Is falend geschiedenisonderwijs de verklaring voor de onwetendheid over ons koloniale verleden? De aanklacht is niet nieuw. Leerlingen krijgen nauwelijks iets te horen over de manier waarop koning Leopold II beslag kon leggen op een gebied in het hart van Afrika dat 80 keer groter was dan zijn eigen koninkrijk. Laat staan dat ze worden bijgepraat over uitbuiting en racisme in Belgisch Congo, of over de chaotische manier waarop de dekolonisatie verliep.

Maar klopt dat wel? Het hangt af van de generatie, zo valt te concluderen uit onderzoek van Karel Van Nieuwenhuyse, docent geschiedenisdidactiek aan de KU Leuven en voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Leraren Geschiedenis (VVLG). Wie tussen 1960 en 1990 van de middelbare school afzwaaide, heeft wellicht weinig of helemaal niets over Belgisch Congo opgestoken. 'Na de Congolese onafhankelijkheid is een soort koloniale amnesie over het onderwijs neergedaald', zegt Van Nieuwenhuyse. 'Dat was een breuk met het verleden, want tussen 1945 en 1960 was er juist veel aandacht voor. Congo viel in de leerboeken gewoon onder de vaderlandse geschiedenis. Het werd niet als een voorbeeld van kolonialisme maar als een tiende provincie beschouwd.'

Kinderen worden nog altijd doordrongen van een eurocentrisch superioriteitsdenken

Vanaf de jaren negentig keerde het tij. De aanzwellende controverse over de wantoestanden in Congo Vrijstaat, aangedreven door historici zoals Jules Marchal, Daniël Vangroenweghe en Adam Hochschild, sijpelde door in het geschiedenisonderwijs.

Aanvankelijk bleef de kritische aandacht beperkt tot de verre koloniale geschiedenis, maar vanaf de jaren 2000 werd ook steeds vaker over de chaotische dekolonisatie gesproken. Opnieuw was een ophefmakend boek, Ludo De Wittes De moord op Lumumba, de katalysator.

In die periode deden de 'eindtermen' hun intrede in het Vlaamse onderwijs, de in 1997 door het Vlaams Parlement goedgekeurde doelstellingen die leerlingen bij het verlaten van de lagere school en per graad van het secundaire onderwijs moeten bereiken. Begrippen zoals 'Belgisch Congo' of 'dekolonisatie' komen niet voor in de eindterm geschiedenis voor de derde graad. 'Een bewuste keuze', zegt Van Nieuwenhuyse. 'De eindterm geschiedenis bevat algemene principes, maar geen leerinhouden. Het is aan de verschillende netten om die via leerplannen en de bijbehorende leerboeken in te vullen. Maar ook daarin worden alleen de grote lijnen uitgetekend. Vooral in het katholieke net laten ze de leraren geschiedenis veel vrijheid.'

Maar het koloniale verleden doodzwijgen? Dat is volgens Van Nieuwenhuyse niet meer mogelijk. 'Congo Vrijstaat en de moord op Patrice Lumumba behoren in de A-stroom (de brede eerste graad, nvdr.) tot het vaste repertoire. Toch valt er nog veel winst te boeken. We missen nog altijd een postkoloniale blik. De geschiedenis van Congo wordt door een blanke, eurocentrische bril bekeken, waarbij de Congolezen tot passieve slachtoffers worden gereduceerd. Dat er verzet werd geboden tegen het koloniale imperialisme, of dat Congo net zoals andere Afrikaanse landen een prekoloniale beschaving kende, daar horen leerlingen nog altijd niets over. Net zomin als over de impact van het kolonialisme op Congo na 1960. Zo worden leerlingen nog altijd doordrongen van een eurocentrisch superioriteitsdenken. Dat is een probleem, zeker nu onze klassen steeds diverser worden, met een groeiend aantal leerlingen met een migratieachtergrond in voormalige kolonies.'

Is falend geschiedenisonderwijs de verklaring voor de onwetendheid over ons koloniale verleden? De aanklacht is niet nieuw. Leerlingen krijgen nauwelijks iets te horen over de manier waarop koning Leopold II beslag kon leggen op een gebied in het hart van Afrika dat 80 keer groter was dan zijn eigen koninkrijk. Laat staan dat ze worden bijgepraat over uitbuiting en racisme in Belgisch Congo, of over de chaotische manier waarop de dekolonisatie verliep.Maar klopt dat wel? Het hangt af van de generatie, zo valt te concluderen uit onderzoek van Karel Van Nieuwenhuyse, docent geschiedenisdidactiek aan de KU Leuven en voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Leraren Geschiedenis (VVLG). Wie tussen 1960 en 1990 van de middelbare school afzwaaide, heeft wellicht weinig of helemaal niets over Belgisch Congo opgestoken. 'Na de Congolese onafhankelijkheid is een soort koloniale amnesie over het onderwijs neergedaald', zegt Van Nieuwenhuyse. 'Dat was een breuk met het verleden, want tussen 1945 en 1960 was er juist veel aandacht voor. Congo viel in de leerboeken gewoon onder de vaderlandse geschiedenis. Het werd niet als een voorbeeld van kolonialisme maar als een tiende provincie beschouwd.'Vanaf de jaren negentig keerde het tij. De aanzwellende controverse over de wantoestanden in Congo Vrijstaat, aangedreven door historici zoals Jules Marchal, Daniël Vangroenweghe en Adam Hochschild, sijpelde door in het geschiedenisonderwijs.Aanvankelijk bleef de kritische aandacht beperkt tot de verre koloniale geschiedenis, maar vanaf de jaren 2000 werd ook steeds vaker over de chaotische dekolonisatie gesproken. Opnieuw was een ophefmakend boek, Ludo De Wittes De moord op Lumumba, de katalysator.In die periode deden de 'eindtermen' hun intrede in het Vlaamse onderwijs, de in 1997 door het Vlaams Parlement goedgekeurde doelstellingen die leerlingen bij het verlaten van de lagere school en per graad van het secundaire onderwijs moeten bereiken. Begrippen zoals 'Belgisch Congo' of 'dekolonisatie' komen niet voor in de eindterm geschiedenis voor de derde graad. 'Een bewuste keuze', zegt Van Nieuwenhuyse. 'De eindterm geschiedenis bevat algemene principes, maar geen leerinhouden. Het is aan de verschillende netten om die via leerplannen en de bijbehorende leerboeken in te vullen. Maar ook daarin worden alleen de grote lijnen uitgetekend. Vooral in het katholieke net laten ze de leraren geschiedenis veel vrijheid.'Maar het koloniale verleden doodzwijgen? Dat is volgens Van Nieuwenhuyse niet meer mogelijk. 'Congo Vrijstaat en de moord op Patrice Lumumba behoren in de A-stroom (de brede eerste graad, nvdr.) tot het vaste repertoire. Toch valt er nog veel winst te boeken. We missen nog altijd een postkoloniale blik. De geschiedenis van Congo wordt door een blanke, eurocentrische bril bekeken, waarbij de Congolezen tot passieve slachtoffers worden gereduceerd. Dat er verzet werd geboden tegen het koloniale imperialisme, of dat Congo net zoals andere Afrikaanse landen een prekoloniale beschaving kende, daar horen leerlingen nog altijd niets over. Net zomin als over de impact van het kolonialisme op Congo na 1960. Zo worden leerlingen nog altijd doordrongen van een eurocentrisch superioriteitsdenken. Dat is een probleem, zeker nu onze klassen steeds diverser worden, met een groeiend aantal leerlingen met een migratieachtergrond in voormalige kolonies.'