Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

'Serieus? Wil je wandelen?' Zo vloeibaar en dynamisch de sculpturen van Johan Tahon zijn, zo moeilijk komt de kunstenaar zelf kennelijk in beweging. 'We kunnen toch ook gewoon hier binnen praten? Ik heb speciaal wat te drinken klaargezet.' Liever dan te wandelen door de velden blijft Tahon zitten in de kerk van Rozebeke, diep in Oost-Vlaanderen, waar hij sinds enkele jaren atelier houdt. Zakken gips dempen de gregoriaanse gezangen die uit de boxen zweven. Alle bidstoelen zijn aan de kant geschoven. Op de handen van de kunstenaar kleeft een laagje stof. Tussen het altaar en de biechtstoel boetseert hij er nieuw werk, kalmpjes, zonder druk van tijd of markt, want Tahon heeft gevulde maanden achter de rug: eerst stelde hij de expo Universus op, die nog tot november te zien is in het MOU in Oudenaarde, daarna werd hij op privéaudiëntie ontvangen door paus Franciscus. In het Vaticaan overhandigde hij de kerkvorst een beeld met de naam Métanoia, Grieks voor 'ommekeer', en dat zijn ontmoeting met de kerkvorst een nieuwe wending in Tahons sowieso al woelige leven inluidde, zal tijdens het gesprek snel blijken. Maar eerst vertelt hij honderduit over de kerk van Rozebeke, die is opgedragen aan Maria en bekendstaat als 'de kathedraal van de Zwalmstreek': 'Er is hier meer aan de hand, ik weet dat zeker. Vooreerst, dit is een vrouwelijke kerk, door de monniken van Gent rond het jaar 1000 gebouwd volgens het thema van de ontmoeting tussen de zwangere Maria en de zwangere Elisabet, de moeder van Johannes de Doper. Ze is daarna een belangrijk bedevaartsoord tegen de pest geworden, en het interieur is in de achttiende eeuw integraal overgenomen uit de abdij van Maagdendaele in Oudenaarde. Je voelt aan alles dat dit een rare plaats is. En zie hier, op die preekstoel: een afbeelding van een vrouwelijke priester. Dat bestaat toch nergens anders? Met erboven een tiara, de kroon van de paus, die ik juist ontmoet heb. Ik mag daar niet te veel over nadenken of ik krijg last van draaiingen.' (lacht)Is het voor u van belang dat hier vrouwelijke krachten aan het werk zijn? Johan Tahon: Eigenlijk wel. Ik hou niet van mannen. Of ze moeten veel vrouwelijkheid hebben, dan wel. Net zoals ik niet hou van vrouwen die te mannelijk zijn. Vrouwelijkheid is voor mij dus wel heel belangrijk, ja. Hoe zou u die 'vrouwelijkheid' omschrijven? Tahon: (denkt na) Bij vrouwelijkheid denk ik aan een vorm van zorg, van traagheid en diepgang. Ik geloof - al kan dat seksistisch klinken - dat een vrouw diep in haar genen is voorgeprogrammeerd om een kind op de wereld te zetten, en dat uit zich volgens mij in zorgzaamheid en zachtheid, maar ook in een enorme kracht. Er zijn natuurlijk verschillende types van vrouwen, maar ik heb een specifiek type vrouw voor ogen. Ik heb het verschillende keren bij mijn eigen vrouw ervaren, onder meer toen onze pasgeboren dochter ons ontviel: een kracht waar ik als man bijna hulpeloos naar stond te kijken en waarvan ik niet snapte waar zij die energie vandaan haalde. Ik zie dat vrouwelijke uithoudingsvermogen bij existentiële problemen, maar ook in het dagelijks leven. Plotseling kan er bij vrouwen een mechanisme in actie schieten waarbij de liefde werkelijk de hoofdzaak wordt, groter dan de angst. En daar ben ik jaloers op, natuurlijk. (lacht)Wie is uw oervrouw? Tahon:(denkt lang na) Een oerman kan ik gemakkelijk aanduiden: Johannes de Doper vind ik een fantastische persoonlijkheid. Door dat verwilderde, dat aardse, maar ook omdat hij tegelijk een grote vorm van spiritualiteit in zich draagt. (zwijgt even) Door je vraag zit ik geblokkeerd in mijn denken. Ik zie geen grote godin voor mij. Een Mariaverering vind ik ook moeilijk, bijvoorbeeld, terwijl ik een Christusverering eenvoudig vind, zonder extreem kerkelijk te zijn. Christus is gewoon een krachtfiguur van een ontroerende schoonheid. Maar ik hoef eigenlijk niet te ver te zoeken, want ik leef met zo iemand samen. Mijn vrouw dus. Mijn vrouw is mijn oervrouw. *** Nog even aandringen en kijk, we stappen dan toch de kerk uit. Buiten schijnt de zon. Het allereerste stenen beeld dat u ooit hebt gemaakt, sloeg uw vader kapot. Hebt u aan hem gedacht toen u midden mei in het Vaticaan te gast was? Tahon: Mijn vader heeft wel meer dingen kapotgemaakt, inderdaad. (zwijgt even) Het is raar geweest, in het Vaticaan. Ik voel zelfs ontroering als ik er nu weer aan denk. Het voelde als een grote reset. Ik ging ervan uit dat het beeld dat ik had gemaakt, en dat tot in de hoofdzetel van de jezuïeten was gebracht, met een auto tot bij de paus zou worden gevoerd. Nu, wat gebeurt er: op het moment van afspraak word ik opgepikt door een kardinaal, die zegt dat we 'die kant uitgaan, by foot'. Ik vraag nog snel een karretje, een duveltje zoals ze in het West-Vlaams zeggen, en duw in mijn chique kleren mijn witte beeld over een leeg Sint-Pietersplein tot bij de basiliek. Maar voorbij de Zwitserse Wacht beginnen de trappen en dus moet ik mijn beeld op mijn schouder nemen. Als een offer? Tahon: Helemaal. Komaan, denk ik, de korte pijn. Maar dat blijft daar maar duren: trappen, gangen, nog meer trappen en nog meer gangen. Tot ik eens opzij durf te kijken en fresco's van Rafaël en beeldjes van - denk ik - Donatello zie. En dan gebeurt het, een soort kortsluiting in mijn hersenen: mijn individuele reis, die ik vooraf lachend een pelgrimstocht noemde, verspringt plots naar iets intergenerationeels. Ik denk aan al het lijden en aan de fouten die mijn vader heeft gemaakt. Aan mijn familieverleden zelfs, alsof ik het gewicht van mijn voorouders op mijn schouders draag. Zo bizar. Ik klim verder en tegen dat ik boven bij de paus kom, ben ik bijna getransformeerd - en nu moet ik aan de voorouderverering denken - in iemand die zijn hele familiegeschiedenis naar boven heeft gedragen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het initiële doel van het kind dat kunstenaar is geworden om de kwetsuren van de familie te herstellen daar, op dat moment, evolueert van het onderbewuste naar het bewuste. En dan kom ik boven, bij de paus, en we praten en lachen eerst wat, heel werelds allemaal. Maar op een bepaald moment vertel ik, onvoorbereid, over het lijden dat ik gekend heb. Zijn blik verandert op slag, hij komt in een diepe concentratie terecht en kijkt me recht in de ogen. We blijven elkaar in de ogen kijken - alsof hij door mij kijkt, zo voelt het, zijn blik stopt niet aan mijn netvlies - tot hij zegt: 'I bless you.' Zo'n intens moment, dat heb ik nog niet vaak meegemaakt. Wat weet u over uw voorouders? Tahon: Ik weet vooral dat er veel dramatiek geweest is. Alcohol was echt het antidepressivum van mijn familie, zoals het vandaag voor nog veel mensen is. Ik heb al van heel vroeg, misschien zelfs al van rond mijn drie jaar, aangevoeld dat er in ons huis iets hing dat niet juist was. Mijn vader was het noorden kwijt, hij dronk veel en werd vervolgens agressief. Als je in zo'n vijandige sfeer opgroeit, heb je het zitten voor de rest van je dagen. Zoals ik, dus. (lacht)Was uw vader zelf ook getraumatiseerd? Tahon: Hij heeft zijn moeder verloren toen hij vier jaar oud was en bovendien is die duistere Tweede Wereldoorlog ook zwaar op mijn familie terechtgekomen. Mijn overgrootvader is gestorven in 1943 toen hij op de Noordzee aan het vissen was en op een Duitse zeemijn is gevaren. De familie heeft alles geprobeerd om hem te bergen, maar hij is nooit teruggevonden. Die man had geborgen moeten worden, zo simpel is het. Of er zou voor altijd een onrust over de familie hangen. Over uw moeder vertelt u in interviews nooit veel. Tahon: Mocht ik meer over haar kunnen vertellen... (zwijgt even) Mijn moeder is een beetje moerasgebied voor mij. Dat was in mijn kinderjaren zo en dat is nog altijd zo. Ik raak er niet goed wijs uit. Ze heeft zeker goed zorg gedragen voor ons, ze heeft haar plicht gedaan. Maar dan is ze ofwel helemaal in de war geraakt door mijn zwaar alcoholverslaafde vader, ofwel is ze van inborst sowieso redelijk gesloten, op zichzelf. Ik weet het nog altijd niet. U hebt zelf al zestien jaar geen druppel meer gedronken, omdat u de zelfdestructie een halt wilde toeroepen. Bent u ondertussen al enigszins hersteld? Tahon: Ja, helemaal. Dat ik vroeger zo veel alcohol gedronken heb, daar heb ik nu geen last meer van. Maar - en het is jammer voor de alcoholverslaafden die dit lezen - mijn sociaal leven is om zeep. Ik kwam pas buiten als ik wat gedronken had en ik bleef meestal tot de laatste, ook in discotheken en nachtclubs in Oostende. Ik eindigde trouwens dikwijls in de homobars, omdat die het langst open zijn. Maar dat is allemaal weggevallen. Ik heb niet meer gedanst sinds ik ben gestopt met drinken. Nooit meer. En ik was een echte discodanser. En ik maar denken dat u een soort monnikenbestaan leidt, in stilte nadenkend over uw leven en uw werk. Tahon: Het klinkt raar, ik weet het. Die gespletenheid komt voort uit het feit dat ik voor een deel opgegroeid ben in Oostende. Mijn grootouders hadden daar een hotel en ik ging er in het weekend en tijdens de schoolvakanties altijd naartoe. Ik pendelde tussen de Vlaamse klei in Menen en dat kleine New York aan de zee. En bij dat kleine New York hoorde nu eenmaal disco. Maar nuchter op discomuziek dansen lukt u niet? Tahon: Als niemand me bezig ziet, zou ik nog weleens durven: alleen in mijn atelier, met mijn koptelefoon op. Bij sommige nummers kan ik het gewoon niet houden. (lacht) Ik werk sowieso vaak met een geluidsdempende koptelefoon op, want ik ben enorm gevoelig voor lawaai. Weet je wat ik onlangs gedaan heb? Ik heb in mijn hof gezeten, onder mijn lindeboom, met het geluid van fluitende vogeltjes in mijn koptelefoon. Om het geluid van de ziekelijk blaffende hond bij de buren niet te horen. Uw beelden nodigen uit om te worden aangeraakt. Bent u zelf ook zo aanraakbaar? Tahon: Godverdomme, ja. Na de tweede ontmoeting lig ik meestal al in iemands armen. Als er iets is wat ik in die hele coronaperiode gemist heb, is het dat: de warmte, de geborgenheid van een stevige knuffel. Gelukkig heb ik een goede vrouw. We hebben een heel affectieve band, al van in het prille begin. Bijna dierlijk. Het was een enorme kracht die vrijkwam, een oersterke combinatie van affectie en seks. Tot daar ook mijn geloof in de vrije wil: het waren de feromonen die in onze plaats beslisten. Welke verhouding hebt u tot uw eigen lichaam? Tahon: Zwemmen is voor mij belangrijk. Ik heb vroeger nog aan competitie gedaan, maar dat was niets voor mij. En met ouder te worden kom ik soms niet veel verder meer dan wat zweven in het water. Ik eet te veel, daar komt het simpelweg op neer. Ik ben te zwaar, ik zou graag weer minder dan 100 kilo wegen. Ik schrik er soms van, hoe ik op mijn 56e toch al voel dat mijn lichaam begint tegen te strubbelen. Als ik grote beelden maak, kan het weleens gebeuren dat het moeilijker gaat dan vroeger. Vroeger droeg ik loodzware gewichten alsof het niets was. Hoe draagt u zorg voor uw lichaam? Tahon: Ik ga regelmatig naar de sauna, en recent is er een klein mirakel gebeurd: na 39 jaar gesprekken met psychotherapeuten ben ik plots bij EMDR terechtgekomen en in een maand was ik genezen. Na twee of drie sessies kon ik eindelijk weer goed slapen. Wat is EMDR precies? Tahon: Het staat voor Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Een vrij nieuwe techniek, die vooral bij militairen toegepast wordt. Je maakt constant oogbewegingen - links, rechts, links, rechts - en zo kom je in een trance terecht. Vervolgens ga je naar het traumagebied in de hersenen, haal je de mentale ponskaart er als het ware uit, kuis je die op en stop je hem terug. Op de een of andere manier vindt er een reset plaats in het brein. Je bent het trauma niet vergeten, je voelt gewoon de emoties niet meer die erbij horen. Mijn nachtmerries waren op slag verdwenen. Zal die ommekeer ook uw werk beïnvloeden? Tahon: Ik denk het niet, tenzij ten goede. Ik heb meer energie en ik voel me frisser, maar voor de rest zal er niets veranderen. Met de jaren krijgen uw sculpturen vollere lichamen, met almaar stevigere enkels. Wat zegt dat over u? Tahon: Laten we zeggen dat een goede sculptuur, willen of niet, een reflectie is van de kunstenaar. (lacht) Ik ben meer en meer aan het gronden, denk ik. Maar nadat ik was teruggekomen van de paus wist ik het zeker: het kunstwerk maakt de kunstenaar, niet andersom. Ik maak het, ik doe het, maar ik ben er keer op keer weer door verwonderd. 'Kunst kan de menselijke geest bevrijden', las ik in de zaaltekst van uw expo in Oudenaarde. Bevrijden waarvan? Tahon: Van je demonen, van je dagelijkse lasten, van de oppervlakkigheid, het kan van alles zijn. Daarom noem ik een sculptuur ook graag een richtingaanwijzer: het antwoord heb ik niet, ik ben geen goeroe. Maar ik kan wel een richting aanwijzen. Ergens tussen het onderbewustzijn en de realiteit bevindt zich een mystieke kern waar we meer aandacht aan moeten geven, en daarop wil ik de mensen wijzen. (abrupt) Oef. We zijn bijna weer bij de kerk. Eindelijk gedaan met wandelen. (lacht)