'Mijn schoolcarrière?' Moad El Boudaati kan een grijns niet onderdrukken. 'Hebt u even?'
...

'Mijn schoolcarrière?' Moad El Boudaati kan een grijns niet onderdrukken. 'Hebt u even?' Het moet gezegd dat de nieuwe Vilvoordse schepen van Jeugd, Sport, Cultuur en Feestelijkheden er een atypisch parcours heeft opzitten. El Boudaati groeide op in een sociale woonwijk, als zesde kind in een gezin van acht. Zijn schoolcarrière was een opeenvolging van haarspeldbochten; hij zou zijn diploma secundair onderwijs uiteindelijk behalen via de centrale examencommissie. Vervolgens behaalde hij een master in de politieke wetenschappen, werd hij deradicaliseringsambtenaar in Vilvoorde en uiteindelijk het stemmenkanon voor de SP.A. Bij zijn eerste verkiezingsdeelname werd hij met 1181 stemmen de op drie na populairste politicus van Vilvoorde. Bij de federale verkiezingen van eind mei staat hij op de tweede plaats in Vlaams-Brabant. Het begon met een valse start: in het eerste leerjaar werd een taalachterstand vastgesteld. 'Dat was ook niet verwonderlijk', vertelt El Boudaati. 'Ik sprak thuis Berbers, op de Koranschool Arabisch, op straat Frans en in de klas Nederlands. Dat is gewoon erg veel voor een kind van zes. Alleen was mijn taalprobleem tijdelijk, het is iets wat kinderen ophalen. Maar mijn leerkrachten waren ervan overtuigd dat ik een mentale aandoening had.' Toen de school voorstelde om hem in het bijzonder onderwijs in te schrijven, weigerde zijn moeder ferm. Een andere school bood soelaas. Na een voorspoedige periode in het basisonderwijs trok El Boudaati naar de moderne wetenschappen. In het tweede jaar liep het fout. Hoewel hij voldoende punten behaalde, kreeg hij toch een B-attest. 'Ik had betere punten dan heel wat autochtone kinderen, maar ik kreeg toch een B-attest. Ik was erdoor, maar kreeg te horen dat mijn leerkrachten "het gevoel hadden" dat ik het volgende jaar niet zou aankunnen. Pure willekeur.' Het voorval zou de kiem blijken van El Boudaati's politieke reflex. 'Ik heb toen in m'n eentje de schoolreglementen doorgeploegd, en kwam tot de conclusie dat ik onterecht een B-attest had gekregen. Ik heb mijn moeder mee naar school gesleurd om protest aan te tekenen, en heb uiteindelijk gelijk gekregen.' Op zijn zestiende maakte El Boudaati naar eigen zeggen de grootste fout van zijn schoolcarrière: hij begon na schooltijd te werken in Schaarbeek. 'Ik ben toen in aanraking gekomen met geld', zucht hij. 'Dat was een vergiftigd geschenk. Ik kwam uit een groot gezin, en ik zag dat al mijn vrienden kleren en gsm's konden kopen. Dat wilde ik ook. Ik zocht naar onafhankelijkheid, maar ik zag niet in dat het werk mijn studie naar de knoppen hielp.' Zijn schoolwerk leed onder de lange uren, en op het einde van het vierde jaar kreeg hij opnieuw een B-attest. Het was het begin van een carrousel waarbij hij in één semester drie keer van school veranderde, en uiteindelijk zijn vierde jaar moest overdoen in dezelfde school. Ook dat bisjaar draaide uit op een B-attest. 'Daar heb ik de moed verloren', zegt El Boudaati. Een poging om zijn diploma via de centrale examencommissie te behalen, draaide op niets uit. Ook een kort intermezzo in het tweedekansonderwijs in Hoboken-Polder werd geen succes. Op zijn achttiende klapte hij de boeken dicht, en begon hij een kleinhandel in damesartikelen. Van Ledeberg via Molenbeek tot Heusden-Zolder schuimde hij vroegmarkten af om handtassen, parels en halskettingen te verkopen. Hij weet nog perfect waar hij besliste om eindelijk iets van zijn leven te maken: de Grand Place van het Henegouwse Quaregnon, op een winterochtend even over vijven. Toen hij de marktplaats opdraaide, viel zijn oog op het elektrische scherm van de lokale apotheek. Min zestien graden. 'Waar ben ik in godsnaam mee bezig, dacht ik plots. Ik stond in de koude te verrekken naast migranten die pas in België waren aangekomen. Dat heeft me aan het denken gezet. Ik ben geboren en getogen in België, ik zou verdorie voorop moeten liggen in het leven. Ik heb me die dag opnieuw ingeschreven voor mijn examen bij de centrale examencommissie.' Toen hij midden juli 2008 tegen alle verwachtingen in toch zijn diploma secundair onderwijs behaalde, was hij buiten zinnen van vreugde. 'Er viel zo'n grote last van mijn schouders. Ik heb me toen zo snel mogelijk ingeschreven aan de universiteit.' Wat hebt u geleerd uit die moeilijke schoolcarrière? Moad El Boudaati: Het belang van gelijke kansen. Als ik hier vandaag voor u zit, komt dat vooral doordat mijn moeder mij nooit naar het buitengewoon onderwijs heeft laten overstappen. Ik had het 'geluk' dat mijn oudere zus al in het bijzonder onderwijs had gezeten, en mijn moeder dus wist hoe moeilijk het was om daar weer uit te raken. De leerkrachten hebben er nochtans alles aan gedaan om haar te overhalen. Goed dat mijn moeder toen haar voet heeft gezet.Waar liggen volgens u de pijnpunten in het onderwijs? El Boudaati: Het voornaamste probleem was dat veel van onze leerkrachten niet uit Vilvoorde zelf kwamen, maar vanuit de omringende dorpen. Vaak waren het mensen die hoogstens eens van ver een Marokkaan hadden gezien. Velen konden zich niet voorstellen wat het is om in een sociale woonwijk op te groeien. Terwijl leerkrachten echt het verschil kunnen maken. Ik heb erg veel gehad aan meneer Pauwels, mijn wiskundeleerkracht in het derde middelbaar. Daarvoor interesseerde wiskunde me totaal niet, en plots was ik bij de besten van de klas. Hij moedigde ons aan om vragen te stellen en bleef geduldig alles uitleggen. Niet één keer maar tien keer, tot iedereen mee was. Dat heb je nodig om leerlingen met minder kansen over de streep te krijgen. U groeide op met heel wat jongeren die radicaliseerden en uiteindelijk naar Syrië zijn getrokken. Waarom zijn zoveel Vilvoordenaren bereid geweest om af te reizen? El Boudaati: Een van de belangrijkste redenen is het gebrek aan jeugdwerk. Toen ik opgroeide, werd hier niets gedaan voor de jeugd: geen jeugdhuis, geen activiteiten, helemaal niets. Wat deden wij dus? Rondjes lopen in de wijk, altijd hetzelfde toertje. Dat gaat op den duur vervelen, hè. En dan gaan jongeren op zoek naar avontuur, en worden ze vatbaar voor kleine criminaliteit, voor vandalisme. Ik heb het als twintiger ooit voorgelegd aan Marc Van Asch, die toen CD&V-burgemeester was. Hij wilde er niet van weten. Als wij hier een jeugdhuis beginnen, gaan al die jongeren smoren en drinken en voor nachtlawaai zorgen, zei hij. Er was een totale onwil om iets voor de jeugd te doen. Is het niet heel simplistisch om te denken dat je radicalisering tegengaat met een jeugdhuis? El Boudaati: Ik zeg niet dat er geen jongeren naar Syrië zouden zijn getrokken als we een jeugdhuis hadden gehad. Ik zeg alleen dat dat gebrek aan structuur de problemen hier heeft vergroot. Stel je voor dat we hier in Vilvoorde een gestructureerde jeugdwerking hadden gehad. Dan waren er gatekeepers geweest die de jihadronselaars hadden kunnen weghouden. Nu was er niemand die oplette. U bent zelf benaderd door Sharia4Belgium. El Boudaati: Ik heb Fouad Belkacem en zijn groep hier zien rondlopen, maar ik heb toen nooit met hem gesproken. Ik voetbalde altijd onder de brug hier achter ons. Ik was er vooral beducht voor dat die vreemde gasten ons pleintje kwamen inpikken. Hoe ging men in de moskee om met die radicaliserende jongeren? El Boudaati: Veel te angstig. Veel jongeren die geïndoctrineerd zijn door Sharia4Belgium zijn verhaal gaan halen bij de moskee. Daar hebben ze hen geweerd, omdat ze niets met dat extremisme te maken wilden hebben. Voor veel van die jongeren was net dat de bevestiging: de moskee durft inderdaad niet over het 'ware geloof' te spreken. Moskeeën zijn nochtans enorm belangrijk in het tegengaan van radicalisering. Ik ben tot mijn vijftiende naar de Koranschool geweest, en dat heeft me echt weerbaar gemaakt tegen elke vorm van religieus radicalisme. Geen enkele jongere die Koranlessen in de Vilvoordse moskee heeft gevolgd, is naar Syrië getrokken. Wanneer begon u te merken dat vrienden radicaliseerden? El Boudaati: Je krijgt geen kans om het te merken. Ze isoleren zich. Achteraf bleken ze dan in trainingskampen of in gebedsruimtes te zitten. Hou er ook rekening mee dat we op dat moment begin de twintig waren: je bouwt je leven op, hebt minder tijd, ziet elkaar minder. Als je iemand dan enkele maanden niet ziet, denk je niet automatisch dat ze aan het radicaliseren zijn. Zeker niet als het gasten zijn die allesbehalve een religieus leven leiden. Ziet u een rode draad in de profielen van Syriëgangers? El Boudaati: Het zijn heel uiteenlopende profielen. Het enige verschijnsel dat je bijna elke keer terugziet, zijn gebroken gezinnen. Afwezige vaders. Familieleden die drugsverslaafd zijn en het leven thuis onmogelijk maken. Al zijn er ook strijders uit voorbeeldige gezinnen vertrokken. In 2016 ging u als deradicaliseringsambtenaar aan de slag met veroordeelde jihadisten in de gevangenis. Hoe pakt u dat aan? El Boudaati: Ik speel van bij het begin open kaart over wat mijn doel is. Alles begint met vertrouwen. Ik leg uit dat ik hen wil helpen met hun reïntegratie in de samenleving. Ik maak ook duidelijk dat ik beroepsgeheim heb en dus niet alles zomaar overbrief aan de politie. Geloven ze u? El Boudaati: In het begin zijn de meesten natuurlijk wantrouwig. Ik maak hen meteen duidelijk dat ik niet probeer om hen van gedachten te doen veranderen. Dat kán ook niet: ik kan nu eenmaal niet in hun hoofd kruipen. Het enige wat je kunt doen, is hen andere inzichten aanreiken. We mikken op disengagement: we proberen vooral te voorkomen dat ze radicaal gedrag vertonen. U bent dus al tevreden als ze zichzelf niet opblazen? El Boudaati: Eigenlijk probeerde ik zo weinig mogelijk over religie te spreken. Je probeert het over iets anders te hebben: over tv-programma's die we hebben gezien, of boeken die we hebben gelezen. Je probeert hen een kritische reflex aan te leren: waar komen hun inzichten vandaan? Soms haalt zo'n extremist dan een vers boven waaruit hij opmaakte dat hij de plicht had om de jihad te voeren. Maar zodra ze letten op de bronvermelding, merken ze dat die onbetrouwbaar is, of gewoon fout. Staan ze daarvoor open? El Boudaati: Ja. Veroordeelden zitten vaak in strikte regimes. Als ze begeleiding aanvaarden, kunnen ze in een minder strikt regime komen, waar ze les kunnen volgen of kunnen sporten. Maar de beste manier om te deradicaliseren is hen in contact brengen met andere mensen, die hen uit hun cocon van zelfbevestiging halen. Strikte regimes werken radicalisering in de hand. Hoe kijkt u naar de deradex-vleugels in de gevangenissen van Hasselt en Ittre? El Boudaati: Ik geloof niet dat het een goede aanpak is om geradicaliseerden samen te zetten. Stel dat je er na veel moeite in slaagt om een van die radicalen te disengagen. Die moet nadien gewoon terug naar die sectie. Voor elke drie uur die ik met hem praat, zit hij tientallen uren met extremisten op cel. Dat is een hopeloze oefening. Zitten de mensen met wie u gesproken hebt eigenlijk op hun plaats in de gevangenis? El Boudaati: Ik heb vertrouwen in ons rechtssysteem. Iemand die naar Syrië is gegaan en daar mensen heeft vermoord, verdient een lange gevangenisstraf. Maar lang niet alle veroordeelden zijn Syriëgangers. Er zijn ook mensen veroordeeld omdat ze een geradicaliseerde vriend naar de luchthaven hebben gebracht. Vind dan maar eens een job wanneer je vrijkomt. Binnenkort komen er heel wat veroordeelden vrij. Maakt u zich zorgen? El Boudaati:(blaast) Er is nog heel veel werk. Ik maak me zorgen dat veel terreurveroordeelden zullen vrijkomen op het eind van hun straf. Als veroordeelden vervroegd vrijkomen, kun je hen voorwaarden opleggen. Je kunt bijvoorbeeld eisen dat ze zich elke dag om negen uur melden. Op die manier heb je nog enige controle over waar ze mee bezig zijn als ze de gevangenis verlaten. U pleit dus voor vervroegde invrijheidstelling? El Boudaati: Ik pleit vooral voor strafuitvoeringsmodaliteiten, zodat we voorwaarden kunnen koppelen aan iemands invrijheidstelling. Geradicaliseerden die op strafeinde vrijkomen, laten we compleet los. Ze krijgen niet eens een justitieassistent toegewezen. Ik pleit ook voor het voorstel van Hans Bonte (SP.A) om geradicaliseerden ter beschikking te stellen van de regering als ze vrijkomen. Ik snap dat zero tolerance goed klinkt, en ik erken dat mensen onder voorwaarden vrijlaten een zeker risico met zich meebrengt. Maar ooit komen ze toch vrij. De vraag is dan: welk risico nemen we het liefst? Komen geradicaliseerden gelouterd uit de gevangenis? El Boudaati: Er zijn zeker mensen die inzien dat ze meegewerkt hebben aan iets verschrikkelijks. De meesten gedragen zich trouwens voorbeeldig in de gevangenis. Maar echt gelouterd? Dat durf ik niet te zeggen. Hoe kijkt u naar de discussie over het al dan niet terughalen van Syriëstrijders? El Boudaati: Over de kinderen mag geen discussie bestaan: zeker kinderen die zich in een gevaarlijke situatie bevinden, moeten we terughalen. Al die Syriëgangers hebben hier familie. Besef wat voor impact hun situatie heeft op hun familie. Die kinderen zijn hier geboren, of ze zijn kinderen van ouders die in België geboren zijn. De Belgische staat heeft de plicht om zijn onderdanen bij te staan. Als wij die kinderen daar laten creperen, wekt dat het idee dat moslims hier minder meetellen. Brengt dat onze veiligheid niet in het gedrang? El Boudaati: Als we het niet doen uit principe, laten we het dan doen uit eigenbelang. We hebben er als samenleving alle belang bij om die kinderen terug te halen. Het is inderdaad zo dat sommige kinderen getraumatiseerd zijn door de gruwelijkheden die ze daar hebben gezien. Door hen daar te laten, gaan die trauma's niet over. Als we hen niet terughalen, lopen we het risico een groep radicalen te kweken die een wrok tegen België koesteren. Dat is op termijn véél gevaarlijker dan ze terug te halen. Geldt dat ook voor de moeders? El Boudaati: Dat is een moeilijke kwestie. Ik vind niet dat we Syriëstrijders zelf actief moeten terughalen. Of we dat voor de moeders moeten doen? (denkt na) Sowieso zijn zowat alle moeders veroordeeld in België, en zullen ze naar de gevangenis moeten. Maar ik ben er zelf nog niet uit. Jihadonderzoeker Montasser AlDe'emeh waarschuwt dat de kinderen in het kalifaat opgeleid werden tot moordmachines. El Boudaati:(zucht) Leg mij eens uit hoe een kind van vier een gevaar kan zijn. Hoe dan? (pauzeert) Hebt u de reportage van VRT-journalist Rudi Vranckx gezien? Hij is in oktober naar Syrië gegaan met een team van artsen en psychologen. Ik vertrouw op hun oordeel dat die kinderen geen gevaar voor de samenleving zijn. En dus slaat u de wijze woorden van AlDe'emeh in de wind? El Boudaati: (afgemeten) Welke wijze woorden? Wat zegt u tegen mensen die zich toch zorgen maken? El Boudaati: Als we die kinderen tijdig terughalen, kunnen we er iets van maken. Je kunt hen therapie laten volgen. En nogmaals, we hebben het over kinderen die vaak nog geen vier jaar oud zijn. Hoe kunnen zij in godsnaam een gevaar vormen? Kleine kinderen worden groot. Dat maakt u niet bezorgd? El Boudaati: En wanneer lopen ze het grootste risico om uit te groeien tot jihadisten? Als we hen naar hier halen en intensief begeleiden? Of als we hen aan hun lot overlaten en daar laten verkommeren? Het is toch enorm gevaarlijk om zulke kwetsbare kinderen daar te laten opgroeien? Dan creëer je een situatie waarbij je tientallen radicalen hebt op wie je geen enkele vat hebt. Als we hen hier een toekomst geven, geef je hen de kans om te veranderen. Niemand zou mogen boeten voor de fouten van zijn ouders.