De beste buitenlandse voetballer die ooit in België speelde, werd 70. Het leek Robbie Rensenbrink een goede gelegenheid voor een nieuwe biografie. Bij uitgeverij Edicola verschijnt Rob Rensenbrink: het slangenmens. Rob dus, niet Robbie. 'Zo noemden ze me alleen in België en het boek mikt ook op Nederland, waar ik minder bekend ben. Of ja, ze kennen me wel, maar dan van één misser waar ik liever niet te vaak aan word herinnerd. Ik heb het altijd fijn gevonden dat de Belgen me 'Robbie' noemden. Er spreekt vertedering uit, alsof je het over een goede vriend hebt.'
...

De beste buitenlandse voetballer die ooit in België speelde, werd 70. Het leek Robbie Rensenbrink een goede gelegenheid voor een nieuwe biografie. Bij uitgeverij Edicola verschijnt Rob Rensenbrink: het slangenmens. Rob dus, niet Robbie. 'Zo noemden ze me alleen in België en het boek mikt ook op Nederland, waar ik minder bekend ben. Of ja, ze kennen me wel, maar dan van één misser waar ik liever niet te vaak aan word herinnerd. Ik heb het altijd fijn gevonden dat de Belgen me 'Robbie' noemden. Er spreekt vertedering uit, alsof je het over een goede vriend hebt.' De bijnaam 'slangenmens' is een vondst van Lajos Baroti, trainer van Ujpest Dozsa. 'Die hebben we met Club Brugge eens helemaal zoek gespeeld. 5-2, ik scoorde drie keer.' Jan Mulder, destijds spits bij Anderlecht, zat die dag in de tribune. Na de wedstrijd spreekt hij Rensenbrink aan om in Brussel te komen voetballen. 'En daar heb ik veel geld aan overgehouden' grapt Mulder, vandaag ook bekend als analist. 'Nee, dat verhaal is opgeblazen. Er was al sprake van dat Rensenbrink naar Anderlecht zou komen, en ik zei: "Lijkt me een goed idee, Robbie." Verder ging mijn betrokkenheid niet.' Een transfer van Club naar Anderlecht: dat veroorzaakte vast wel enige beroering? Robbie Rensenbrink: Vooral binnen Club Brugge. Een paar bestuursleden wilden me onder geen beding laten gaan, maar Constant Vanden Stock (grote baas van Anderlecht, nvdr) liet niet af. Hoe hij toch zijn wil heeft doorgedreven, heb ik nooit geweten. Club kreeg een transfersom en twee spelers erbovenop: Wilfried Puis en Johnny Velkeneers. Paste u wel bij Club Brugge? Club was meer Sturm und Drang dan techniek, luidt het cliché. Rensenbrink: Voor mij voelde het verschil in stijl nooit zo fundamenteel. Raoul Lambert en Johny Thio speelden bij Club en hadden klasse voor tien. Jan Mulder: Of Pierre Carteus. Die kon ook geweldig voetballen. Rensenbrink: Op Lambert na zijn ze allemaal dood. Ik kom alleen nog naar België voor begrafenissen. Laatst was ik er voor Swat Van der Elst. Zo'n warme man, en amper 62 jaar. Mulder: Wij zitten er ook vlakbij. De eindstreep is in zicht. Zelf mag ik niet klagen: levensbedreigende dingen heb ik niet, wel kleine ongemakken. Hoe gaat het met je spierziekte, Robbie? Rensenbrink: Het verergert. Ik heb PMSA, een afgeleide van ALS, maar minder ernstig. Mijn kracht laat me in de steek. Valt tijdens het eten mijn vork plots uit mijn hand. De dokters weten niet hoe het komt en medicijnen bestaan er niet voor. Tijdens mijn loopbaan had ik van mijn spieren nooit last. Hoe zijn jullie destijds in België beland? Rensenbrink: Ik had nooit van Club Brugge gehoord, maar kon er vijf keer meer verdienen dan bij DWS. Een moeilijke keuze was het niet. Feyenoord was geïnteresseerd, maar die vonden me te duur. Nederland kende toen een linksbuitenoverschot. Feyenoord had Coen Moulijn, bij Ajax speelde Piet Keizer. Iconen. Mulder: Lang heb ik met de angst geleefd dat niemand me zou ontdekken. Ik wist dat ik een talentvolle speler was, maar hoe kom ik uit Winschoten? Gelukkig deed Racing Tienen mee aan een jeugdtoernooi in Veendam. Ik ben nog een week op vakantie geweest bij de voorzitter, tandarts Verhoeven. Maar Tienen betekent zelfs vanuit Winschoten geen stap hogerop. De tandarts tipte Albert Roosens, voorzitter van Anderlecht. Toen roerden de Nederlandse topclubs zich ook. Ajax wou me, maar de broers Cees en Klaas Molenaar van AZ gingen nog een stap verder. Kwamen ze met een koffer vol bankbiljetten bij mij thuis. 20.000 gulden! Mijn vader en moeder wisten niet waar ze het hadden. Anderlecht bezat op dat moment meer naam dan de Nederlandse clubs. Paul Van Himst was net doorgebroken. 'De witte Pelé': dat klonk als een klok. Anderlecht had Real Madrid geklopt, met dat beroemde doelpunt van Jef Jurion. Ajax verloor van Fredrikstad. Dit is voor het Nederlands voetbal echt opstond, vergeet dat niet. Rensenbrink: Naar België gaan was geen onlogische stap, maar ik ben er wel te lang gebleven. Faas Wilkes polste namens Inter Milaan. In de Kuip, na de Europacupfinale tegen West Ham. Het leek rond te komen en toen gingen de grenzen weer dicht voor buitenlandse spelers. Ik heb me wel eens afgevraagd wat had kunnen zijn als ik naar een andere club was gegaan. Real Madrid had ik graag willen proberen, maar Anderlecht zei nee. Ik had een contract getekend voor zeven jaar. Dom. Mulder: Je was te bescheiden, Robbie. Er werd toen goed betaald in het Belgisch voetbal, zij het niet altijd boven tafel. Kregen jullie vaak een enveloppe met zwart geld? Rensenbrink: Nou, vul dat zelf maar in. (lacht) Ik heb in België goed verdiend, laat ik het daarop houden. Hoe zou u de voetballer Robbie Rensenbrink omschrijven? Rensenbrink: Als een rustige jongen. (lacht)Mulder: Een rustig ogende jongen maar als je er verder in doordringt, dan blijkt ie van geen kant te deugen! Weet je hoe hoog ik Rensenbrink inschat? Arjen Robben vind ik een wereldklassespeler. Zijn stijl staat me niet erg aan, met dat ellebogengebots en zo, maar Robben heeft zich intussen wel bij de grootste Nederlandse spelers aller tijden gewurmd. Nou, Robbie was vier keer beter dan Robben. Rensenbrink: Zo! Je mag straks iets van me drinken, Jan. Mulder: Dit soort interviews met ex-voetballers draait vaak uit in elkaar slijm om de mond smeren - hoe mooi was het vroeger! - maar dit durf ik toch voor mijn rekening te nemen: vier keer beter dan Robben is niks overdreven. Robbie scoorde veel, zeker voor een linksbuiten, en alles wat hij deed, was elegant. Als water stroomde hij over het veld. Ik moest me in mijn arm knijpen: niet alleen genieten, Mulder, meevoetballen! Waar kwam die sierlijkheid vandaan? Was die aangeboren of hebt u er hard aan moeten werken? Rensenbrink: Nee, dat zit in je. Ik was tien toen ik besloot dat ik voetballer zou worden. Daar moest alles voor wijken. Na de wedstrijd gingen de andere jongens op stap. Ik niet hoor. Flink vroeg naar bed, zelfs toen ik verkering kreeg. Voor mijn vrouw niet leuk, maar wie het wil maken, bezoekt geen kroegen. Mulder:Sergio Agüero, die Argentijn van Manchester City, gaat op donderdagavond stappen in Amsterdam, en breekt een rib bij een ongeval met een taxi. Zo gaat het tegenwoordig: één dag vrij en hup, met de jet naar Saint-Tropez. Zelfs als je niet drinkt, vind ik dat over de rand. Een voetballer moet zich verzorgen. Ik ging ook altijd vroeg naar bed. Zeker weten. Nochtans: Brussel was in de jaren 1960 en 1970 nog een bruisende stad. Mulder: Daar werd een mens wel sierlijk van, ja. Ging jij dan nooit op stap, Robbie? Rensenbrink: Natuurlijk gebeurde dat, maar niemand wist het. Mulder: Zo hoort het. Flinke jongen. (lacht luid) Rensenbrink: Ik hield van Brussel. Het spijt me dat ik er niet ben gebleven na mijn carrière. Maar ja, mijn ouders woonden in Nederland, mijn schoonouders, mijn broer, mijn zuster. Voor de kinderen is het toch leuk als de familie dichtbij is. Mulder: Je zag jezelf oud worden in een rustig villaatje in Groot-Bijgaarden, buurman van Paul Van Himst? Dat begrijp ik. Ik had dat ook nog wel gewild. In het seizoen '71-'72 pakte Anderlecht uit met een aanvalslijn Rensenbrink-Mulder-Van Himst. In België is dat nooit meer vertoond. Mulder: Dank je wel. Je hebt meteen een titel voor je stuk: 'Nooit vertoond!' Maar het is niet zo dat jullie over de concurrenten heen walsten. Anderlecht eindigde dat jaar met evenveel punten als Club Brugge, maar werd wel kampioen. Rensenbrink: Onze laatste match winnen we met 1-5 op Sint-Truiden. Jan scoort drie keer. Na afloop zaten we in de kleedkamer rond een radiootje gehurkt. Brugge moest punten verliezen op RWDM, en dat gebeurde warempel nog ook. Het werd een gekkenhuis. Jan liet zich op de schouders ronddragen. Hij had alleen nog zijn broekie aan! Mulder: Ik kon het niet meer verdragen in die bekrompen kleedkamer. Vier minuten wachten! Die ereronde leek op aandachttrekkerij, dat geef ik toe, maar dat was het niet helemaal. Noem het Groningse euforie, gemengd met een oprecht meeleven met onze fans. (lacht) Hoe valt de jonge Jan Mulder te omschrijven? Mulder: Hier krijg je het! Rensenbrink: Jan was een echte midvoor: vreselijk snel, goed schot, scoorde aan de lopende band. Wat moet je nog meer? Ik las: te vergelijken met Ruud van Nistelrooy. Mulder: Qua statistieken niet. Van Nistelrooy was toch wel érg goed, hoor. Manchester United, Real Madrid. De drang naar doel deelden we, maar meer durf ik niet te zeggen. Op beelden van vroeger valt op hoeveel tijd spelers hadden om een actie op te zetten. Het voetbal was trager, maar zeker niet minder entertainend. Rensenbrink: Dat zeggen veel mensen: 'Vandaag zou je zo niet kunnen voetballen, Rob.' Het gaat harder, sneller. Ik geloof het niet, hoor. Ook in het voetbal van nu had ik me staande gehouden. Mulder: Je zou je toch een beetje moeten aanpassen, Robbie. Ze lopen meer, en dat verandert toch wat. Ik kijk ook wel eens beelden van mezelf waarbij ik denk: verdorie, dat flitst. Maar evengoed zie ik clipjes waarin het trager gaat dan ik het me herinner. De aanvallers hebben het nu zeker niet moeilijker dan vroeger. Robbie moest drie mandekkers afschudden. Wat was uw mooiste doelpunt? Rensenbrink: Die vrije trap in de Europacupfinale tegen Austria Wien. Rustig geplaatst, onhoudbaar voor de keeper. Trappen op een stilliggende bal is een kwestie van oefenen. Wist je dat ik in mijn carrière maar één strafschop heb gemist? Dat was tegen Christian Piot van Standard, een fantastische keeper trouwens. Ik plaatste mijn penalty's zuiver in de hoek waar ik hem hebben wou. Dan heb je zekerheid, vind ik. Je kan ook doen zoals Johan Neeskens: gewoon keihard door het midden. Mulder: Dat domme geram, met de ogen dicht, past niet voor een profvoetballer. Zo trappen ze in Woldendorp of in Mook. Wij van Brussel doen het stijlvoller. 'Wij van Brussel': voelen Anderlechtenaars zich verheven boven de rest? Mulder: Helemaal niet. Ik weet niet waar dat beeld vandaan komt. Ik heb Anderlecht altijd gezien als een plattelandsvereniging voor eenvoudige, bescheiden mensen zoals Constant Vanden Stock, Albert Roosens of Eugène Steppé. Rensenbrink: De eerste wedstrijden werd ik uitgefloten: wist je dat? Mulder: Door óns publiek, echt waar? Je verving natuurlijk Puis, die populair was, en je kwam van Brugge. Dit moet je de Anderlechtfans vergeven, Robbie. Zoiets doet even zeer. Later hebben ze je nog verkozen tot de grootste Anderlechtspeler ooit. Wat zit je dan te zeuren? Rensenbrink: Na vier wedstrijden vroeg ik Vanden Stock om me terug te verkopen. Hij zei dat de supporters wel bij zouden draaien. De volgende match scoorde ik een paar keer, en warempel. (lacht) Sommige spelers waren bang van Constant Vanden Stock. Rensenbrink: Ik niet. Ik was zijn lievelingetje. Mulder: Bang is overdreven, maar Vanden Stock kon wel raar doen als de dingen niet liepen zoals hij wou. Je kon moeilijk tot hem doordringen. Rensenbrink: Lievelingetje of niet: we zijn allemaal met een rotgevoel bij Anderlecht vertrokken. Ik, Jan, zelfs Paul Van Himst. Mulder: Ik botste met trainer Georg Kessler. Hij zette me op de bank. In die tijd was dat een zware belediging voor een basisspeler. Ik mocht invallen, scoorde, en na affluiten kwam Kessler demonstratief applaudisseren. Alsof hij dat wel mooi bekeken had. Ik gaf hem een middenvinger. Ordinair, ik zou zoiets zelden doen. Constant Vanden Stock vond dat ik mijn excuses moest aanbieden. Ik dacht het niet, mijnheer Vanden Stock! Ik had het spelletje mee moeten spelen. In mijn onbuigzaamheid bruuskeerde ik Vanden Stock en dat was niet nodig geweest. In België kende iedereen Rensenbrink en Mulder, maar voor voetballend Nederland verdwenen jullie van de radar. Jullie waren geen sant in eigen land. Rensenbrink: Toen ik naar België vertrok, heeft het vier jaar geduurd voor ik weer werd geselecteerd. De bondscoach zat toevallig in het stadion toen Anderlecht een oefenmatch speelde tegen FC Barcelona. Anders speelde ik misschien nooit meer voor het Nederlands elftal. Mulder: Men keek niet over de grens, maar wat ook speelde: clubs waren niet verplicht je vrij te geven voor de nationale ploeg. Er was altijd wel een belangrijke oefenwedstrijd in Nantes of zo. Anderlecht had liever niet dat ik international zou worden. In Nederland staat Robbie Rensenbrink bekend als de man van 'de bal op de paal'. Hebt u dat lang meegedragen? Rensenbrink: Het was de extra tijd van de finale van het WK van 1978. Ruud Krol trapt een lange bal waar ik nog net een teen tegen krijg. Zit die, dan winnen we de Wereldbeker, maar ik verwijt me niks. Als je in de laatste minuut een penalty mist, dan voel je je een leven lang de klootzak, maar dit? Het was geen echte kans, meer een zondagsbal. Volgens mij waren we sowieso nooit wereldkampioen geworden. Argentinië moest het worden. Die scheidsrechter zou wel iets bedenken. Argentinië '78 was het toernooi van 'Bloed aan de Paal'. Freek de Jonge en Bram Vermeulen van Neerlands Hoop vonden het niet kunnen dat Oranje ging voetballen in het Argentinië van dictator Jorge Videla. Rensenbrink: Die twee cabaretiers hielden een zitstaking op Schiphol. Als speler kon ik daar niet veel mee. Wist ik veel wat er in Argentinië aan de hand was. Mijn vak was voetballen, van politiek had ik geen verstand. Het leek me een straatje zonder eind. Waar moet je dan nog wel gaan voetballen? Kan Rusland? Of Afrika? De interlandcarrière van Jan Mulder... Mulder: ... is nooit uit de steigers gekomen. Waarom? Een beetje uit zicht in België. Blessures op het verkeerde moment. Niet helemaal in de kraam passend bij Johan Cruijff. Maar ook: niet goed genoeg, waarschijnlijk. U hebt na uw carrière nooit nog een job gehad, mijnheer Rensenbrink. Is 33 niet erg jong om met pensioen te gaan? Rensenbrink: Ik vond het heerlijk. Vissen, beetje fietsen. Ik had mijn geld belegd in huizen en daar ben ik niet slechter van geworden. Het enige wat ik had willen doen, was de voetballerij, maar in Nederland kreeg ik geen interessante kansen. In België had dat misschien wel gekund. Jeugdtrainer zijn bij Anderlecht had ik leuk gevonden. Dan blijf je in de sport maar word je niet snel ontslagen. In een leven waarin je je koffers mag pakken als je drie keer verliest, had ik geen zin. Ik ben geboren in Amsterdam Oud-West, niet zo ver van de Jordaan. Dan denk je aan branie en kapsones, maar eigenlijk paste de Belgische mentaliteit me beter. Ik hou niet van drukte. Laat mij maar rustig in de natuur zitten. Paste u met uw bescheiden aard wel in de glamourwereld van het voetbal? Rensenbrink: De belangstelling vond ik leuk, maar het heeft me nooit verblind. Ik dacht: laat mij maar elke week mijn best doen en we zien wel waar het schip strandt. Mulder: Het is beter zo dat je nadien geen trainer bent geworden. Mannen zoals jij en ik zijn daar niet geschikt voor, Robbie. Als jij een wedstrijd ziet, let je dan op het systeem? Of de patronen op het middenveld? Nee, je kijkt hoe ze een bal aannemen, hoe ze trappen. Techniek maakt alle verschil. Een speler als Robbie kon je in de verkeerde tactiek steken en hij won nog met 6-0. Wanneer een trainer zijn ploeg een beetje verstandig opzet, is zijn werk klaar. Daarna beslist de klasse. Rensenbrink: Ik kijk niet zo gek veel voetbal meer. De uitslagen uit België mis ik nooit, maar om bijvoorbeeld nou thuis te blijven wanneer het Nederlands elftal speelt... Mulder: Dat ligt niet aan jou, Robbie: niemand blijft nog thuis voor Oranje. Een mens zapt nog liever naar Temptation Island. Rensenbrink: Doet Anderlecht een goeie zaak met Hein Vanhaezebrouck, Jan? Zijn AA Gent stond me aan: de bal laten rondgaan, de tegenstander domineren. Geknipt voor Anderlecht, dacht ik toen. Mulder: Vanhaezebrouck is niet gauw bang, en dat betekent al veel. 't Blijft wel raar hoe die overstap gelopen is. Atypisch voor Anderlecht en ook atypisch voor Vanhaezebrouck, leek me. Vertel je eigenlijk iets spectaculairs in je boek, Robbie? Affaires met vrouwen van voorzitters? Rensenbrink: Ik heb me ingehouden, want ik hoef niet af te rekenen of zo. Wat mensen mispeuteren, is hun zaak. Eén pikante anekdote zit erin, en ik heb er een beetje spijt van. Dat ging over Frans de Munck, onze trainer bij Club Brugge. We speelden thuis tegen Standard Luik. Diezelfde avond vertrekken we weer op afzondering. Niemand begreep waarom. Tot we in de lobby van het hotel een mooie blondine zagen. Onze afzondering was niet meer dan een excuus zodat De Munck zijn gang kon gaan. Mulder: Dat soort verhalen moet toch kunnen, Robbie? Hoelang is het geleden? Weet je nog die keer dat we samen met die gelegenheidsploeg van Michel Platini speelden? Bleek dat we tegen een gevangenisteam voetbalden op het binnenplein van de bajes van Île de Ré bij Bordeaux. We werden ontvangen door een erg wulpse gevangenisdirectrice, die een gezonde interesse had in al die voetballers. Via haar waren we daar terechtgekomen, dat kan niet anders. Mevrouw de directrice maakte toen wel de fout om van elke speler te vertellen voor welke misdaden ze daar zaten. Robbie stond tegen een zevenvoudige moordenaar! Zijn slechtste match ooit. Het slangenmens gaf niet thuis. (lacht)