Ik kijk naar mijn linkerbeen. Onder mijn knie zitten verdroogde bloedsporen, alsof er net een veldslag heeft plaatsgevonden. Er is ook een klein gat, waar een stuk bot uitkomt.
...

Ik kijk naar mijn linkerbeen. Onder mijn knie zitten verdroogde bloedsporen, alsof er net een veldslag heeft plaatsgevonden. Er is ook een klein gat, waar een stuk bot uitkomt. Ik staar terug naar het plafond van de spoedafdeling. De dokter met wachtdienst wandelt de kamer binnen. 'We hebben de scans bekeken. Ik vrees dat we slecht nieuws hebben voor u.' Geklop op de deur. Ik draai mijn hoofd. Twee agenten komen binnen. 'Meneer Tormans, we komen uw verklaring optekenen. U hebt het recht om eerst uw advocaat te raadplegen.' 'Ik heb er geen', zeg ik. De agenten kijken naar het gat in mijn been. 'Herinnert u zich eigenlijk iets van wat er gebeurd is?' Zelfs drie maanden later herinner ik me elke seconde van die twaalfde maart. Alle banale beslissingen en toevalligheden van die dag, waardoor ik uiteindelijk op een ander leven botste. Twaalf maart was een warme zondag in het voorjaar. Raymond van het Groenewoud had me uitgenodigd in Mechelen, om naar zijn nieuwe plaat te luisteren. Zijn manager gaf me een lift terug naar Antwerpen, want ik heb geen hoofd voor auto's. Aan het Albertpark stapte ik uit. Onderweg naar de tram kruiste ik een vriendin. We praatten een beetje, tot haar telefoon overging. 'Tot later', zei ik. Ik stak mijn hand op, liep verder door het park en haalde nog net de tram. Het voertuig van De Lijn zat overvol. Een halte later stapte ik weer uit, de dag was te mooi om me te ergeren. Ik nam een leenfiets en reed verder langs de Mechelsesteenweg naar huis: een straat waar ik de weg en de taal ken. Zelfs geblinddoekt zou ik er nooit struikelen. Dacht ik. Op een kruispunt zag ik een BMW 520. Hij stond stil, ik wilde de zijstraat oversteken. Een halve seconde keek ik naar de chauffeur. Een oude man. Daar stokt mijn herinnering. De seconden erna zijn uit mijn geheugen gewist. Na die korte black-out lag ik op het asfalt, dat weet ik nog wel. 'Hij is toch niet dood?' hoorde ik iemand zeggen. Ik deed mijn ogen open. Iemand hield mijn linkerbeen omhoog. 'Niet kijken', herhaalde hij wel tien keer. Ik keek toch: mijn been was kaduuk. 'De dokters kunnen tegenwoordig veel', zei de man. 'Het komt wel weer goed.' Zijn ogen verraadden dat hij dat zelf niet helemaal geloofde. In de verte hoorde ik de sirenes van een ambulance. Twee mannen in uniform stapten uit, gaven me een infuus. 'We gaan uw broek kapotsnijden', zei een van hen. 'Hebt u daar bezwaar tegen? ' Ik keek naar de mensen die zich rondom me hadden verzameld: een paar veertigers, een jonge Marokkaan, de chauffeur van de BMW, een oudere vrouw. 'Ik zal die kapotte fiets wegbrengen', zei de Marokkaan. 'Waar is je Velokaart?' 'In mijn tas', kreunde ik. Terwijl de ambulanciers me halfnaakt op de brancard hesen, zag ik dat de Marokkaan in mijn portefeuille keek. Ook dat nog, dacht ik toen. Of nee, dat heb ik pas later gedacht. Alleen de pijn herinner ik me niet meer. Hoe luid ik de maanden daarna ook zou schreeuwen: dat ene moment, 12 maart om 17.40 uur op het asfalt van de Mechelsesteenweg, voelde ik niets. De ziekenwagen voerde me naar het Sint-Vincentiusziekenhuis. Daar hoorde ik dat er na trauma altijd een uitbarsting van adrenaline volgt. Ze verdooft de pijn even. Heel even. Ik kreeg kamer 511 en een gips. De volgende ochtend werd ik gewekt door het geluid van bellen. Het lawaai kwam uit de gang: kreten om hulp van andere patiënten. Ik drukte nergens op, draaide me nog eens om. Om halfacht kwam een verpleegster met een kom water binnen. 'Ik ga je wassen.' 'Niets van', protesteerde ik. 'Ik was mezelf.' 'Meneer, u kunt dat niet.' Tien seconden later moest ik haar gelijk geven. Terwijl ze mijn rug schrobde, nam ik aantekeningen in mijn notitieblok. 'Meneer,' vroeg ze, 'wat bent u eigenlijk aan het doen? U bent zwaargewond.' Ik hoorde amper wat ze zei. Zelfs toen de dokter me toesprak over de ernst van het ongeval, drong het niet echt door. In mijn notitieblok schreef ik zijn woorden: 'Open multifragmentaire fractuur proximale tibia + diafysaire tibiafractuur links. We gaan straks opereren.' Tussen haakjes voegde ik er de revalidatietermijn aan toe: minstens zes maanden tot een jaar, als alles goed gaat. Ik schreef het neer alsof het over het been van iemand anders ging. Hoogstens was ik een toeschouwer van dit absurd tafereel op de afdeling traumatologie. Toen ik het voorval later vertelde aan een vriendin deed ze me Een been om op te staan van Oliver Sacks cadeau. Je bent geen patiënt, las ik daarin, je wordt het. De bekende neuroloog was, net als ik vandaag, veertig toen hij in 1973 zijn linkerbeen brak. Ook hij had niet meteen door dat hij nu aan de andere kant stond. 'Het is zo moeilijk te vatten dat je het ene moment krachtig en energiek bent en het volgende moment praktisch hulpeloos en invalide. (...) Ik was dat verschijnsel wel bij anderen tegengekomen, bij patiënten die door een beroerte getroffen of gewond waren, maar nu moest ik het bij mezelf ervaren. Mijn eerste gedachte was: er is een ongeluk gebeurd en iemand die ik ken is zwaargewond.' Sacks schreef die zinnen in de jaren zeventig en toch herkende ik ze. Zijn boek was mijn inleiding in de ziekenhuisblues. Hij beschreef de rituelen, de 'groteske ontmenselijking waarmee elke patiënt-in-wording te maken krijgt'. 'Je eigen kleren worden vervangen door een onpersoonlijk nachthemd, je pols wordt gevat in een identificatienummer. Je wordt onderworpen aan de regels en bepalingen van een instituut. Je bent niet langer een onafhankelijk persoon, je hebt geen rechten meer, je behoort niet meer tot de grote wereld.' En vooral, je eet vanaf nu verschrikkelijk. Een traditie die blijkbaar van alle tijden en alle ziekenhuizen is. Ook ik slikte de fletse kabeljauwen en verdroogde worsten door. Op zulke momenten was ik toch blij dat ik in mijn vorige leven een paar vriendschappen had gesloten. Ze waren fantastisch: ze smokkelden champagne, chocolade en aardbeien binnen. We vierden het leven in kamer 511. Tot iemand door de parlofoon riep: 'Het is acht uur, het bezoekuur is voorbij.' Ik wilde met hen mee, maar had geen been meer om op te staan. Toen voelde ik me voor de eerste keer echt ellendig. Dat mijn broek op de Mechelsesteenweg werd kapotgeknipt in het bijzijn van vreemden vond ik niet erg. Evenmin heb ik gehuild toen ik gewassen werd door een onbekende verpleegster. Maar dat ik mijn eigen vrienden niet meer kon volgen, dat was verschrikkelijk. Ik was patiënt geworden van de afdeling traumatologie, geen lid meer van de grote wereld. De adrenaline was op. Ik leerde met een rolstoel rijden. De volgende dag werd ik laat wakker. Aan mijn ziekenhuisbed zaten Raymond van het Groenewoud en zijn vrouw. Ze hadden frambozentaart meegebracht. Een dag eerder had de zanger me gebeld. 'Ik was blij dat je gisteren opnam', zei hij. 'Ik had gehoord dat je het niet overleefd had.' Al had hij dat niet uit eerste hand. Iemand had gezegd: 'Hij heeft een ongeluk gehad.' Dat werd al snel: 'Hij is verongelukt.' Een paar bronnen later was ik doodverklaard. Daarom had hij mij gebeld, om het gerucht te checken. Tot nader order nemen ze aan de andere kant van de Styx de telefoon niet op. 'Hoelang moet je hier blijven?' vroeg hij. Tien dagen later voerde een ambulance me naar het revalidatieziekenhuis RevArte in Edegem. Een plaats die ik niet kende. Of toch. Het laatste verhaal dat ik voor Knack schreef, ging over ex-voetballer Marc Baecke. Hij was mijn god toen ik zeven was, begin dit jaar is hij roemloos gestorven zonder linkerbeen. Zijn ex-ploegmaats hadden me verteld over zijn laatste maanden in RevArte. 'Een plaats waar mensen opnieuw leren stappen en leven', zeiden ze. 'Nooit van gehoord', antwoordde ik, maar ik noteerde het adres vlijtig in mijn notitieboekje. Dat bleek niet nodig, de ambulanciers kenden de weg. Op een brancard werd ik het revalidatiecentrum binnengereden. Ik kreeg kamer 307 toegewezen, helemaal op het einde van de gang: misschien de vrijgekomen kamer van mijn oude held, dat wilde niemand bevestigen. Ook dit ziekenhuis had zijn eigen regels. Ik kreeg een nieuwe polsband, met mijn naam en een nieuw nummer: 1700055241. 'We eten samen', zei de hoofdverpleegster. Ik mokte maar gehoorzaamde. Om twaalf uur stipt rolde ik met mijn rolstoel naar de eetruimte, wat verderop in de gang. Er zaten een dertigtal mensen aan drie grote tafels: de meesten waren de zeventig al lang gepasseerd. Ik zuchtte, ging aan een tafel apart zitten. Alsof ik niet bij hen hoorde. De volgende dag was de kleine tafel bezet. Ik moest wel aan de grote gaan zitten. Mijn gezicht verborg ik achter een tijdschrift. Tot er een man vroeg: 'Wie bent u eigenlijk?' 'En u?' antwoordde ik. 'Ik ben professor', zei hij. Ik schrok, alsof professoren immuun zijn voor lichamelijke kwalen. De dagen erop leerde ik ook de andere mensen van mijn tafel kennen: er zaten mooie maar heel verschillende mensen achter al die grijze trainingspakken. Een dokter, een caissière van Delhaize, een gewezen zangeres uit Benidorm, een gepensioneerde moslima... Eigenlijk deelden we maar één ding: we waren allemaal gereduceerd tot een lichaam dat niet meer werkte. Alles wat we ooit waren in ons leven, alles waar we ooit in geloofden: het telde niet meer. Het was niet altijd gemakkelijk om een gesprek te beginnen aan tafel. Toch gaven ze me lessen in samenleven, mijn medepatiënten van gang 3a. Elke ochtend begroetten we elkaar. 'Dag Marc, dag Sandra... Hoe gaat het met jullie benen?' Ik begon op den duur uit te kijken naar de volgende eetpauze. We hadden het niet alleen over onze benen. Soms ook over Trump. Over de verplegers. Of over onze medepatiënten, wie er nu weer geruisloos naar huis was gegaan. Soms zeiden we niets. Of vertelden we een mop. Soms begon een van ons te huilen, en keken we allemaal roerloos voor ons uit. Deden we alsof we het niet merkten. Al herkenden we het allemaal: het stille verdriet om dat stomme lichaam dat niet meer werkte. Na het eten begon ik aan mijn dagtaak: weer leren stappen. De eerste keer dat ik in de grote kineruimte kwam, keek ik verbaasd rond. Overal zag ik mensen die ledematen misten. Bloedmooie meisjes zonder benen. Sommigen hadden er nog één. Of één arm. Alsof er net een oorlog had plaatsgevonden. Het waren lang niet allemaal verkeersslachtoffers, maar toch veel. Na een paar dagen was ik het al gewoon, alles went. Zelfs de gezichten achter de statistieken. Hoogstens was er wat gêne, of ik mocht kijken. Tot ik op een middag op de massagetafel lag. Ik hoorde een mannenstem zeggen tegen zijn kinesiste: 'Ik was met de fiets, zag een auto. En dan weet ik het niet meer.' Ontsteld keek ik opzij. Een paar tafels verder lag een man die ongeveer even oud was als ik. Ik durfde amper naar beneden te kijken, maar deed het toch. Hij had geen been meer. 's Avonds loerde ik vanuit mijn kamer met een verrekijker naar de andere ramen. Zoals James Stewart deed, toen zijn been gebroken was in Rear Window van Alfred Hitchcock. Ik tuurde naar de ramen van de mensen zonder ledematen. Naar de familieleden die kwamen en weer weggingen, de vergeten gezichten achter de ongevalstatistieken. Ik dacht aan alle verhalen die ik in de kineruimte had gehoord: over familieleden die hun job moesten opzeggen om voor een slachtoffer te zorgen. Een 'gewonde', schreef ik in mijn notitieboekje, is eigenlijk een vreselijke term. Een woord dat bij wet verboden zou moeten worden, omdat het zo veilig klinkt. Een gewonde, die is niet dood, die geneest wel. Het zweet van de revalidatie zit er niet in, de hoop en de wanhoop van velen ook niet. Op het proces-verbaal van de politie stond: 'Stijn Tormans - zwaargewond.' Ik leerde dat het op zich niet zoveel betekent. Het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid vertelde me dat je officieel 'een zwaargewonde bent als je langer dan 24 uur in het ziekenhuis moet blijven. In de praktijk bepaalt de politie meestal of iemand zwaargewond is of niet. Ze schrijven soms "zwaargewond" op het pv als er een ziekenhuiswagen komt. Vaak is het dus nogal subjectief. Het gebeurt dat ze lichtgewonden als zwaargewonden registreren. En omgekeerd.' Officieel was ik dit jaar fietsongeval 1579, maar misschien zijn er intussen al vijf keer zoveel verongelukt. Mensen bellen vaak pas naar de politie als een fietser tegen een auto gebotst is. Niet als ze vallen omdat ze door de trappers gezakt zijn en hun gewrichtsbanden hebben gescheurd: die slachtoffers halen de fietsongevalstatistieken niet. Niemand kon me exact zeggen hoeveel armen er elk jaar sneuvelen in dat verkeer, hoeveel benen, hoeveel jobs, hoeveel dromen. Hoeveel nachtmerries erbij komen, ook. Honderden keren heb ik mijn ongeval moeten beschrijven aan vrienden. Minstens even vaak heb ik het zelf opnieuw afgespeeld in mijn hoofd. En elke keer zag ik die mensen daar weer staan. Mijn getuigen, de toevallige passanten op de Mechelsesteenweg. Die man die mijn been omhoog gehouden had en had gezegd: 'Het komt goed.' Die Marokkaanse Belg van wie ik dacht dat hij me bestolen had, maar die kilometers gereden had om mijn kapotte fiets en Velokaart terug te brengen. Ik wilde hen witte rozen sturen, maar de politie weigerde mee te werken aan een reünie. Adressen uitwisselen was uitgesloten, hen zelf opbellen zagen ze al helemaal niet zitten. 'Het is niet de bedoeling dat u die mensen nog ziet, meneer. Dat zijn getuigen. Zo gaat dat in Vlaanderen.' Ik drong aan, vertelde hoe belangrijk ze voor mij geweest waren die twaalfde maart. 'Stuur ons een mail, we zullen het bekijken.' Nooit kreeg ik een antwoord van de politie. Op het pv stonden wel de naam, het adres en de leeftijd van de man die me overreden had. Ik vond dat vreemd, want na mijn ongeval was ik boos op hem. In gedachten ben ik honderd keer met mijn rolstoel naar zijn adres gerold, om krassen te zetten op zijn BMW 520. Omdat ik niets van hem hoorde. Uit wraak voor alle verloren tijd en pijn. Tot ik op een dag een filmpje zag van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde op Facebook. Een gehandicapte motorrijder ontmoet de man die hem heeft overreden, zes jaar later. Het loopt uit op een helend gesprek. Onder het filmpje staan honderden reacties, ook van andere slachtoffers. 'Meer dan 30 jaar geleden was ik de motorrijder', schrijft Dave. 'Ik ben volledig hersteld na een jaar revalidatie. Van de autobestuurder heb ik nooit nog iets gehoord. Geen sorry, geen interesse, niets. Ik heb dat langer gevoeld dan de pijn zelf.' Ik begreep de woede van Dave, ik had ze ook gevoeld. Toch begon ik meer en meer mededogen te krijgen voor de man die me aangereden had. Ik zag hem daar weer staan op de Mechelsesteenweg. De wanhoop in zijn ogen. Ik voelde ook dat ik al wekenlang tegen hem werd opgezet. Heel subtiel, en ook ongewild. Een ongeval, leerde ik, is niet alleen een botsing van twee mensenlevens. Het is ook een gevecht tussen twee verzekeringsmaatschappijen. Niemand had me gewaarschuwd dat er na elk trauma niet alleen een uitbarsting van adrenaline volgt, maar ook een ellendige papierslag. Ik kreeg advies van vrienden, hoe ik die moest invullen. Wanneer het ene klaar was, was er al een ander. De formulieren bleven maar komen, tot ik er horendol van werd. Er kwam er ook een van zijn verzekeringsmaatschappij. Dat leek meer op een oorlogsverklaring, zo vijandig was de toon. Nooit zat er empathie in die verzekeringsenveloppen. Nooit vroeg iemand: 'Beste Stijn, hoe gaat het met u? Hebt u die BMW-rijder intussen al ontmoet?' Op een avond zei een vriend: 'Misschien heeft die man hier al honderd keer om de hoek gestaan. En is hij al honderd keer terug naar huis gereden met zijn BMW, denkend: ik kan het niet.' Na het bezoekuur schreef ik hem een brief. 'Beste Roger, Onze wegen kruisten elkaar op 12 maart, op de Mechelsesteenweg, om 17.40 uur. Nogal letterlijk. Ik ben al lang niet meer kwaad. U hebt dit niet gewild, ik ook niet. Het is toch gebeurd. Dat is de definitie van een ongeval.Toen ik die avond op de grond lag, zag ik u staan. Ik zou u graag nog eens in de ogen kijken en met u praten. Niet over wie nu schuldig was - daarover vullen we al genoeg papieren in - maar over andere zaken. Met vriendelijke groeten, Stijn TormansVijf dagen later, op een maandagavond, rinkelde mijn telefoon. 'Dag Stijn, 't is Roger.' 'Dag Roger', stamelde ik.