Eind juni, nog voor er sprake is van een tweede golf, flakkeren verspreid in Europa nieuwe coronahaarden op. In Spanje, Italië, Engeland, Duitsland. In ons land wordt druk gepraat over reiswaarschuwingen en over quarantaine voor vakantiegangers die zullen terugkomen uit de getroffen gebieden. Wat aan de aandacht ontsnapt, is dat het gaat om virushaarden op plekken waar de werk- en woonomstandigheden ellendig zijn. Plekken in Europa waar de moderne slavernij welig tiert.

In tochtige kelders in het Britse Leicester bijvoorbeeld. Daar moeten arbeidsmigranten voor minder dan 4 euro per uur stukken in elkaar zetten in een van de honderden naaiateliers waar samen tienduizend mensen labeuren, vaak in erbarmelijke omstandigheden. Waar de onderaannemers de lockdown aan hun laars lappen en zieke arbeidsters verplichten te komen werken op straffe van ontslag. En waar het moederbedrijf, de fast fashion-internetketen Boohoo, intussen de handen in onschuld wast.

Is het vreemd dat het virus woekert waar woon- en werkomstandigheden zo ellendig zijn?

Of in grauwe achterhuizen zoals die van het Italiaanse plaatsje Viadana, in de Povlakte, waar honderden arbeiders van slachthuizen en charcuteriebedrijven samengepakt zitten. Of bij landarbeiders die als beesten moeten samenhokken in stallen zonder licht, zonder stromend water, vol muggen, in de stank. Zoals in het Catalaanse plaatsje Aitona bij Lleida, waar duizenden en duizenden perzikbomen op de pluk wachten.

Zoveel onzichtbare mensen die zich afpeigeren in ellenlange werkdagen. In de woonkazernes, de confectieateliers, op het land, in de bouw. Hun weerstand is aangetast. De nodige afstand is er niet. Opeengepakt zijn ze, in nauwe werkbusjes of op hun matrassen in de slaapplaatsen. Het zijn de grauwe omstandigheden die de nieuwe pandemie voeden. Klassen-omstandigheden waar niemand over praat, behalve als het virus ook een ruimere regio bedreigt.

'Dit virus heeft onze samenleving een spiegel voorgehouden. Het heeft ons de ongelijkheden en onrechtvaardigheden laten zien. We wisten allemaal dat ze er waren, maar we hadden ze de rug toegekeerd. We moeten de herinnering aan deze pandemie gebruiken als een aansporing om te zoeken naar de waarheid.' Dat zegt Richard Horton, de hoofdredacteur van het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet. 'De waarheid is dat de meeste van de tienduizenden overlijdens te voorkomen waren. Dat is een afschuwelijke wonde die we niet mogen negeren.'

Op een zaterdag in juni trekt een hoogzwangere vrouw naar het ziekenhuis in Sessa Aurunca, ergens tussen Rome en Napels, om er te bevallen. Ze brengt een jongen ter wereld, gezond en wel. Maar de vrouw test coronapositief, al vertoont ze geen symptomen. Ze is een landarbeidster van Bulgaarse komaf. Ze werkt in de tomatenpluk en is gehuisvest in de Cirio-wijk in het nabijgelegen kuststadje Mondragone, een wijk met vijf afgeleefde appartementsgebouwen, elf etages hoog. Die dienen als slaapplek, 'dormitorium', voor 700 seizoenarbeiders, mensen uit Bulgarije, Roemenië, Polen, Moldavië. Diezelfde zaterdag wordt in het ziekenhuis van Sessa Aurunca nog een andere man uit de Cirio-wijk positief getest. De alarmen gaan af. De wijk gaat hermetisch op slot. Iedereen wordt getest. 43 mensen zijn positief.

Het zijn seizoenarbeiders die bij het begin van het oogstseizoen komen werken op de tomaten-, sperziebonen- en meloenvelden in het achterland van Mondragone. De meesten komen uit Bulgarije. Niemand anders wil voor een hongerloon de godganse dag gebukt in de blakende zon staan. 'De hele landbouwsector in deze provincie Caserta draait op buitenlandse arbeidskrachten', zegt vakbondsman Tammaro Della Corte. 'Ze werken tot twaalf uren per dag in de velden, voor 30 à 40 euro per dag, de vrouwen voor nog minder. Daarvan gaat 5 euro naar hun koppelbaas. Ook het geld van het drinkflesje en het middagbroodje gaat eraf. 's Ochtends om 4 uur halen de koppelbazen hen op aan de rotondes en brengen hen naar het platteland. Soms worden ze met 16 mensen in een negenpersoonsbusje gepropt, ook in de coronacrisis.'

Die landarbeiders zorgen ervoor dat de tomaten, sperziebonen en meloenen op onze tafels komen. Zij staan letterlijk onderaan de voedselketen. Vergeten helden in vergeten velden. En als ze opstaan voor hun rechten, is extreemrechts er als de kippen bij om verdeeldheid te zaaien. 'Het virus komt van de Roma uit Bulgarije', roept Italiaans extreemrechts op de sociale media over die van Mondragone. Matteo Salvini van de extreemrechtse Lega gaat er provoceren en 'zijn gal spuwen op de gastarbeiders die daar verblijven', schrijft auteur Roberto Saviano. Over de leef- en arbeidsomstandigheden van deze moderne slaven zwijgt extreemrechts in alle talen. Het is de schuld van 'de buitenlanders'. Zo zetten ze het ene deel van de werkende klasse op tegen het andere deel. De grootgrondbezitters en de agroconcerns lachen intussen in hun vuist.

1656 kilometer noordwaarts in Gütersloh, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, klinkt het net zo: 'Het virus komt uit Bulgarije.' Daar is het slachthuis Tönnies Fleisch neergepoot, het grootste van Europa. Het kan met zijn zevenduizend arbeiders tot 30.000 varkens verwerken - per dag! Discountreuzen zoals Lidl en Aldi leggen dumpingprijzen op. Om hun schnitzels goedkoop te houden, maar vooral om woekerwinsten te scheppen. Hun eigenaars zijn ondertussen miljardairs geworden, net als meneer Tönnies zelf, de varkensmagnaat van 2 miljard euro. De boer, aan het begin van de keten, is slachtoffer. Ofwel gaat hij kopje-onder, ofwel wordt hij verplicht mee te stappen in de industriële massaproductie van vlees.

Bij Tönnies Fleisch test half juni vier vijfde van de arbeiders coronapositief. De meesten van hen komen uit Roemenië en Bulgarije. 'Aan dat helse slachtritme kan je niet veel afstandsregels of hygiëne verwachten', zegt een man van de voedingsvakbond. De arbeiders van Tönnies werken zes dagen per week, in shifts van elf uur, voor een miezerig minimuminkomen. Officieel werken ze niet voor Tönnies. Ze werken als 'zelfstandige subondernemers' voor onderaannemers die hen in Polen, Roemenië of Bulgarije zijn gaan ronselen en met wie ze een werkcontract hebben getekend. Vrijwel alle 7000 arbeiders bij Tönnies werken voor die onderaannemingen, 25 zijn het er. De slachthuis-cascade.

Bij hun contract hoort dikwijls ook een huurclausule. Maar dat is geen cadeau. Voor een schamel stapelbed in overbevolkte huizenblokken worden hoge sommen van hun wedde afgehouden. En zo zijn ze ook nog eens extra kwetsbaar. Als ze hun mond openen, riskeren ze ook hun onderdak te verliezen. Onverwachte overuren zijn legio bij Tönnies, net als de onbetaalde uren. Vakbondsmensen worden bedreigd, arbeidsongevallen worden door Roemeense dokters hertaald tot 'ongevallen in de private sfeer'. Na een paar jaren, wanneer hun gezondheid ondermijnd is, worden de 'subondernemers' door de onderaannemers vervangen.

Het is geen toeval dat precies in de slachthuizen honderden mensen besmet geraken. In het discours van de Europese Unie wordt het vrij verkeer van werknemers als opperste vorm van vrijheid bezongen. Maar in de echte wereld leeft een leger van Bulgaren, Roemenen en Polen een slavenbestaan. Uitgebuit en uitgeput pendelen ze tussen werk en kazematten. In die echte wereld is arbeidsveiligheid een exotisch woord en zijn ondernemingsraden en preventiecomités uitzonderingen. Is het dan vreemd dat het virus daar zo woekert?

Door het schaamteloze winstbejag van vleesbaron Tönnies moet de hele buurt in nauwelijks een paar maanden voor een tweede keer in lockdown. Bedrijf dicht. Scholen dicht. Winkels dicht. Woonblokken dicht. Tienduizenden mensen beroofd van hun bewegingsvrijheid. Maar schaamte staat niet in het woordenboek van de varkensmagnaat. Miljardair Tönnies eist dat de staat bijspringt. De overheid moet volgens hem de economische werkloosheid van zijn fabrieksarbeiders uitbetalen. En zijn slachtparadijs moet snel weer open. Clemens Tönnies financiert, Clemens Tönnies doneert, Clemens Tönnies dicteert.

Tönnies heeft contacten in zowat alle partijen, en leren zetels om die contacten te ontmoeten. De glimzwarte zetels staan in de loges van zijn voetbalclub, Schalke 04. Als bijberoep is hij al jarenlang voorzitter van de club. Daar ontmoet hij bijvoorbeeld Armin Laschet, de conservatieve minister- president van Noordrijn-Westfalen. Bij de nieuwe uitbraak van covid-19 laat Laschet zich ontvallen dat het virus wellicht 'uit Bulgarije' is teruggekomen. Het Bulgaarse virus! Zo worden in de fabriek mensen tegen elkaar opgezet, en dat komt de vleeskoning aan de top goed uit.

Op Twitter kolkt de woede: 'Dat bedrijf had al veel eerder moeten ophouden met die misselijkmakende arbeidspraktijken.' Ook de Schalke-supporters hebben er schoon genoeg van. Op 29 juni vormen ze een lange mensenketting met spandoeken en protestborden rondom de velden van de voetbalvereniging. Voorzitter Clemens Tönnies, die al onder vuur ligt wegens zijn racistische uitlatingen, moet weg. 's Anderendaags is hij voorzitter af.

'Laag-bij-de-gronds vind ik het dat de heren Tönnies en Laschet nu de schuld geven aan de gastarbeiders. De verschrikkelijke toestanden in Duitse slachthuizen zijn al jaren bekend.' Sahra Wagenknecht is boos. Zij is afgevaardigde voor Die Linke in de Duitse Bundestag. 'Twintig jaar lang hebben de federale overheden de loondumping, de werkcontracten en de gunningen aan de onderaannemers georganiseerd', zegt ze. 'Zo hebben we Duitse slachthuizen gekregen waar de arbeiders nauwelijks beter behandeld worden dan het vee dat zij moeten verwerken.' Ondanks de pogingen van extreemrechts om het debat te kapen en naar racisme af te buigen, gaat de discussie in Duitsland over de werkomstandigheden en de sociale mistoestanden. Dat is essentieel, en het is hoopvol.

/
© /
Eind juni, nog voor er sprake is van een tweede golf, flakkeren verspreid in Europa nieuwe coronahaarden op. In Spanje, Italië, Engeland, Duitsland. In ons land wordt druk gepraat over reiswaarschuwingen en over quarantaine voor vakantiegangers die zullen terugkomen uit de getroffen gebieden. Wat aan de aandacht ontsnapt, is dat het gaat om virushaarden op plekken waar de werk- en woonomstandigheden ellendig zijn. Plekken in Europa waar de moderne slavernij welig tiert. In tochtige kelders in het Britse Leicester bijvoorbeeld. Daar moeten arbeidsmigranten voor minder dan 4 euro per uur stukken in elkaar zetten in een van de honderden naaiateliers waar samen tienduizend mensen labeuren, vaak in erbarmelijke omstandigheden. Waar de onderaannemers de lockdown aan hun laars lappen en zieke arbeidsters verplichten te komen werken op straffe van ontslag. En waar het moederbedrijf, de fast fashion-internetketen Boohoo, intussen de handen in onschuld wast. Of in grauwe achterhuizen zoals die van het Italiaanse plaatsje Viadana, in de Povlakte, waar honderden arbeiders van slachthuizen en charcuteriebedrijven samengepakt zitten. Of bij landarbeiders die als beesten moeten samenhokken in stallen zonder licht, zonder stromend water, vol muggen, in de stank. Zoals in het Catalaanse plaatsje Aitona bij Lleida, waar duizenden en duizenden perzikbomen op de pluk wachten. Zoveel onzichtbare mensen die zich afpeigeren in ellenlange werkdagen. In de woonkazernes, de confectieateliers, op het land, in de bouw. Hun weerstand is aangetast. De nodige afstand is er niet. Opeengepakt zijn ze, in nauwe werkbusjes of op hun matrassen in de slaapplaatsen. Het zijn de grauwe omstandigheden die de nieuwe pandemie voeden. Klassen-omstandigheden waar niemand over praat, behalve als het virus ook een ruimere regio bedreigt. 'Dit virus heeft onze samenleving een spiegel voorgehouden. Het heeft ons de ongelijkheden en onrechtvaardigheden laten zien. We wisten allemaal dat ze er waren, maar we hadden ze de rug toegekeerd. We moeten de herinnering aan deze pandemie gebruiken als een aansporing om te zoeken naar de waarheid.' Dat zegt Richard Horton, de hoofdredacteur van het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet. 'De waarheid is dat de meeste van de tienduizenden overlijdens te voorkomen waren. Dat is een afschuwelijke wonde die we niet mogen negeren.'Op een zaterdag in juni trekt een hoogzwangere vrouw naar het ziekenhuis in Sessa Aurunca, ergens tussen Rome en Napels, om er te bevallen. Ze brengt een jongen ter wereld, gezond en wel. Maar de vrouw test coronapositief, al vertoont ze geen symptomen. Ze is een landarbeidster van Bulgaarse komaf. Ze werkt in de tomatenpluk en is gehuisvest in de Cirio-wijk in het nabijgelegen kuststadje Mondragone, een wijk met vijf afgeleefde appartementsgebouwen, elf etages hoog. Die dienen als slaapplek, 'dormitorium', voor 700 seizoenarbeiders, mensen uit Bulgarije, Roemenië, Polen, Moldavië. Diezelfde zaterdag wordt in het ziekenhuis van Sessa Aurunca nog een andere man uit de Cirio-wijk positief getest. De alarmen gaan af. De wijk gaat hermetisch op slot. Iedereen wordt getest. 43 mensen zijn positief. Het zijn seizoenarbeiders die bij het begin van het oogstseizoen komen werken op de tomaten-, sperziebonen- en meloenvelden in het achterland van Mondragone. De meesten komen uit Bulgarije. Niemand anders wil voor een hongerloon de godganse dag gebukt in de blakende zon staan. 'De hele landbouwsector in deze provincie Caserta draait op buitenlandse arbeidskrachten', zegt vakbondsman Tammaro Della Corte. 'Ze werken tot twaalf uren per dag in de velden, voor 30 à 40 euro per dag, de vrouwen voor nog minder. Daarvan gaat 5 euro naar hun koppelbaas. Ook het geld van het drinkflesje en het middagbroodje gaat eraf. 's Ochtends om 4 uur halen de koppelbazen hen op aan de rotondes en brengen hen naar het platteland. Soms worden ze met 16 mensen in een negenpersoonsbusje gepropt, ook in de coronacrisis.' Die landarbeiders zorgen ervoor dat de tomaten, sperziebonen en meloenen op onze tafels komen. Zij staan letterlijk onderaan de voedselketen. Vergeten helden in vergeten velden. En als ze opstaan voor hun rechten, is extreemrechts er als de kippen bij om verdeeldheid te zaaien. 'Het virus komt van de Roma uit Bulgarije', roept Italiaans extreemrechts op de sociale media over die van Mondragone. Matteo Salvini van de extreemrechtse Lega gaat er provoceren en 'zijn gal spuwen op de gastarbeiders die daar verblijven', schrijft auteur Roberto Saviano. Over de leef- en arbeidsomstandigheden van deze moderne slaven zwijgt extreemrechts in alle talen. Het is de schuld van 'de buitenlanders'. Zo zetten ze het ene deel van de werkende klasse op tegen het andere deel. De grootgrondbezitters en de agroconcerns lachen intussen in hun vuist.1656 kilometer noordwaarts in Gütersloh, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, klinkt het net zo: 'Het virus komt uit Bulgarije.' Daar is het slachthuis Tönnies Fleisch neergepoot, het grootste van Europa. Het kan met zijn zevenduizend arbeiders tot 30.000 varkens verwerken - per dag! Discountreuzen zoals Lidl en Aldi leggen dumpingprijzen op. Om hun schnitzels goedkoop te houden, maar vooral om woekerwinsten te scheppen. Hun eigenaars zijn ondertussen miljardairs geworden, net als meneer Tönnies zelf, de varkensmagnaat van 2 miljard euro. De boer, aan het begin van de keten, is slachtoffer. Ofwel gaat hij kopje-onder, ofwel wordt hij verplicht mee te stappen in de industriële massaproductie van vlees.Bij Tönnies Fleisch test half juni vier vijfde van de arbeiders coronapositief. De meesten van hen komen uit Roemenië en Bulgarije. 'Aan dat helse slachtritme kan je niet veel afstandsregels of hygiëne verwachten', zegt een man van de voedingsvakbond. De arbeiders van Tönnies werken zes dagen per week, in shifts van elf uur, voor een miezerig minimuminkomen. Officieel werken ze niet voor Tönnies. Ze werken als 'zelfstandige subondernemers' voor onderaannemers die hen in Polen, Roemenië of Bulgarije zijn gaan ronselen en met wie ze een werkcontract hebben getekend. Vrijwel alle 7000 arbeiders bij Tönnies werken voor die onderaannemingen, 25 zijn het er. De slachthuis-cascade. Bij hun contract hoort dikwijls ook een huurclausule. Maar dat is geen cadeau. Voor een schamel stapelbed in overbevolkte huizenblokken worden hoge sommen van hun wedde afgehouden. En zo zijn ze ook nog eens extra kwetsbaar. Als ze hun mond openen, riskeren ze ook hun onderdak te verliezen. Onverwachte overuren zijn legio bij Tönnies, net als de onbetaalde uren. Vakbondsmensen worden bedreigd, arbeidsongevallen worden door Roemeense dokters hertaald tot 'ongevallen in de private sfeer'. Na een paar jaren, wanneer hun gezondheid ondermijnd is, worden de 'subondernemers' door de onderaannemers vervangen. Het is geen toeval dat precies in de slachthuizen honderden mensen besmet geraken. In het discours van de Europese Unie wordt het vrij verkeer van werknemers als opperste vorm van vrijheid bezongen. Maar in de echte wereld leeft een leger van Bulgaren, Roemenen en Polen een slavenbestaan. Uitgebuit en uitgeput pendelen ze tussen werk en kazematten. In die echte wereld is arbeidsveiligheid een exotisch woord en zijn ondernemingsraden en preventiecomités uitzonderingen. Is het dan vreemd dat het virus daar zo woekert? Door het schaamteloze winstbejag van vleesbaron Tönnies moet de hele buurt in nauwelijks een paar maanden voor een tweede keer in lockdown. Bedrijf dicht. Scholen dicht. Winkels dicht. Woonblokken dicht. Tienduizenden mensen beroofd van hun bewegingsvrijheid. Maar schaamte staat niet in het woordenboek van de varkensmagnaat. Miljardair Tönnies eist dat de staat bijspringt. De overheid moet volgens hem de economische werkloosheid van zijn fabrieksarbeiders uitbetalen. En zijn slachtparadijs moet snel weer open. Clemens Tönnies financiert, Clemens Tönnies doneert, Clemens Tönnies dicteert. Tönnies heeft contacten in zowat alle partijen, en leren zetels om die contacten te ontmoeten. De glimzwarte zetels staan in de loges van zijn voetbalclub, Schalke 04. Als bijberoep is hij al jarenlang voorzitter van de club. Daar ontmoet hij bijvoorbeeld Armin Laschet, de conservatieve minister- president van Noordrijn-Westfalen. Bij de nieuwe uitbraak van covid-19 laat Laschet zich ontvallen dat het virus wellicht 'uit Bulgarije' is teruggekomen. Het Bulgaarse virus! Zo worden in de fabriek mensen tegen elkaar opgezet, en dat komt de vleeskoning aan de top goed uit.Op Twitter kolkt de woede: 'Dat bedrijf had al veel eerder moeten ophouden met die misselijkmakende arbeidspraktijken.' Ook de Schalke-supporters hebben er schoon genoeg van. Op 29 juni vormen ze een lange mensenketting met spandoeken en protestborden rondom de velden van de voetbalvereniging. Voorzitter Clemens Tönnies, die al onder vuur ligt wegens zijn racistische uitlatingen, moet weg. 's Anderendaags is hij voorzitter af. 'Laag-bij-de-gronds vind ik het dat de heren Tönnies en Laschet nu de schuld geven aan de gastarbeiders. De verschrikkelijke toestanden in Duitse slachthuizen zijn al jaren bekend.' Sahra Wagenknecht is boos. Zij is afgevaardigde voor Die Linke in de Duitse Bundestag. 'Twintig jaar lang hebben de federale overheden de loondumping, de werkcontracten en de gunningen aan de onderaannemers georganiseerd', zegt ze. 'Zo hebben we Duitse slachthuizen gekregen waar de arbeiders nauwelijks beter behandeld worden dan het vee dat zij moeten verwerken.' Ondanks de pogingen van extreemrechts om het debat te kapen en naar racisme af te buigen, gaat de discussie in Duitsland over de werkomstandigheden en de sociale mistoestanden. Dat is essentieel, en het is hoopvol.