Het was een thema in de aanloop naar de lokale verkiezingen, en het zal dat ongetwijfeld opnieuw zijn in de race naar de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen van 26 mei 2019: halen we via migratie armoede binnen? Dat was in elk geval wat Bart De Wever begin deze maand zei: 'We zijn een van de meest herverdelende landen ter wereld, al wordt dat herverdelende karakter uitgedaagd via de onderkant. Via de migratie importeren we zeer veel armoede. (...) En dan zegt links dat we de grenzen gerust kunnen openzetten en al de rest een probleem is van discriminatie en ongelijkheid. Sorry, dat klopt gewoon niet.'
...

Het was een thema in de aanloop naar de lokale verkiezingen, en het zal dat ongetwijfeld opnieuw zijn in de race naar de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen van 26 mei 2019: halen we via migratie armoede binnen? Dat was in elk geval wat Bart De Wever begin deze maand zei: 'We zijn een van de meest herverdelende landen ter wereld, al wordt dat herverdelende karakter uitgedaagd via de onderkant. Via de migratie importeren we zeer veel armoede. (...) En dan zegt links dat we de grenzen gerust kunnen openzetten en al de rest een probleem is van discriminatie en ongelijkheid. Sorry, dat klopt gewoon niet.' De N-VA-voorzitter deed die uitspraak in zakenkrant De Tijd tijdens een dubbelinterview met PVDA-voorzitter Peter Mertens, die repliceerde: 'Het stoort me dat mijnheer De Wever armoede reduceert tot een importprobleem. In Antwerpen zijn er zo'n 7400 erkende vluchtelingen, maar er zijn wel 100.000 armen. In die groep zitten veel gepensioneerden, mensen die deeltijds werken en alleenstaande vrouwen met kinderen. Dat heeft niets met het importeren van armoede te maken. Ik heb heel wat getuigenissen gekregen van Hildes en Martines die moeilijk rondkomen. Bij hen kun je niet zeggen dat het de schuld is van de islam.' Wie heeft gelijk in dit ondertussen gepolariseerde debat, waarbij de emoties vaak hoog oplaaien? Een antwoord op basis van feiten en cijfers, aan de hand van 10 vragen. Volgens de cijfers van Eurostat, het bureau voor de statistiek van de Europese Unie, loopt bijna 12 procent van de Belgen tussen 20 en 64 jaar een armoederisico. Voor de niet-EU-burgers in ons land ligt het armoederisico meer dan 4 keer hoger, op 52 procent. De internationaal aanvaarde definitie van 'armoederisico' is dat iemands gezinsinkomen lager ligt dan 60 procent van het mediane inkomen (waar de ene helft van de huishoudens onder en de andere helft boven zit). En 'minder dan 60 procent van de mediaan' wil in België zeggen dat het beschikbare inkomen, na sociale transfers, van een alleenstaande lager dan 1139 euro netto per maand ligt. Voor een koppel met twee kinderen is dat minder dan 2392 euro per maand. Met een armoederisico van 12 procent scoort België vrij goed: het gemiddelde van de 28 EU-landen is 16 procent. Maar het armoederisico van 52 procent voor niet-EU-burgers is het hoogste van Europa: het EU-gemiddelde is 38 procent. De Eurostat-cijfers zijn gebaseerd op nationaliteit, en heel wat migranten zijn ondertussen Belg geworden. Over het aantal Belgen met een migratieachtergrond die een armoederisico lopen zijn er geen armoedecijfers. Wat we wel kunnen zeggen, is dit: in ons land leven pakweg 1,6 miljoen mensen in armoede; volgens experts is van die groep ongeveer 1 op de 4 niet-Belg en is 1 op de 6 niet-EU-burger. Anders geformuleerd: 4 op de 5 mensen in armoede in ons land is Belg of EU-onderdaan. België is de voorbije eeuw een immigratieland geworden. Eind 19e eeuw leefden er in ons land 143.000 mensen die in het buitenland geboren waren (3 procent van de bevolking). Vandaag zijn er dat 1.902.000 (16 procent). De immigratiestroom kwam op gang na de Eerste Wereldoorlog, toen veel bedrijven een beroep deden op buitenlandse arbeidskrachten. Tussen 1920 en 1930 kwamen 170.000 mensen naar ons land. Na de Tweede Wereldoorlog volgde er opnieuw een golf: tussen 1946 en 1948 vestigden bijna 65.000 Italiaanse mannen zich in ons land, meestal om in de mijnen te werken. België sloot met veel landen overeenkomsten om vooral ongeschoolde arbeiders te laten overkomen. Eerst met Italië, en tussen 1956 en 1970 ook nog met Spanje, Griekenland, Marokko, Turkije, Tunesië, Algerije en Joegoslavië. De overeenkomsten voorzagen in de mogelijkheid tot gezinshereniging: vrouwen en kinderen mochten na enige tijd overkomen. Op die manier wilde België een aantrekkelijker bestemming worden en voorkomen dat de buitenlandse arbeiders terug naar hun land van herkomst zouden trekken. De hoop was ook dat de integratie van de migranten en hun gezinnen voor demografische groei zou zorgen. Sinds de jaren 1990 is vooral het aantal vluchtelingen gestegen: mensen die hier asiel vragen omdat ze in eigen land dreigen te worden vervolgd vanwege hun ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging enzovoort. Die stijging was het resultaat van regionale crisissen in de Balkan en het Midden-Oosten. De instroom van vluchtelingen kende piekjaren, zoals 1999, met 35.800 asielaanvragen, en 2000, met 42.700 aanvragen. Het topjaar was 2015, met 44.700 asielaanvragen. Daarna liep het aantal aanvragen terug tot 18.710 in 2016 en 19.688 in 2017. In 2016 werden 15.478 vluchtelingen erkend, een topjaar als gevolg van de asielcrisis van 2015. In 2017 waren er dat 13.833. De helft kwam uit Syrië, Afghanistan en Irak. Volgens de laatste beschikbare cijfers zijn in 2016 106.087 buitenlanders België binnengekomen (0,9 procent van de bevolking). Dat stemt overeen met het gemiddelde van Europa. In Luxemburg (3,7 procent) en Malta (3,4 procent) was er veel meer immigratie, in Slowakije, Bulgarije, Portugal, Litouwen, Polen, Roemenië en Hongarije (telkens onder de 0,2 procent) minder. In landen als Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en Noorwegen komen, in verhouding, ongeveer evenveel migranten binnen als in ons land. In de top 10 van de nationaliteiten van mensen die in 2016 België binnenkwamen, staat de Roemeense met 16.178 bovenaan, gevolgd door de Franse (13.794), de Nederlandse (9531), de Syrische (9074), de Italiaanse (6259), de Poolse (5925), de Marokkaanse (5324), de Bulgaarse (4877), de Spaanse (4836) en de Iraakse (4013). Op 1 januari 2018 had België 11.376.070 inwoners. 1.357.556 (bijna 12 procent) van hen hadden een buitenlandse nationaliteit. Van die groep had 67 procent een andere EU-nationaliteit en 33 procent (450.000 mensen) een niet-EU-nationaliteit. Natuurlijk zijn er buitenlanders die na enige tijd de Belgische nationaliteit verwerven. Volgens Myria, het Federaal Migratiecentrum, had bijna 9 procent van de bevolking een vreemde nationaliteit bij de geboorte maar is die groep ondertussen Belg geworden. Dat maakt dat 1 op de 5 van de in België verblijvende mensen met een buitenlandse nationaliteit is geboren: de helft daarvan komt uit een EU-land, de helft uit een niet-EU-land. Pakweg 1.200.00 mensen die in België wonen hadden bij geboorte een niet-EU-nationaliteit. In 2017 kwam 64 procent van de immigranten uit EU-landen: voor hen geldt het vrije verkeer van personen. De andere pakweg 40.000 mensen kwamen uit niet-EU-landen: zij moeten over het algemeen een visum hebben om de grens over te mogen. Tegenover het EU-gemiddelde komen er meer immigranten naar België in het kader van gezinshereniging, om humanitaire redenen of als vluchteling. Volgens administratieve gegevens, zowel van EU- als niet-EU-immigranten, is gezinshereniging in 35 procent van de gevallen de reden om naar ons land te komen, gevolgd door werkgelegenheid (34 procent) en asiel (13 procent). 5 procent komt om te studeren: dat is minder dan het gemiddelde in Europa. We trekken ook meer laaggeschoolde immigranten aan: in de EU gaat het gemiddeld om 38 procent, bij ons om 45 procent. Van de mensen die in België wonen maar niet in de EU zijn geboren, komt 27 procent uit de Maghreb (waaronder Marokko, Algerije en Tunesië) en 175.000 (23 procent) uit Sub-Saharisch Afrika (waaronder Kameroen, Congo, Guinee en Ghana). Zo'n 13 procent komt van een Europees land dat niet tot de EU behoort, bijvoorbeeld Rusland, Oekraïne of Servië. 12 procent komt uit een kandidaat-EU-lidstaat: vooral Turkije, maar ook Albanië en Macedonië. Daarna volgen het Nabije Oosten en het Midden-Oosten (8 procent), Latijns-Amerika (6 procent), Oceanië en het Verre Oosten (5 procent), de andere Aziatische landen (5 procent) en Noord-Amerika (2 procent). De helft van onze in het buitenland geboren bevolking komt dus uit Afrika. De migranten wonen natuurlijk niet evenredig verspreid over het Belgische grondgebied, maar in de drie gewesten van ons land zijn de inwijkelingen uit de Maghreb en Sub-Saharisch Afrika wel het talrijkst. De Brusselse gemeenten hebben in verhouding het hoogste aandeel niet-EU-immigranten, zoals Sint-Joost-ten-Node (18 procent van de bevolking), Molenbeek (15 procent), Schaarbeek (14 procent), Brussel (14 procent) en Anderlecht (13 procent). In Vlaanderen wonen de meeste niet-EU-immigranten in Leuven (10 procent): daar zijn de Chinese, Indiase en Iraakse nationaliteit het sterkst vertegenwoordigd. In Antwerpen (ook 10 procent) steken de Marokkaanse, Turkse en Afghaanse nationaliteit erbovenuit. In Oostende (7 procent) vormen de Afghanen, de Irakezen en de Russen de grootste groepen. In Gent (6 procent) zijn het vooral mensen met de Turkse, Afghaanse en Ghanese nationaliteit. De niet-EU-immigranten wonen, met andere woorden, vooral geconcentreerd in de stedelijke gebieden, terwijl hun afkomst nogal verschilt. Niemand kan eromheen: weinig buiten de EU geboren immigranten in België hebben werk. Van de niet-EU-immigranten tussen 20 en 64 jaar is amper 52 procent aan de slag - rond dat percentage schommelen we al meer dan een decennium. In de hele EU scoren we daarmee het slechtst: in Frankrijk gaat het om 55 procent, in Nederland om 60 procent, in Duitsland om 64 procent. De gemiddelde werkgelegenheidsgraad van niet-EU-immigranten in Europa is 63 procent. Er is een groot verschil tussen de werkgelegenheidsgraden van de immigranten geboren buiten de EU (rond de 50 procent) en mensen die in België geboren zijn (70 procent). Er zijn maar twee EU-landen waar dat verschil nog groter is: Nederland en Zweden. Maar daar ligt de werkgelegenheidsgraad bij de top van Europa. De conclusie is duidelijk: in ons land zijn er maar weinig niet-EU-migranten aan het werk, zowel vergeleken met de autochtone bevolking als met andere EU-landen. Over deze cruciale vraag heeft de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid eerder deze maand een lijvig rapport (terug te vinden op www.werk.belgie.be) uitgebracht. Natuurlijk heeft de lage werkgelegenheidsgraad van niet-EU-migranten te maken met welke migranten er binnenstromen: het lage scholingsniveau is, zo blijkt, een belangrijke handicap. Een bijzondere plaats in het hele verhaal hebben de vrouwen. In 2016 was 45 procent van de immigranten vrouw. Vaak is gezinshereniging voor hen het voornaamste motief om naar België te komen. Heel wat buiten de EU geboren vrouwen hebben in ons land geen job. Een autochtone vrouw met hetzelfde profiel als een man heeft 11 procent minder kans op een baan, voor een vrouw geboren buiten de EU wordt dat 23 procent. Veel blijkt afhankelijk van de geboortelanden van de vrouwen. Als ze uit Latijns-Amerika, Sub-Saharisch Afrika of Azië komen, is er nauwelijks of geen verschil met autochtone vrouwen. De werkgelegenheidsgraad ligt vooral lager bij vrouwen afkomstig uit de Maghreb, Turkije, het Nabije Oosten en het Midden-Oosten. Veel vrouwen uit die gebieden hebben geen baan en zijn er ook niet naar op zoek. Ze zijn huisvrouw en zorgen voor de kinderen, net zoals ze in hun thuisland zouden doen. Volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid kan het verschil in de werkgelegenheidsgraad tussen niet-EU-migranten en autochtonen maar deels verklaard worden door persoonlijke kenmerken, zoals scholingsgraad en geslacht. Niet de Belgische nationaliteit hebben, bijvoorbeeld, remt de kans op werk ook sterk af. Terwijl van de niet-EU-immigranten met de Belgische nationaliteit 52 procent werk heeft, is dat voor immigranten met een niet-EU-nationaliteit 32 procent - bij autochtonen gaat het om bijna 70 procent. Een factor die zeker meespeelt is discriminatie, hoewel die bij wet verboden en strafbaar is. In 2012 schreef Unia, het Interfederaal Gelijkekansencentrum, dat een 35-jarige kandidaat van vreemde origine bij een sollicitatiegesprek 6,6 procentpunten meer kans heeft om gediscrimineerd te worden dan een Belg. Ook onderzoeken in Duitsland, Zweden en Canada vertellen dat kandidaten met een buitenlandse naam minder kans maken op de arbeidsmarkt. Bij onze oosterburen, bijvoorbeeld, maakt iemand met een Duitse naam 14 procent meer kans op een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek. Uit een studie op basis van gegevens uit 53 landen bleek eerder dit jaar dat immigranten meer worden gediscrimineerd bij indienstneming dan ouderen, laaggeschoolden of mensen uit een gezin met een laag inkomen. Ook deze vraag speelt een rol als het gaat over een hoger risico op armoede. Niet-EU-immigranten werken, zo blijkt, vooral in de bedrijfstakken met de laagste lonen, zoals het verschaffen van accommodatie en maaltijden, eet- en drinkgelegenheden, administratieve en ondersteunende diensten (vooral rond gebouwen en landschapsverzorging). In 2016 lag het mediane inkomen van een niet-EU-immigrant 43 procent lager dan dat van iemand geboren in ons land. Dat is de grootste loonkloof in Europa. Uit studies blijkt bovendien dat de loopbanen van niet-EU-immigranten veel hobbeliger zijn dan die van autochtonen: ze zijn vaker werkloos en inactief. Een in België geboren inwoner tussen 30 en 64 jaar was in de periode 2008-2014 gemiddeld 21 kwartalen aan het werk, 6 kwartalen inactief en 1 kwartaal werkloos. Een niet-EU-immigrant was in die periode 14 kwartalen aan het werk, 10 kwartalen inactief en 4 kwartalen werkloos. Volgens de laatste cijfers, uit 2014, hebben niet-EU-immigranten een werkloosheidspercentage van 19 procent; bij autochtonen is dat 7 procent. Vooral onder de mensen geboren in de Maghreb ligt de werkloosheid hoog (24 procent), gevolgd door kandidaat-EU-lidstaten (22 procent), Europese landen die niet tot de EU behoren (19 procent) en Sub-Saharisch Afrika (19 procent). Uit de antwoorden op de vorige vragen volgt het antwoord op deze vraag: ja, we zouden kunnen spreken van 'import van armoede'. De erkende vluchtelingen vormen daarbij maar een kleine groep: de globale armoedecijfers beïnvloeden ze nauwelijks. In bepaalde steden of gemeenten kunnen ze wel een grote impact kunnen hebben op de OCMW's, die hen materieel en financieel moeten begeleiden. Maar die 'import van armoede' is niet de enige factor. Een andere is het falende integratiebeleid van ons land. België blijkt, vergeleken met andere Europese landen, een ernstig probleem te hebben met de opvang van immigranten, het taalonderwijs, het begeleiden naar werk, het wegwerken van discriminatie enzoverder. De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid wil in 10 jaar tijd de werkgelegenheidsgraad van de mensen die niet in de EU geboren zijn met 10 procentpunten verhogen. Zo zouden we tegen 2028 het huidige Europese gemiddelde benaderen. Niet toevallig formuleert de Hoge Raad in zijn rapport de werkpunten rond twee pijlers: de instroom van immigranten en de integratie van de immigranten. Wat de instroom betreft, stelt de Hoge Raad onder meer voor om de regels voor gezinshereniging te herzien. In 2011 werden die al strenger gemaakt. De man die zijn gezin wil herenigen moet nu aantonen dat hij gepaste huisvesting heeft en stabiele, voldoende en regelmatige bestaansmiddelen. Bovendien moet de gezinshereniger al 12 maanden in ons land verblijven: dat zou bijvoorbeeld 24 maanden kunnen worden. De Hoge Raad stelt ook voor om een 'plan tot gezinsintegratie' uit te werken, speciaal gericht op vrouwen, met aandacht voor taalonderwijs en kinderopvang, waarop ze meer beroep moeten kunnen doen. België zou zich ook tot doel kunnen stellen om meer (hoog)geschoolden naar hier te halen en rond die groep een actieve migratiepolitiek te voeren. Zodra de immigranten in ons land zijn, moet er een efficiëntere integratie volgen, stelt de Hoge Raad. Werk speelt daarbij een cruciale rol. De werkplek is ook de ideale plaats om bijvoorbeeld de taal te leren. De erkenning van diploma's en competenties die in het buitenland werden verworven, zou efficiënter en sneller kunnen verlopen. Discriminatie moet worden bestreden. Ondernemingen moeten diversiteitsplannen invoeren, met daarin onder andere doelstellingen om personeel met een immigratieachtergrond in dienst te nemen en te houden en op te leiden (naast andere categorieën van kwetsbare werknemers zoals laaggeschoolde jongeren en personen met een handicap). De Hoge Raad zwijgt erover, maar het zou ook zinvol zijn om eens te kijken naar hoe België zich in de loop van de decennia sociaal-economisch heeft georganiseerd. Volstaat die organisatie nog? Want niet alleen de werkgelegenheidsgraad van mensen met een migratieachtergrond is erg laag: hetzelfde geldt voor laaggeschoolden, vrouwen, 55-plussers enzovoort. Meer nog, de werkgelegenheidsgraad van onze bevolking tussen 20 en 64 jaar ligt met 68 procent een stuk lager dan dat van onze buurlanden Duitsland (79 procent), Nederland (78 procent) en Frankrijk (70 procent) en dan het EU-gemiddelde (72 procent). Vlaanderen (73 procent) doet het wel veel beter dan Wallonië (63 procent) en Brussel (61 procent), maar internationaal gezien evenmin denderend. Om het met de woorden van PVDA-voorzitter Peter Mertens te zeggen: er zijn ook veel te weinig 'Hildes en Martines' aan de slag. Daarom moet ons land bijvoorbeeld bekijken hoe de loonvorming verloopt, of de regulering nog van deze tijd is, en wat de rol is van de sociale partners zoals vakbonden en werkgeversorganisaties. Helaas lijkt niemand de manier waarop ons land vandaag sociaal-economisch werkt (of niet werkt) ter discussie te willen stellen. Het is de olifant in de kamer.