Hecke: Ik stap goed door, ja. Ik ben een echte West-Vlaming, het moet vooruitgaan. (lacht) Ik lees ook al wandelend. Ik kan hier makkelijk een uur rond de tafel stappen terwijl ik aan het lezen ben. En ook op straat doe ik het weleens, met trappen en al. Zeker tijdens de eerste lockdown, toen er zo weinig volk op straat was. Ik ga ook graag naar zee, om er urenlang in de waterlijn te marcheren. Nergens kom ik zo tot rust als daar, dankzij het geluid van de golven die op het strand slaan. Ik ben dan zelfs in staat om even niet te denken. Nu is het wat verminderd, er zijn veel digitale vergaderingen bijgekomen en daardoor kom ik er niet meer toe. Mist u de bossen? Van Hecke: Enorm. Toen ik pas in Gent was, wilden ze me het Zuidpark tonen. 'En, waar is dat park precies?' vroeg ik. 'We staan erin', kreeg ik als antwoord. (lacht) Het is gelukkig niet de eerste keer in mijn leven dat ik me moet aanpassen. Na tien jaar monnikenleven ben ik in Leuven gaan wonen om er mijn theologiestudie af te werken, en nog later heb ik drie jaar in Rome gewoond, een drukke stad. Gelukkig zit ik hier in een autovrije zone, maar het blijft lastig. Door als monnik in de natuur te leven, gaan je zintuigen open. Alles was er mooi, alles mocht er gezien worden: de tuinen, de gebouwen, de kunstwerken. In de stad is dat helemaal anders. Je moet je voortdurend verweren tegen alle prikkels die op je af komen. Het geluid, maar ook de visuele prikkels, de reclame die zo alomtegenwoordig is. Mijn zenuwstelsel is de hele tijd in opstand, heb ik het gevoel. Drinkt u nog weleens een Orval? Van Hecke: Ik weet ze nog te vinden, laten we zeggen. (lacht)Hebt u een knuffelcontact? Van Hecke: Nee. Als monnik had ik bij wijze van spreken vrij veel 'knuffelcontacten'. Bij elke eucharistieviering voerden we een accolade uit, een omhelzing, en dat deden we ook wanneer iemand vertrok of terugkwam. Maar sinds corona heb ik niet veel accolades meer uitgevoerd, en dat is toch een gemis. Wat is de zin van het leven? Van Hecke: Het leven doorgeven. Vruchtbaar zijn. Wat natuurlijk paradoxaal is: moet je dan juist pater worden, zullen veel mensen denken. Maar voor mij was dat net essentieel. Voor ik intrad in Orval heb ik nog een afscheidsreis gemaakt door Latijns-Amerika. In Guatemala werd ik getroffen door de blik van een ondervoed kind. In mijn hart heb ik toen een pact gesloten met dat kind: ik zou me ook in de abdij niet afsluiten van het lijden van de wereld. Dat had ik moreel onverantwoord gevonden. Ongetwijfeld was ik ook gelukkig geworden als ik in Latijns-Amerika was blijven werken, maar ik voelde gewoon dat Orval de plaats was waar ik thuishoorde. Een roeping, anders kan ik het niet omschrijven. Maar ik kom uit Roeselare en dat zijn commerçanten, dus heb ik iets in ruil gevraagd. 'God,' bad ik, 'geef me een teken, een knipoog om te tonen dat ik me niet vergist heb. Al is het maar een kwartier voor mijn dood.' En? Van Hecke: Meer dan tien jaar later, in 1989, kreeg ik op een avond uit het niets telefoon van een vriend uit El Salvador. Er was een burgeroorlog uitgebroken, ik hoorde de bommen vliegen tot in Orval. 'Ik ben doodsbang', zei de man. 'En alleen jij kunt me begrijpen. Wil je alsjeblieft even met me praten?' De man heeft die bombardementen gelukkig overleefd, hij leeft nog altijd trouwens, maar voor mij was dat de knipoog. Als het om leven of dood gaat, vindt men plots de monnik.