'A rising tide lifts all boats, de vloed tilt alle schepen op, zeiden ze vroeger in de VS', vertelt professor Ive Marx van het Centrum voor Sociaal Beleid aan de Universiteit Antwerpen. 'In de jaren zestig leefde het idee: als het de big business voor de wind gaat, zal het iedereen voor de wind gaan. Dat geldt daar vandaag absoluut niet meer. De laatste 40 jaar is 90 procent van de economische groei in de VS de rijkste 10 procent van de bevolking ten goede gekomen. Dus alleen de superrijken profiteerden er van de groei, de rest zakt weg.'
...

'A rising tide lifts all boats, de vloed tilt alle schepen op, zeiden ze vroeger in de VS', vertelt professor Ive Marx van het Centrum voor Sociaal Beleid aan de Universiteit Antwerpen. 'In de jaren zestig leefde het idee: als het de big business voor de wind gaat, zal het iedereen voor de wind gaan. Dat geldt daar vandaag absoluut niet meer. De laatste 40 jaar is 90 procent van de economische groei in de VS de rijkste 10 procent van de bevolking ten goede gekomen. Dus alleen de superrijken profiteerden er van de groei, de rest zakt weg.' Bij Oxford University Press verschijnt binnenkort een groots opgezette internationale studie met als titel: Inequality and Inclusive Growth in Rich Countries. Marx schreef het hoofdstuk over België, samen met zijn collega Gerlinde Verbist. Hoe zit het nu met de ongelijkheid in ons land? 'Ik weet dat de meeste mensen denken dat ook in België de ongelijkheid sterk toeneemt, maar dat is onder invloed van wat we in Amerika en elders zien. Wij zijn het tegenvoorbeeld bij uitstek. De economische groei werd bij ons meer verspreid over de bevolkingsklassen dan in andere rijke landen. De wereld zou dus een beetje Belgischer moeten worden.' Groeien de inkomens van de lagere klassen bij ons meer dan die van de hogere? IVE MARX: We hebben de inkomens tussen 1985 en 2014 in ons land bestudeerd en daaruit blijkt dat iedereen er een beetje op vooruit is gegaan. Gemiddeld was er een stijging van de inkomsten van 1,5 procent per jaar. De laagste 20 procent van de bevolking doet het met bijna 2 procent per jaar zelfs iets beter. Opmerkelijk is nog dat sinds het uitbreken van de financiële crisis in 2008 het inkomen van de rijkste 20 procent van onze bevolking er zelfs op achteruit is gegaan. Conclusie: het inkomen van de armen is bij ons procentueel wat meer toegenomen dan dat van de rest van de bevolking. En de laatste tien jaar neemt het inkomen van het rijkste deel van de bevolking eerder af. Daarmee zijn we uniek in de wereld. Hoe verklaart u dat? MARX: Een van de belangrijkste redenen is zeker ons sociaal overlegmodel. De sociale partners spelen een grote rol in ons sociaal-economisch beleid. Dat zogenaamde Rijnlandmodel - dat jaren geleden in veel Europese landen bestond - is overal afgebrokkeld, behalve bij ons. Werkgevers en werknemers sluiten nog altijd cao's af, waarbij er afspraken over de arbeidsomstandigheden en lonen worden vastgelegd die voor het grootste deel van de bevolking gelden. Daarnaast bestaat er in België nog de automatische indexkoppeling: de lonen volgen de inflatie. Ook daarin zijn we uniek. Dat heeft ervoor gezorgd dat de inkomens van alle bevolkingsklassen decennialang vrij gelijkmatig zijn gestegen. Is die automatische loonindexering houdbaar? MARX: De automatische loonindexering wordt al lang ter discussie gesteld, maar ze bewijst al tientallen jaren dat ze vrij goed werkt. Er werd tussendoor wel wat aan gesleuteld. Zo werd de gezondheidsindex ingevoerd, waarbij alcoholische dranken, tabakswaren en motorbrandstoffen uit de index werden geschrapt. Maar de automatische loonindexering functioneert goed en ik zie niet in waarom ze niet te handhaven zou zijn. Ze zorgde in elk geval voor meer gelijkheid. Ook onze economische groeicijfers mogen er best zijn. Ik weet wel dat er vandaag critici zijn die zeggen dat de Belgische economie niet zo hard groeit als die in andere landen, maar we hebben in het verleden ook niet zo'n felle terugval gekend als elders. Onze economie is geen formule 1-bolide die hard optrekt en daarna diep in de remmen moet gaan, wij kennen geen hoge pieken en diepe dalen. De Belgische economie is een diesel: ze groeit traag, maar gestaag. Komt ons sociaal model toch niet onder steeds grotere druk te staan? Het overleg tussen werkgevers en werknemers lijkt almaar moeilijker te lopen. MARX: De overheid heeft de bewegingsruimte van de sociale partners de afgelopen jaren zeker beperkt, bijvoorbeeld door te bepalen hoe de loonnorm moest worden vastgelegd. De regering-Michel heeft dat in 2014 nog aangescherpt. De loonnorm is nu door de politici zo strak bepaald, dat nog maar een zeer kleine onderhandelingsmarge overblijft. Anderzijds kunnen de sociale partners nu makkelijker tot een akkoord komen. Ironisch zou je kunnen stellen: de loonnorm heeft het sociaal overleg in België gered. De rol van werkgevers- en werknemersorganisaties beperkt zich niet alleen tot loononderhandelingen. MARX: De sociale partners spelen nog steeds een cruciale rol in heel onze samenleving. Vakbonden en werkgeversorganisaties zitten in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, in de Nationale Arbeidsraad, in de regentenraad van de Nationale Bank en noem maar op. Voortdurend worden ze over van alles en nog wat geraadpleegd. Ik hoor vakbondsmensen wel klagen dat ze niet meer de macht en het gezag hebben dat ze in de tijd van Georges Debunne (ABVV-voorzitter van 1968 tot 1982) en Jef Houthuys (ACV-voorzitter van 1969 tot 1987) hadden. Toen was de link tussen de politieke partijen en de vakbonden ook sterker. Maar als je het op een afstand bekijkt en internationaal vergelijkt, staan de vakbonden bij ons nog steeds uitzonderlijk sterk. Terwijl overal elders hun ledenaantallen dalen, blijven die bij ons hoog en stabiel. De politiek kan de vakbonden bij ons dus minder makkelijk ter discussie stellen dan in andere landen. Sommigen zeggen dat de vakbonden vooral de verworven rechten willen behouden. MARX: Het is zeker zo dat onze vakbonden vooral de mensen verdedigen die al een baan hebben, de 'insiders'. Wat willen die? Betere lonen, meer vakantie, werkzekerheid. Ze verwachten dat hun vakbond daarvoor zorgt. En onze vakbonden verdedigen die belangen ook sterk. Dat komt evenwel niet iedereen ten goede, daar moeten we eerlijk in zijn. Onze arbeidsmarkt is een versterkt fort, en dat is fijn voor diegenen die zich binnen de muren bevinden, maar het is minder goed voor diegenen die naar binnen willen. En die 'outsiders' worden door onze vakbonden niet verdedigd. Verdedigen de vakbonden dan niet de armste lagen van de bevolking? MARX: Je zou denken dat vakbonden opkomen voor de armen, terwijl de werkgeversorganisaties de rijken verdedigen, maar dat is niet zo. Natuurlijk leggen werkgevers- en werknemersorganisaties andere accenten, maar eigenlijk verdedigen ze allebei dezelfde groep: de middenklasse. Net als de politici trouwens. Iedereen kruipt door het slijk om de middenklasse te soigneren. De rijken zorgen goed voor zichzelf, en de armen vinden nergens gehoor. Maar de middenklasse zit in ons land gebeiteld. Dat is ook een heel grote groep. Iemand behoort tot de middenklasse als zijn inkomen zit tussen de 60 en 200 procent van de mediaan - dat is de middelste waarde van alle inkomens. Dat wil zeggen dat alle alleenstaanden met een netto gezinsinkomen tussen 1400 en 3500 euro bij de middenklasse horen, net als alle gezinnen met twee kinderen tussen 2200 en 7200 euro. Dat is dus driekwart van de Belgische bevolking. Toch klaagt die middenklasse dat zij voor alles moet opdraaien. MARX: De middenklasse zaagt en klaagt maar wordt nergens zo goed bediend als in België. Ze zeurt bijvoorbeeld over de hoge belastingen en die liggen inderdaad hoog in ons land, maar er vloeit ook veel geld terug naar diezelfde middenklasse. We hebben bijna gratis onderwijs, goedkope treinen, geen tolwegen, goedkope gezondheidszorg, een uitgebreid cultuuraanbod dat zwaar wordt gesubsidieerd en waarvoor de tickets goedkoop zijn. We vinden dat allemaal de normaalste zaak van de wereld, maar als je over de landsgrenzen kijkt, merk je dat dit niet zo is. Ondertussen vragen jongeren uit de middenklasse zich wel af: gaan wij het nog even goed hebben al onze ouders? MARX: Dat is een legitieme vraag. Onze middenklasse heeft de stijging van haar levensstandaard voor een groot stuk te danken aan het feit dat ook vrouwen na de Tweede Wereldoorlog steeds meer buitenhuis zijn gaan werken. Dat tweeverdienersschap verhoogde niet alleen het inkomen, maar zorgde ook voor emancipatie. Dat was dus een goede zaak. Maar je kunt er niet omheen: dat tweeverdienersschap heeft ook veel gevraagd van de middenklasse, iedereen heeft er heel wat voor moeten opofferen. En volgens objectieve criteria hebben jongeren niet veel reden om te klagen. Nee? MARX: Nee, want ze hebben vandaag allemaal een smartphone, computer en abonnementen op Netflix en Spotify. Nog nooit zijn zo veel jongeren zo ver op vakantie kunnen gaan. Sommigen trekken nu al op hun twintigste op wereldreis. Nog geen dertig jaar geleden kon dat allemaal niet. Toen werden in vele huizen pas de eerste badkamers geïnstalleerd. Mensen haalden hun eerste telefoon in huis. Ze kochten een kleurentelevisie - stel u voor! En tijdens de vakantie trokken ze naar de Belgische kust of met de tent naar Frankrijk. Werktijden zijn ondertussen verkort, het aantal vakantiedagen opgetrokken. Jongeren hebben vandaag dus geen reden tot klagen. Al begrijp ik wel dat ze dat zelf anders aanvoelen: ze zien dat een lapje grond of een huisje bijna onbetaalbaar worden. Ze vragen zich af of ze later nog wel een behoorlijk pensioen zullen krijgen. En of ze de huidige levensstandaard wel kunnen behouden. Ik snap dat wel, maar zeker als ze vandaag gestudeerd hebben en een job vinden waarvoor ze hard willen werken, mag de jeugd niet te veel zeuren. Maar wie zonder diploma van de schoolbanken komt... MARX: Voor wie uit de boot valt, is er in België minder aandacht. We tellen 15 procent armen, en dat is geen fraai cijfer. Dat is de grote Belgische paradox: we zijn een toonbeeld van gelijkheid, maar daaronder zitten grote kloven, getto's met ernstige, structurele achterstelling. Dat zou ons veel meer zorgen moeten baren, want dat vormt een bedreiging voor onze samenleving. Geeft u eens een concreet voorbeeld. MARX: Neem de niet-EU-burgers. In sommige Antwerpse wijken is 70 procent van de bevolking van allochtone afkomst. De helft van de aangroei van de beroepsbevolking komt van mensen die een migratieachtergrond hebben. We zien dat niet-EU-burgers in het onderwijs een achterstand oplopen, dat ze maar moeilijk een job vinden en dat de armoede onder hen groot is. En daar heeft ons sociaal overlegmodel geen antwoord op. Dat is de grote discrepantie: politici, werkgevers- en werknemersorganisaties behartigen de belangen van wie het al vrij goed heeft, maar ze hebben veel minder oog voor wie het slecht heeft. Ze zijn blind voor de grote maatschappelijke uitdagingen. Wat loopt er fout in het onderwijs? MARX: Als professor stel ik vast dat er nog steeds weinig studenten met een migratieachtergrond in het hoger onderwijs afstuderen. Nochtans kun je bij ons vrij makkelijk vanuit heel veel richtingen van het middelbaar onderwijs beginnen in een hogeschool of universiteit. Maar die grote toegankelijkheid zorgt níét voor meer studenten van allochtone afkomst. De doorstroming hapert. Ook op de arbeidsmarkt blijven niet-EU-burgers moeilijk aan de bak komen. Is een job de beste manier om uit de armoede te raken? MARX: Dat een job bescherming biedt tegen armoede is feitelijk fout, want 4 procent van de mensen met een baan leeft toch in armoede. Het gaat dan vooral over alleenstaande ouders, meestal vrouwen, die kinderen hebben en daarom deeltijds werken. Het probleem is dus dat je eerst een job moet vinden en dat is voor sommige bevolkingsgroepen, zoals migranten of laaggeschoolden, nog steeds niet makkelijk. Ondanks de economische groei en de vele nieuwe banen die er de laatste jaren bij zijn gekomen. Hoe kunnen we die migranten en laaggeschoolden aan een baan helpen? MARX: We moeten zeker eens praten over onze laagste lonen. Die zijn te hoog. Zoals gezegd hebben weinig landen zo'n samengedrukte loonstructuur als België, maar we hebben geen segment van laagbetaalde arbeid, waar iemand pakweg 2000 euro bruto verdient voor een voltijdse baan. In andere landen kunnen net in dat segment migranten en laaggeschoolden aan de slag. In Nederland heeft 15 procent van de arbeidsbevolking een baan waar hij of zij tussen de 1600 en 2000 euro bruto verdient, in Duitsland zelfs 18 procent. En in België? Bij ons 4 procent. Zo'n job kan nochtans een opstapje zijn naar een beter betaalde baan, dankzij de ervaring die men opdoet en de sociale contacten. Ik zeg niet dat dit de wonderoplossing is, maar we zouden wel een verlaging van onze laagste lonen moeten overwegen als we iets willen doen aan de erbarmelijke positie van de migranten en mensen uit de armoede willen halen. Moeten de werkloosheidsuitkeringen in de tijd worden beperkt om meer mensen aan het werk te krijgen? MARX: Het is een feit dat veel mensen vinden dat de werkloosheidsuitkeringen in de tijd moeten worden beperkt. Dan moet je dat ook bespreken, anders krijg je problemen met de legitimiteit van dat stelsel: zullen mensen daar aan willen blijven bijdragen? Maar of zo'n beperking in de tijd iedereen aan een job zal helpen? Natuurlijk niet. Het grote nadeel is dat mensen dan van de radar verdwijnen. Ze worden niet meer geactiveerd, nemen niet meer deel aan de samenleving. Willen we dat? Wat wilt u? MARX: Minder mensen met een uitkering en zeker minder met een voltijdse uitkering, maar wél een hogere uitkering. Waarom telt Nederland veel minder armen dan België? Het grote verschil zit bij de niet-werkenden. Zij krijgen in Nederland een veel adequatere uitkering, omdat het daar ook over een kleinere groep gaat. En waarom is dat bij onze noorderburen een kleinere groep? Omdat daar veel meer mensen deeltijds en tegen een laag loon werken. En toch heeft Nederland ongeveer hetzelfde niveau van werkende armen als België. Maar als je daarover bij ons begint, krijg je onmiddellijk te maken met het discours van de sociale partners die beginnen te roepen dat het geen volwaardige banen zijn. En zo blijven we vastzitten in een heel ouderwets, achterhaald loopbaanconcept: alleen een voltijdse, stabiele baan is een volwaardige job. Gevolg is wel dat heel veel mensen bij ons van een uitkering moeten rondkomen. Als we niet bereid zijn om daar iets aan te doen, zullen nog meer mensen in de armoede worden geduwd. Herverdelen we wel goed als 15 procent van onze bevolking nog steeds in armoede leeft? Je zou de vermogens zwaarder kunnen belasten en de multinationals dwingen hun fair deel aan belastingen te betalen. MARX: Vermogens worden in België al behoorlijk belast. We hebben de onroerende en roerende voorheffing, successierechten en registratierechten. Maar dat zijn transactiebelastingen die - laten we eerlijk zijn - vooral de middenklasse treffen. Tegelijkertijd worden huurinkomsten niet belast en dat is een bonus voor diezelfde middenklasse. Maar de perceptie dat de échte rijken, de grote bedrijven en de multinationals de dans ontspringen, is ongetwijfeld juist. We kennen geen meerwaardebelastingen zoals andere landen. Dat is ook een kritiek op België van de OESO, toch geen linkse denktank. We hebben nu wel de effectentaks, maar dat is een homeopathische belasting in vergelijking met de belastingen op arbeid en consumptie. Heeft armoede alleen te maken met het inkomen? MARX: Armoede gaat niet alleen over het inkomen op zich, maar ook over wat mensen met dat inkomen kunnen doen. En vandaag kunnen arme mensen veel minder doen met hun geld dan vroeger. De huurprijzen zijn harder gestegen dan de inflatie en dus dan hun uitkeringen. Het is heel moeilijk om nog behoorlijke woningen te vinden die betaalbaar zijn. De armoede bij steuntrekkers is aantoonbaar toegenomen in vergelijking met twintig jaar geleden. De situatie van die mensen is in ons land echt heel penibel geworden, een welvaartsstaat onwaardig. Zal de armoede ooit verdwijnen uit België, of moeten we er mee leren leven? MARX: Armoede zal binnen afzienbare tijd niet verdwijnen. Niet omdat het niet kan, wel omdat we het niet willen.