Op brede publieke belangstelling kon de hoorzitting rond de invoering van een "transparantieregister van contacten met lobbyisten inzake de aankoop van militair materieel" vorige week niet echt rekenen. Afgezien van de delegatie studenten die ikzelf meebracht, tekenden present: een journalist, wat collega's van de uitgenodigde gastsprekers/consultants, en hier en daar iemand van de defensie-industrie zelf. Dit kan voor een stuk te maken hebben met de specifieke invalshoek en reikwijdte van het voorstel: registratie van lobbycontacten in verband met openbare aanbestedingen, en dat enkel rond de aankoop van militair materieel, en dat enkel boven de anderhalf miljoen euro.

'Lobbywerk hoeft geen probleem te zijn, op voorwaarde dat het transparant gebeurt'

Toch verdient dit debat veel meer dan het luisterend oor van 10 gegadigden en enkele parlementairen die zich hierover bogen. Getuige daarvan alleen al de brede waaier aan organisaties die langs mochten komen om hun mening over het wetsvoorstel te geven: van NGO's zoals Transparency International, over academici, tot échte 'lobbyisten' uit de consultancy wereld (die overigens vaak weinig met de defensie-industrie gemeen hadden). Dit weloverwogen en goed samengesteld panel maakte duidelijk dat het debat niet enkel gaat over de aankoop van militair materieel (hoewel ontegensprekelijk belangrijk). In de grond gaat het over de vraag of we een licht willen schijnen op de relatie tussen beleidsmakers en belangenvertegenwoordigers, en hoe.

Zure nasmaak van schaduwpolitiek

De relatie tussen die twee laatsten wordt niet bepaald positief gepercipieerd in de publieke opinie. Als er één woord is dat gefronste wenkbrauwen of cynisch gemompel naar boven brengt, dan is het 'lobbyist' wel. Regelmatig komen schandalen boven water drijven, die elk afzonderlijk ongetwijfeld veel van de negatieve bijklank verdienen: Kazakhgate in eigen land is één voorbeeld, maar ook op Europees niveau blijven we daarvan niet gespaard. Ex-voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso die vandaag voor Goldman Sachs gaat werken, Commissaris voor Digitale Agenda Günther Oettinger die in privéjets van lobbyisten wordt overgevlogen om meetings met Viktor Orban te houden, of de tabakslobby waarvan wordt verondersteld dat ze met een leger aan lobbyisten onze publieke gezondheidsregelgeving aan flarden tracht te schieten. Elk van deze belicht een aspect van de lobbywereld die een zure nasmaak van schaduwpolitiek achter laat.

Toch mogen we niet vergeten dat lobbyen - of mooier: belangenvertegenwoordiging - een essentiële rol in onze democratie vervult. Politici hebben nood aan input, zij het om expertise over een dossier op te doen, of om de mood in de samenleving doorheen verschillende organisaties te meten. Dit op een of andere manier verbieden is dus absoluut geen oplossing, noch is het wenselijk dat we de activiteit van 'het vertegenwoordigen van belangen' als moreel verwerpelijk gaan aanzien. Zonder deze vertegenwoordiging minder kwalitatief beleid, zowel wat betreft de uitkomst, als de manier waarop ze tot stand komt.

Legitimiteit van de overheid

Het probleem zit hem dus voornamelijk in de uitwassen van zo'n systeem, en niet in de essentie van de praktijk. Transparantie en regulering zijn dan ook onontbeerlijk om tot een gezond lobbysysteem te komen, waarin beleidsmakers en lobbyisten elkaar vrijelijk kunnen zien, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Dit kan de perceptie van het beroep bij de publieke opinie verbeteren, de legitimiteit van de overheid versterken en als mogelijk afschrikmiddel dienen voor politici en/of organisaties die liever op minder koosjere manieren te werken zouden zijn gegaan. Het is op dit vlak dat we in België een stuk achterlopen op Europa, en andere lidstaten.

Op Europees niveau is er, bijvoorbeeld, een Transparantieregister waarin lobbyisten zich (vrijwillig) inschrijven wanneer ze lobbyactiviteiten ondernemen. Zonder deze registratie kunnen ze Commissarissen, hooggeplaatste directeurs-generaal en kabinetsmedewerkers niet meer ontmoeten, wat de incentive zou moeten verhogen om in dit verhaal mee te stappen. Op dit moment zijn ongeveer 10.000 organisaties ingeschreven, en hebben we een relatief goed beeld van de populatie 'lobbyisten', hoeveel geld die hier aan vasthangen en hoe vaak ze de topfiguren in de EU ontmoeten. Dit systeem, met bijhorende gedragscodes voor lobbyisten en deontologische codes voor parlementairen en beleidsmakers is allesbehalve perfect, maar het debat daarrond woedt, en de resulterende vooruitgang zorgt wel voor een minimum aan transparantie.

Het is dan ook verbazingwekkend dat hier in België bitter weinig rond te doen is. Er is zeer recentelijk een Federale Deontologische Commissie actief die zich over het naleven van 'deontologische principes' moet buigen, maar op zichzelf zal het de uitwassen van het systeem niet verhelpen, laat staan preventief werken. Bovendien, er is meer nodig om de perceptie bij de bevolking recht te trekken, en hen te overtuigen van het feit dat contacten tussen beleidsmakers en allerhande organisaties (ook NGO's zijn lobbyisten) in essentie noodzakelijk en legitiem zijn. Een bepaalde vorm van regulering om aan te zetten tot ethisch gedrag en transparantie, is dan ook geen overbodige luxe.

Zoals de verhoudingen nu liggen, lijken de privé en de politieke partijen aan rechterzijde eerder te vinden voor zelfregulatie (wat trouwens al is gestart) of een minimaal kader aan te volgen codes en verplichtingen. De linkerzijde, en vooral Ecolo-Groen, diende een verregaand voorstel in dat zeer gedetailleerd contacten vastlegt en beschrijft. Er zijn ook andere (en tussen-) oplossingen mogelijk. Waar iedereen het echter over eens blijkt te zijn, is dat België "braakliggend terrein" (dixit Groen-Kamerlid Wouter De Vriendt) is wat regulering hierrond betreft, en dat regulering wel degelijk een win-win kan zijn voor alle partijen. Hoe een bebouwd terrein er uiteindelijk gaat uitzien, daarover mag zeker nog gediscussieerd worden, maar dat we deze discussie nodig hebben, dat staat buiten kijf.

Niels Gheyle is doctoraatstudent aan het Centrum voor EU Studies, Universiteit Gent.

Op brede publieke belangstelling kon de hoorzitting rond de invoering van een "transparantieregister van contacten met lobbyisten inzake de aankoop van militair materieel" vorige week niet echt rekenen. Afgezien van de delegatie studenten die ikzelf meebracht, tekenden present: een journalist, wat collega's van de uitgenodigde gastsprekers/consultants, en hier en daar iemand van de defensie-industrie zelf. Dit kan voor een stuk te maken hebben met de specifieke invalshoek en reikwijdte van het voorstel: registratie van lobbycontacten in verband met openbare aanbestedingen, en dat enkel rond de aankoop van militair materieel, en dat enkel boven de anderhalf miljoen euro. Toch verdient dit debat veel meer dan het luisterend oor van 10 gegadigden en enkele parlementairen die zich hierover bogen. Getuige daarvan alleen al de brede waaier aan organisaties die langs mochten komen om hun mening over het wetsvoorstel te geven: van NGO's zoals Transparency International, over academici, tot échte 'lobbyisten' uit de consultancy wereld (die overigens vaak weinig met de defensie-industrie gemeen hadden). Dit weloverwogen en goed samengesteld panel maakte duidelijk dat het debat niet enkel gaat over de aankoop van militair materieel (hoewel ontegensprekelijk belangrijk). In de grond gaat het over de vraag of we een licht willen schijnen op de relatie tussen beleidsmakers en belangenvertegenwoordigers, en hoe. De relatie tussen die twee laatsten wordt niet bepaald positief gepercipieerd in de publieke opinie. Als er één woord is dat gefronste wenkbrauwen of cynisch gemompel naar boven brengt, dan is het 'lobbyist' wel. Regelmatig komen schandalen boven water drijven, die elk afzonderlijk ongetwijfeld veel van de negatieve bijklank verdienen: Kazakhgate in eigen land is één voorbeeld, maar ook op Europees niveau blijven we daarvan niet gespaard. Ex-voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso die vandaag voor Goldman Sachs gaat werken, Commissaris voor Digitale Agenda Günther Oettinger die in privéjets van lobbyisten wordt overgevlogen om meetings met Viktor Orban te houden, of de tabakslobby waarvan wordt verondersteld dat ze met een leger aan lobbyisten onze publieke gezondheidsregelgeving aan flarden tracht te schieten. Elk van deze belicht een aspect van de lobbywereld die een zure nasmaak van schaduwpolitiek achter laat.Toch mogen we niet vergeten dat lobbyen - of mooier: belangenvertegenwoordiging - een essentiële rol in onze democratie vervult. Politici hebben nood aan input, zij het om expertise over een dossier op te doen, of om de mood in de samenleving doorheen verschillende organisaties te meten. Dit op een of andere manier verbieden is dus absoluut geen oplossing, noch is het wenselijk dat we de activiteit van 'het vertegenwoordigen van belangen' als moreel verwerpelijk gaan aanzien. Zonder deze vertegenwoordiging minder kwalitatief beleid, zowel wat betreft de uitkomst, als de manier waarop ze tot stand komt.Het probleem zit hem dus voornamelijk in de uitwassen van zo'n systeem, en niet in de essentie van de praktijk. Transparantie en regulering zijn dan ook onontbeerlijk om tot een gezond lobbysysteem te komen, waarin beleidsmakers en lobbyisten elkaar vrijelijk kunnen zien, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Dit kan de perceptie van het beroep bij de publieke opinie verbeteren, de legitimiteit van de overheid versterken en als mogelijk afschrikmiddel dienen voor politici en/of organisaties die liever op minder koosjere manieren te werken zouden zijn gegaan. Het is op dit vlak dat we in België een stuk achterlopen op Europa, en andere lidstaten.Op Europees niveau is er, bijvoorbeeld, een Transparantieregister waarin lobbyisten zich (vrijwillig) inschrijven wanneer ze lobbyactiviteiten ondernemen. Zonder deze registratie kunnen ze Commissarissen, hooggeplaatste directeurs-generaal en kabinetsmedewerkers niet meer ontmoeten, wat de incentive zou moeten verhogen om in dit verhaal mee te stappen. Op dit moment zijn ongeveer 10.000 organisaties ingeschreven, en hebben we een relatief goed beeld van de populatie 'lobbyisten', hoeveel geld die hier aan vasthangen en hoe vaak ze de topfiguren in de EU ontmoeten. Dit systeem, met bijhorende gedragscodes voor lobbyisten en deontologische codes voor parlementairen en beleidsmakers is allesbehalve perfect, maar het debat daarrond woedt, en de resulterende vooruitgang zorgt wel voor een minimum aan transparantie.Het is dan ook verbazingwekkend dat hier in België bitter weinig rond te doen is. Er is zeer recentelijk een Federale Deontologische Commissie actief die zich over het naleven van 'deontologische principes' moet buigen, maar op zichzelf zal het de uitwassen van het systeem niet verhelpen, laat staan preventief werken. Bovendien, er is meer nodig om de perceptie bij de bevolking recht te trekken, en hen te overtuigen van het feit dat contacten tussen beleidsmakers en allerhande organisaties (ook NGO's zijn lobbyisten) in essentie noodzakelijk en legitiem zijn. Een bepaalde vorm van regulering om aan te zetten tot ethisch gedrag en transparantie, is dan ook geen overbodige luxe. Zoals de verhoudingen nu liggen, lijken de privé en de politieke partijen aan rechterzijde eerder te vinden voor zelfregulatie (wat trouwens al is gestart) of een minimaal kader aan te volgen codes en verplichtingen. De linkerzijde, en vooral Ecolo-Groen, diende een verregaand voorstel in dat zeer gedetailleerd contacten vastlegt en beschrijft. Er zijn ook andere (en tussen-) oplossingen mogelijk. Waar iedereen het echter over eens blijkt te zijn, is dat België "braakliggend terrein" (dixit Groen-Kamerlid Wouter De Vriendt) is wat regulering hierrond betreft, en dat regulering wel degelijk een win-win kan zijn voor alle partijen. Hoe een bebouwd terrein er uiteindelijk gaat uitzien, daarover mag zeker nog gediscussieerd worden, maar dat we deze discussie nodig hebben, dat staat buiten kijf. Niels Gheyle is doctoraatstudent aan het Centrum voor EU Studies, Universiteit Gent.