Je hebt voetbalsupporters, je hebt fanatiekelingen en dan heb je Philippe Jacob, bijgenaamd Bomber. Terwijl hij het Stade Robert Urbain in Boussu-Bois binnenstapt, met zijn pet en trui van Royal Francs Borains, vertelt Jacob dat hij jaren geleden van het naburige Wasmes hierheen is verhuisd om dichter bij de club van zijn hart te wonen. En omdat zijn toenmalige vrouw de verhuizing niet zag zitten, is hij nu met een andere vrouw samen. 'Francs Borains is de grootste liefde in mijn leven', zegt hij. 'Al de rest moet wijken.'
...

Je hebt voetbalsupporters, je hebt fanatiekelingen en dan heb je Philippe Jacob, bijgenaamd Bomber. Terwijl hij het Stade Robert Urbain in Boussu-Bois binnenstapt, met zijn pet en trui van Royal Francs Borains, vertelt Jacob dat hij jaren geleden van het naburige Wasmes hierheen is verhuisd om dichter bij de club van zijn hart te wonen. En omdat zijn toenmalige vrouw de verhuizing niet zag zitten, is hij nu met een andere vrouw samen. 'Francs Borains is de grootste liefde in mijn leven', zegt hij. 'Al de rest moet wijken.' Al van jongs af aan is Jacob supporter van de plaatselijke voetbalclub, ook al is die sindsdien meermaals van naam en kleur veranderd. Zijn grootvader, die zijn hele leven in de mijnen werkte en aan stoflong stierf, nam hem mee naar het stadion en daar sloeg de vonk onvermijdelijk over: de camaraderie onder de supporters, het samen zingen en juichen, het vergeten van het harde leven onder de grond of in de fabriek. 'Mijn mooiste moment? De halve finale van de Beker van België tegen Cercle Brugge, in 1986. Met tientallen bussen zijn we toen naar Brugge getrokken. De hele streek stond op stelten. Het was mythisch.' Vijfendertig jaar later mag Jacob opnieuw beginnen te dromen. Want ondanks de coronacrisis was 2020 voor Francs Borains een voorspoedig jaar: de club promoveerde van de tweede naar de eerste amateurklasse, het vroegere derde nationale, en met MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez kwam er een nieuwe, razend ambitieuze baas aan het roer. 'Binnen de vijf jaar spelen we in 1A', zei Bouchez bij zijn aanstelling in april, terwijl door de boxen van het Stade Robert Urbain We Are the Champions schalde. 'Ik heb mijn hele jeugd doorgebracht in de Borinage. Dit is een eer voor mij.' De Vlaamse voetbalfans reageerden afwachtend, honend soms: wie al wist waar de Borinage ligt, tussen Bergen en de Franse grens dus, geloofde niet dat er in dit land van steenbergen en werkloosheid een nieuwe eersteklasser kon opstaan. Maar het hart van Jacob maakte een sprongetje en ook Dante Brogno, een voetbalicoon in Henegouwen en de huidige trainer van Francs Borains, is enthousiast. 'Sinds meneer Bouchez voorzitter is, waait er een nieuwe wind door de club', vertelde Brogno vooraf aan de telefoon. 'Er is een nieuwe energie ontstaan, dat voel je aan alles. Des te spijtiger dat we net nu une saison blanche, een seizoen zonder klassement, moeten doormaken. We waren met een overwinning aan het seizoen begonnen, de ploeg draaide goed, we hadden kunnen meestrijden voor promotie naar 1B.' Tien bij vijftien kilometer, veel groter is de Borinage niet. In de negentiende eeuw werd het landschap van bossen en velden ingrijpend hertekend: in dorpjes als Boussu, Wasmes, Pâturages en Dour verrezen mijntorens, schoorstenen, staal- en glasfabrieken. 'Dit verminkte, bijna uitgewiste landschap was het speelveld van een brutaal, nietsontziend kapitalisme', schrijft Pascal Verbeken in Duistere wegen - Reis naar Vincent van Gogh in de Borinage. 'In de gouden negentiende eeuw, die België opstuwde tot derde industriële natie ter wereld, was een mijnwerker minder waard dan een pikhouweel. (...) Niet toevallig werden uitgerekend deze vierkante kilometers de bakermat van het Belgische syndicalisme en socialisme, die later school zouden maken op het Europese continent.' Vandaag is de misère door recreatie vervangen. Spoorwegen zijn nu fietspaden, steenbergen speeltuinen voor de lokale jeugd - met hun trekbommetjes en hun crossmotoren. De streek oogt verloederd, de werkloosheid blijft hoog en ook de sport brengt weinig troost. 'We bestaan nog', lacht Philippe Jacob. 'In vergelijking met veel andere ploegen uit de streek is dat al heel wat. Maar het leven is hard. Al helemaal zonder voetbal, zoals het afgelopen jaar.' De hoogdagen van RAEC Mons, begin deze eeuw een vaste waarde in de hoogste voetbalklasse, en voormalig bekerwinnaar RAA La Louviéroise, uit het verderop gelegen La Louvière, behoren al een tijdje tot het verleden. Het terrein ligt braak. 'De Borinage is dé slapende voetbalregio van het land', zegt Trudo Dejonghe, sporteconoom aan de KU Leuven, aan de telefoon. 'Het is wachten tot ze ontwaakt.' Dejonghe volgt de club al lang en kent de regio goed. Voetbal zou voor samenhorigheid kunnen zorgen, gelooft hij, het zou de uitzichtloosheid van het Boreinse bestaan kunnen doorbreken. Zoals in Manchester en Dortmund is gebeurd: een sportieve reus op de ruïnes van de oude industrie. 'Francs Borains zou een tweede Racing Genk kunnen zijn, een fusieclub met zijn wortels in de vervallen mijnindustrie en veel supporters uit de migrantenwijken', zegt Dejonghe. 'Het is cru gezegd, maar de beste voetballers komen niet uit de rijkere milieus. Het is op de pleintjes dat je leert voetballen. In de Borinage moet er dus veel jong talent rondlopen.' Philippe Jacob kan erover meespreken. Hij heeft Marouane Fellaini nog in het truitje van zijn droomclub zien voetballen, bij de scholieren was dat. Impressionant, zegt hij. 'Maar een jaar later is Charleroi hem komen halen, zoals het hier helaas wel vaker gaat.' Niet te voet, maar in een glanzende zwarte auto komt nu ook Georges-Luis Bouchez het Stade Robert Urbain binnen. Met zijn bekende zwier en een zweem van parfum geeft hij Philippe Jacob een elleboogje. 'GLB' staat er op de borst van zijn trainingsjas gedrukt. 'Het gaat allemaal snel vooruit', zegt Bouchez terwijl hij de trap naar de hoofdtribune oploopt. 'We gaan de loges renoveren, de verlichting versterken en vergroenen, waar het nodig is de andere tribunes aanpakken en tegelijk de jeugdwerking uitbreiden. De coronacrisis heeft alles wat vertraagd, maar ons doel blijft hetzelfde: binnen de vijf seizoenen willen we in 1A spelen.' Het stappenplan ligt klaar. Bouchez wil investeren in de infrastructuur, elk jaar betere spelers aantrekken en zo opnieuw le club phare, dé club van de streek worden. 'Er zijn sinds mijn komst al sponsors bij gekomen, een bouwbedrijf onder meer, en de onderhandelingen met andere geïnteresseerden zijn bezig. Op dit moment zijn we al de grootste club van de Borinage. Dat moeten we verder uitbouwen. Al het geld en alle energie moeten we in één grote club kanaliseren, niet in vier of vijf kleintjes.' Zijn droom overstijgt het sportieve, gaat Bouchez verder. Hij wil via de club de economie aanzwengelen en de jeugd weer hoop geven, le nouveau Francs Borains heeft ook sociaal-maatschappelijke ambities. Philippe Jacob luistert aandachtig mee. In gedachten ziet hij Francs Borains ongetwijfeld al aanknopen met de gouden jaren, toen wedstrijden tussen lokale voetbalclubs duizenden supporters naar het stadion lokten. Italiaanse, Poolse, Marokkaanse of Portugese migranten verwierven dankzij het voetbal een gunstige positie in de mijn én sociaal aanzien. Scheidsrechters kregen verwijten als 'hij zal wel weer een karretje met steenkool gekregen hebben' naar het hoofd geslingerd. 'Het zijn grote plannen, ik weet het', zegt Georges-Louis Bouchez met zijn blik op het lange gras van het voetbalveld en op terril Saint-Antoine naast het stadion. 'Maar ik laat me goed omringen, door mensen die de streek en de sport goed kennen, en ik ben van nature ambitieus. Niemand wordt toch wakker met de gedachte dat het vandaag weer eens niet zal lukken?' Sporteconoom Trudo Dejonghe gebruikt het verhaal van Georges-Louis Bouchez en Francs Borains sinds kort in zijn lessen, als voorbeeld van hoe het níét moet. 'Een nieuwe Balthazar Boma', noemt hij de MR-voorzitter, zoals Marc Coucke eerder. Dejonghe: 'Een van de basisprincipes om een gezonde voetbalclub te kunnen uitbouwen is een markt hebben, niet alleen qua tv-gelden maar ook qua sponsors en toeschouwers. Dat zie ik allemaal niet in dit verhaal. De regio is vrij dunbevolkt, er zijn weinig grote bedrijven die kunnen investeren en er is een grote kloof tussen Bergen en de Borinage. De inwoners van de stad zullen volgens mij nooit naar Boussu rijden om er naar Francs Borains te gaan kijken. Hetzelfde zie je in Deinze, daar krijg je ook geen Gentenaars naartoe. Alleen de omgekeerde beweging heeft toekomst: supporters uit de dorpen die naar een club in de stad gaan kijken. Andersom lukt het nooit. Destijds gingen de mensen van Bergen zelfs niet naar RAEC Mons kijken. Het stadion zat nooit vol, ook al speelden ze in eerste klasse.' Philippe Jacob: 'Bergen en de Borinage, c'est la guerre. Zij kijken al jaren op ons neer, in hun ogen zijn we boeren. Nee, ik moet er niets van weten.' Georges-Louis Bouchez: 'Als we in 1A spelen en Club Brugge, Standard of Anderlecht komt op bezoek, dan zullen de mensen heus wel komen. Ik maak deel uit van een nieuwe generatie. Ik ken de geschiedenis van mijn streek, maar ik heb ze niet zelf beleefd. De laatste mijn van de Borinage was al jaren gesloten toen ik geboren werd. Ik kijk vooruit: we moeten de identiteit van de Borinage bewaren, koesteren zelfs, maar we moeten ook de vroegere tegenstellingen kunnen overstijgen. En laten we duidelijk zijn: ik had deze club niet nodig in mijn politieke parcours. Ik was al voorzitter van de MR voor ik hier begon. Strikt genomen kan ik alleen maar verliezen met dit project. Maar ik geloof echt dat mijn bekendheid als politicus kan helpen om potentiële geldschieters aan te trekken. Iedereen zoekt altijd naar een grotere strategie, maar voor mij is het simpel: ik ben gek van voetbal en ik wil mijn streek vooruithelpen.' Dejonghe: 'Ik vraag me af waarom ze in Wallonië zo hardleers zijn. Misschien heeft het er gedeeltelijk mee te maken dat er nog altijd nergens een opleiding in sportmanagement bestaat, zoals hier aan de VUB of in Brugge. Zo hou je de oude sportcultuur in stand, zelfs bij grote clubs als Standard en Charleroi: een rijke zakenman of een onbekende buitenlander die de club overneemt en er met behulp van enkele managers goedkope buitenlandse spelers, vaak uit Frankrijk, plaatst en ze na een of twee jaar met winst probeert te verkopen.' Bouchez: 'Er is hier simpelweg minder geld dan in Vlaanderen, dat verklaart volgens mij alles. Maar als je minder geld hebt, moet je intelligent met je budget omspringen. Toen ik in 2013 schepen werd in Bergen, heb ik gezien wat er allemaal misliep bij RAEC Mons, toen nog een eersteklasser. De truitjessponsor was een Vlaamse verandabouwer, er werden amper inspanningen gedaan om de lokale bewoners bij de club te betrekken en de hele organisatie hing te veel van één mecenas af. Dat willen wij allemaal niet. Mijn taak is om hier een structuur neer te zetten die de club op een professionele manier leidt en tegelijk zelf een goede verkoper van de club te zijn.' Dejonghe: 'Makelaars en mecenassen, zo ziet de voetbalwereld in Wallonië er al jaren uit. Een duurzaam verhaal met een moderne bedrijfscultuur, zoals Zulte-Waregem of Club Brugge, ontbreekt er helemaal.' Bouchez: 'We zullen zeker samenwerken met managers en kijken naar talentvolle voetballers uit Frankrijk. Maar we zullen ook investeren in de eigen jeugd. Ik ben al jaren supporter van Racing Genk. Zij zijn inderdaad ons grote voorbeeld: we hebben dezelfde geschiedenis, dezelfde mengeling van culturen, hetzelfde hinterland. Maar zij spelen toch ook niet elk jaar met elf jeugdspelers? Af en toe breekt er eentje door, maar voor de rest kopen zij toch ook jonge, talentvolle buitenlanders aan? Dat het tot nog toe niet gelukt is om een soortgelijk verhaal op te bouwen in de Borinage wil niet zeggen dat we het niet moeten blijven proberen. Als je in derde klasse speelt, moet je naar boven durven te kijken. Anders kun je je evengoed weer tot in provinciale laten afzakken en er een gezellige, kleine club van maken.' 'Ik hoop dat ik verkeerd ben, maar ik heb er eerlijk gezegd weinig vertrouwen in', reageert Dejonghe. 'Het is gewoon heel moeilijk om in een economisch weinig welvarende regio een succesvolle voetbalclub te bestieren. Want het laatste wat je zult doen, is je geld in sport steken. Eerst zorg je voor beter onderwijs, betere gezondheidszorg, meer werkgelegenheid en dan pas komt vrije tijd, sport en cultuur. Ik blijf het een raar verhaal vinden. Het is alsof ik de jaren zestig en zeventig zie terugkomen, toen er ook overal Balthazar Boma's opdoken die zich via het voetbal populair wilden maken. In Wallonië heb je af en toe zo'n Icarusploeg die naar de zon wil vliegen en vroeg of laat zijn vleugels verbrandt. Destijds had je Seraing, dan Tubize en nu heb je Francs Borains. Een mooie anekdote voor in een sporthistorisch boek over twintig jaar.' Bouchez: 'Over vijf jaar ben ik hier nog, wees gerust. We hebben hier dringend behoefte aan meer trots, en ik ben ervan overtuigd dat voetbal daarvoor kan zorgen. Er hangt al veel te lang een depressieve sfeer over deze streek.' Na een selfie met de voorzitter gaat Philippe Jacob opnieuw naar huis, twee straten verderop. Tien jaar lang was hij postbode in Brussel, van onder meer CDH-politica Joëlle Milquet, nu is hij al een tijdje in ziekteverlof. 'Ik ben 57', zegt hij nog. 'Voor ik doodga, wil ik Francs Borains in eerste klasse hebben zien spelen. Dat zou toch moeten lukken, niet?'