Vraag: welke impact had de coronacrisis op uw inkomsten de afgelopen 6 maanden?
...

Vraag: welke impact had de coronacrisis op uw inkomsten de afgelopen 6 maanden? 30% minder inkomsten 67% geen mening 3% meer inkomsten Twee op de drie Belgen hebben geen impact ondervonden van de coronacrisis op de inkomsten, bijna een op de drie wel. Er is daarbij nauwelijks verschil tussen Nederlandstaligen en Franstaligen, en terwijl bijna 80 procent van de 65-plussers zegt dat ze geen financiële gevolgen merkten (ze hebben meestal een pensioen), ligt dat bij jongeren anders: bijna 60 procent van de min 34-jarigen ondervond geen invloed, 37 procent noteerde minder inkomsten. Er zijn daarbij ook duidelijke verschillen als we naar het beroep kijken: 61 procent van de zelfstandigen zegt dat hun inkomsten terugvielen, 45 procent van de arbeiders, 38 procent van de niet-actieven en 'slechts' 24 procent van de bedienden. 41 procent van de Belgen die minder dan 1500 euro verdienen, zeggen dat ze door de coronacrisis nog minder kregen, 56 procent zag geen impact. Voor de gezinsinkomens boven de 1500 euro geeft 22 procent aan dat er minder inkomsten waren en 70 procent dat er geen invloed was. De lagere inkomens werden dus zwaarder getroffen door de coronacrisis, al zegt meer dan de helft dat er geen impact was. Van de Belgen met minder inkomsten zegt 32 procent dat dit het gevolg was van de tijdelijke werkloosheid, 14 procent meent een loonsverhoging te hebben mislopen en telkens 8 procent zegt het werk te hebben verloren of moest voor een lager loon werken. Zo'n 7 procent vond moeilijker werk, moest de zaak sluiten of draaide minder omzet. Vraag: welke impact had de coronacrisis op uw uitgaven de afgelopen 6 maanden? 26% meer uitgegeven 43% ziet geen impact 31% minder uitgegeven Terwijl een op de vier Belgen meer geld uitgaf tijdens de coronacrisis, gaf bijna een op de drie minder uit. Vooral niet-actieven gaven meer uit, zelfstandigen duidelijk minder. Nauwelijks 4 procent van de zelfstandigen zegt dat ze de portemonnee meer hebben opengetrokken. Als we kijken naar het gezinsinkomen zien we ook grote verschillen. Van diegenen waar het gezinsinkomen minder dan 1500 euro bedraagt, zegt 45 procent dat ze meer geld hebben uitgegeven, tussen 1500 en 4500 euro draait dat rond 25 procent en voor wie meer dan 4500 euro opstrijkt was het maar 17 procent. Vooral dus de mensen met een laag inkomen zeggen dat ze meer hebben uitgegeven. Van diegenen die meer geld besteedden, zegt 20 procent dat dit kwam door een ongeplande grote uitgave, 11 procent wijt het aan kosten ten gevolge van een ziekte en 10 procent omdat meer geld moest gaan naar kinderopvang, laptops enzoverder. Bovendien vindt 77 procent van de Belgen dat alles duurder werd door de coronacrisis. Slechts 4 procent gaat daar niet mee akkoord. Vooral vrouwen (80 procent) vinden dat. Zoals ook veel meer mensen uit de laagste inkomensklasse daar meer over klagen dan onder de meer-verdieners. Maar toch, ook bij diegenen die meer dan 4500 euro opstrijken, vindt nog steeds 69 procent dat het leven duurder werd. Nog opmerkelijk: zo'n 30 procent van de Belgen zegt dat ze ook na afloop van de coronacrisis minder geld zullen uitgeven aan reizen, en evenveel van onze landgenoten aan concerten en museabezoeken en cultuur in het algemeen. En 39 procent zegt dat ze dan minder zullen spenderen aan café- of restaurantbezoeken. Dat zijn toch opvallend hoge cijfers - zal de coronacrisis ons uitgavenpatroon in de toekomst echt zo sterk beïnvloeden? Vraag: welke impact had de coronacrisis op uw spaargedrag de afgelopen 6 maanden? 32% spaarde minder 55% ziet geen impact 13% spaarde meer Met de antwoorden op de vorige vragen over de inkomsten en uitgaven in het achterhoofd is dit resultaat geen verrassing: een op de drie kon minder opzijleggen, een dikke een op de tien meer. De helft van de gezinnen met een inkomen van minder dan 1500 euro konden minder sparen, terwijl 20 procent gezinnen met een inkomen van boven 3000 euro en 30 procent boven de 4500 euro meer konden sparen. Bij de Belgen die meer spaarden, werd ook gevraagd hoe dat kwam. De vier topantwoorden halen hier rond de 60 procent: omdat de winkels en horeca gesloten waren, omdat er geen culturele activiteiten waren en omdat men niet op reis kon gaan. Angst voor de toekomst was voor 13 procent een reden om meer te sparen. Twee procent van de ondervraagden zegt dat ze de afgelopen maand een testament opstelden naar aanleiding van de coronacrisis, bijna 5 procent deed om dezelfde reden een schenking. Zo'n 11 procent verklaarde dat ze het voorbije half jaar aandelen hadden gekocht, en de helft daarvan gaf daarbij als reden op dat de koersen zo laag stonden. Ruim 30 procent zegt dat ze het extra spaargeld wilden investeren. Drie procent van de Belgen kocht in dezelfde periode goud. 69 procent van de Belgen vindt dat de kloof tussen arm en rijk door de coronacrisis groter werd, slechts 5 procent is het daar niet mee eens. Dat dit verschil groter werd, vindt men in alle inkomensklassen. Ook 70 procent van diegenen die meer dan 4500 euro verdienen, deelt die mening. Vraag: hoe evolueert uw koopkracht de volgende vijf jaar? 8% ziet koopkracht stijgen 30% geen verandering 46% ziet koopkracht dalen De enquête polste ook naar de eigen koopkracht. Slechts 8 procent ziet die de volgende vijf jaar stijgen. Dat is veel minder dan in 2017, toen nog 19 procent de koopkracht erop zag vooruitgaan. Drie jaar geleden verwachtte 37 procent een daling van de koopkracht, nu leeft dat gevoel bij bijna de helft van de bevolking. Hoe jonger, hoe optimistischer men is over de evolutie van de koopkracht. 16 procent van wie jonger is dan 34 jaar gelooft in een stijging, 13 procent van wie tussen 35 en 44 jaar is, 5 procent van wie tussen 45 en 64 jaar is en 3 procent van de 65-plussers. Het omgekeerde is het geval voor wie met een koopkrachtdaling rekent: 30 procent bij wie jonger is dan 34 en 56 procent bij 65-plussers. Hoe meer men verdient, des te rooskleuriger men de evolutie van de koopkracht inziet. Van de Belgen die minder dan 3000 euro verdienen, denkt maar 5 procent dat de koopkracht zal toenemen. Bij de landgenoten die meer dan 4500 euro incasseren, is dat 19 procent. Bij de weinig-verdieners denkt bijna de helft dat de koopkracht zal afnemen, bij de grootverdieners is dat geen 30 procent. Vraag: heeft u op het eind van de maand overschot op uw gezinsinkomen? 49% heeft een overschot 29% komt net toe 17% komt tekort Bijna de helft van de ondervraagden heeft op het eind van de maand nog geld over en dat is net evenveel als in de enquête die we drie jaar geleden hielden. Een op de vier Belgen heeft elke maand overschot. Nederlandstalige gezinnen hebben dubbel zo vaak elke maand geld over dan Franstalige. Zeven procent van de ondervraagden verklaart het continu moeilijk te hebben met het gezinsinkomen. Daar zien we geen onderscheid tussen het noorden en het zuiden van het land. Het ligt voor de hand dat vooral mensen met als hoogste diploma het lager of lager secundair onderwijs en de niet-actieven het financieel moeilijk hebben. Wel opvallend is dat van de gepensioneerden 46 procent overschot heeft en 37 procent net toekomt met zijn inkomen. 'Slechts' 14 procent van de gepensioneerden zegt dat ze financieel tekortkomen. Dat is iets minder dan het gemiddelde. In vergelijking met drie jaar geleden komen iets minder gezinnen aan sparen toe: in 2017 was dat nog bijna 75 procent, nu 63 procent. Van de Nederlandstalige gezinnen kan 69 procent sparen, van de Franstalige 55 procent. Bijna een op de drie zegt te beleggen en hier is er geen verschil tussen Nederlandstaligen en Franstaligen. Bijna 20 procent zegt onvoldoende geld te hebben om te sparen en te beleggen, dat is 5 procentpunten meer dan drie jaar geleden. Net als drie jaar geleden heeft de helft van de ondervraagden een lening. Voor een op de vier gaat het om een lening voor de aankoop van een woning of een lapje grond. Daarna volgen de leningen voor een auto (18 procent) en verbouwingen (10 procent). Vraag: hebt u vertrouwen in het advies van uw bank? 42% ja 37% neutraal 16% neeDrie jaar geleden had nog 62 procent van de Belgen vertrouwen in het advies van zijn bank, vandaag is dat nog slechts 42 procent. Vooral het aantal mensen dat neutraal tegenover zijn financiële instelling staat, is toegenomen. Veel verschil tussen Vlaanderen, Brussel en Wallonië zit daar niet op. Mensen met een hoger gezinsinkomen vertrouwen hun bank wel duidelijk meer dan mensen met een lager inkomen. Heel opvallend is dat slechts 28 procent van de zelfstandigen zegt dat ze vertrouwen hebben in de bank. Dit ligt in lijn met de resultaten van drie jaar geleden (toen was dat 34 procent) en het is nog steeds veel minder dan bij andere beroepscategorieën: van de bedienden heeft 45 procent vertrouwen in de bank (2017: 58 procent), van de arbeiders 47 procent (2017: 69 procent). Het leeftijdsverschil doet er wat minder toe dan drie jaar geleden: 46 procent van de min-34-jarigen vertrouwt de bank, 39 procent van de 45- tot 54-jarigen en 41 procent van de 65-plussers. Het mag duidelijk zijn: het vertrouwen in de banken slinkt verder. Bovendien vindt 74 procent van de Belgen dat de banken te veel kosten aanrekenen. Vier procent vindt dat niet, 19 procent staat daar neutraal tegenover. Van de Belgen die ouder zijn dan 45 jaar vindt meer dan 80 procent dat ze te veel gepluimd worden door de banken. Vraag: wat doet u als u zou moeten betalen om uw spaargeld op de bank te laten staan? 17% doet niets 45% haalt geld onmiddellijk van de spaarrekening 20% wacht af maar overweegt geld van spaarrekening te halen De rente op een spaarboekje is uiterst laag, het wettelijk minimum is 0,11 procent. Om de zoveel tijd opperen banken dat dit nog te hoog is en dat een spaarder eigenlijk zou moeten betalen om zijn geld op een spaarboekje te mogen zetten. Wat zou de Belg dan doen? Bijna de helft zou zijn geld onmiddellijk bij de bank weghalen, 20 procent zou even afwachten, maar als na een tijdje zou blijken dat zij nog steeds moeten betalen, zouden ook zij wegtrekken. De vraag is wat je dan met je spaargeld zou doen. 44 procent zou op zoek gaan een bank die wel nog rente zou geven, 36 procent zou gaan beleggen, bijvoorbeeld in aandelen en obligaties (18 procent), investeren in een woning voor eigen gebruik of om te verhuren (14 procent), in beleggingsfondsen (13 procent), in vreemde munten of goud (6 procent), of kiezen voor kunst, antiek of andere 'passionele' investeringen (4 procent). Opvallend is dat een op de drie het geld thuis of in een kluis zou verstoppen - vooral zelfstandigen en arbeiders kiezen daarvoor (44 procent). Slechts een op de vier van de gepensioneerden zou dat doen, 10 procent zou het geld wegschenken aan familie en vrienden. Van diegenen die het geld van de bank zouden halen, wil 12 procent het uitgeven, bijvoorbeeld aan een auto of voor de renovatie van het huis. Vraag: moet er een eenmalige vermogensbelasting komen, waarbij hogere vermogens een hogere bijdrage betalen? 69% ja 21% geen mening 10% nee Een van de stellingen uit de Grote Geld Enquête luidde: 'het verschil tussen de hoogste en laagste lonen in België is te groot.' Drie op de vier Belgen gaan daarmee akkoord, 15 procent weet het niet goed en 6 procent is het daarmee niet eens. Er zijn daarbij nauwelijks verschillen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen of tussen mannen en vrouwen. Het is niet verrassend dat vooral de mensen die onderaan de loonladder staan de stelling ondersteunen, al gaat toch ook 58 procent van de mensen met een gezinsinkomen van meer dan 4500 euro ermee akkoord. Een andere stelling was: 'Dat de 10 procent rijkste Belgen bijna de helft van het vermogen van alle Belgen bezit, vind ik onaanvaardbaar.' Daarmee is 66 procent het eens, 20 procent staat er neutraal tegenover, 9 procent verwerpt de stelling. Ook hier nauwelijks verschillen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen of tussen mannen en vrouwen. En ook het gezinsinkomen zorgt niet voor echt andere antwoorden. De invoering van een of andere vorm van vermogensbelasting, boven op de bestaande belastingen, was ook een discussiepunt tijdens de voorbije regeringsvorming. Toch kwam het niet in het regeerprogramma van de regering-De Croo. Econoom Paul De Grauwe (London School of Economics) lanceerde daarover ooit twee concrete voorstellen, die we aan de Belgen voorlegden. De eerste vraag ging over een extra belasting op de hogere inkomens. De vraag ging als volgt: gaat u ermee akkoord om gezinnen met een netto maandelijks inkomen boven 4500 euro extra 20 procent te belasten op het inkomen boven 4500 euro, gedurende vijf jaar? Stel dat je gezin 5000 euro netto inkomen heeft per maand, dan zou je dus 20 procent extra belastingen moeten betalen op die 500 euro. Dat komt dan neer op 100 euro per maand. Zo'n 41 procent ziet dat zitten, 26 procent twijfelt en 33 procent wijst het af. Ook hier is er geen verschil tussen Nederlandstaligen en Franstaligen, mannen of vrouwen. De helft van de Belgen die tussen 1500 en 3000 euro verdienen is het ermee eens, 23 procent niet. Het zal niemand verbazen dat hoe meer men verdient, hoe meer er afwijzend wordt gereageerd: 78 procent van diegenen die 4500 euro of meer gezinsinkomen hebben wil er niet van weten, 10 procent van hen toch wel. De tweede vraag handelde over een vermogensbelasting. We vroegen of men akkoord zou gaan met een eenmalige vermogensbelasting, waarbij hogere vermogens een hogere bijdrage zouden moeten betalen (bijvoorbeeld op vermogens tussen 1 en 10 miljoen 1 procent; op vermogens tussen 10 en 100 miljoen 2 procent; tussen 100 miljoen en 1 miljard 3 procent en 4 procent op de vermogens boven 1 miljard euro). 69 procent van de Belgen ziet zo'n vermogensbelasting zitten, 21 weet het niet goed, 10 procent vindt het maar niks. Van de Belgen die meer dan 4500 euro aan gezinsinkomen hebben, gaat nog altijd 63 procent er mee akkoord. We vroegen ook nog of er een belasting moet komen op de winst bij de verkoop van aandelen. Dat vindt 34 procent een goed idee, 27 procent weet het niet goed en ook 27 procent vindt het niet zo'n goed voorstel. Opmerkelijk is dat 40 procent van de mensen met een gezinsinkomen tussen 3000 en 4500 euro achter zo'n meerwaardebelasting staat en 36 procent van zij die meer dan 4500 euro verdienen. Professor Paul De Grauwe is blij met die cijfers, maar merkt op dat ook de regering-De Croo er geen werk van maakt. 'De liberalen zeggen zeggen dat de hardwerkende Vlaming erdoor getroffen zou worden, maar dat is niet zo. Als je een netto vermogen hebt van meer dan 1 miljoen euro behoor je tot de rijkste 5 procent van de Belgen. En ik zou dus de vermogens vanaf 1 miljoen progressief belasten. Dus 95 procent van de Belgen en ook de middenklasse wordt daardoor niet geraakt. Heel jammer dus dat de regering-De Croo er niet van wil weten.'