Als één politicoloog in dit land gespecialiseerd is in lokaal bestuur, dan wel hoogleraar Johan Ackaert van de Universiteit Hasselt. Die interesse dateert al van zijn Leuvense studententijd. 'Ik wilde wat geld bijverdienen en bood mij bij De Morgen aan als lokaal correspondent. Ik moest de Leuvense gemeenteraad volgen, en kreeg één frank per regel. Gelukkig zat Louis Tobback (SP.A) toen in de oppositie. Telkens als hij hele opera's opvoerde tegen de christendemocratische burgemeester rinkelde mijn kassa. (lacht) Mijn belangstelling voor de gemeentepolitiek is daar ontstaan.'
...

Als één politicoloog in dit land gespecialiseerd is in lokaal bestuur, dan wel hoogleraar Johan Ackaert van de Universiteit Hasselt. Die interesse dateert al van zijn Leuvense studententijd. 'Ik wilde wat geld bijverdienen en bood mij bij De Morgen aan als lokaal correspondent. Ik moest de Leuvense gemeenteraad volgen, en kreeg één frank per regel. Gelukkig zat Louis Tobback (SP.A) toen in de oppositie. Telkens als hij hele opera's opvoerde tegen de christendemocratische burgemeester rinkelde mijn kassa. (lacht) Mijn belangstelling voor de gemeentepolitiek is daar ontstaan.' Johan Ackaert hoedt zich voor te boude voorspellingen bij lokale verkiezingen. 'Vorige keer, in 2012, stelde ik vast dat de lokale verkiezingen gevat werden in een 'nationaal frame': de campagne ging niet om lokale thema's. Met name de N-VA gebruikte ze als een nationale testcase voor haar oppositie tegen de regering Di-Rupo. Ik dacht niet dat zoiets zou aanslaan, en voorspelde in een aantal media dat de N-VA níét zou doorbreken. (grijnst) Dat bleek een ferme vergissing: vanuit het niets werd de N-VA ook op gemeentelijke vlak net niet de grootste partij van Vlaanderen. De CD&V behaalde toen nog net iets meer stemmen.' Was het de eerste keer dat een partij lokale verkiezingen gebruikte om haar nationale agenda door te drukken? Johan Ackaert: Nee. In 1982 zaten de socialisten in de oppositie en gebruikte Karel Van Miert de gemeenteraadsverkiezingen ook al als een tussentijdse test voor zijn oppositie tegen het rechtse inleveringsbeleid van de rooms-blauwe regering van Wilfried Martens. In 2006 wilde het CD&V/N-VA-kartel er ook al een soort referendum over de nationale politiek van maken, maar de aandacht werd toen afgeleid door de belangrijke strijd van Patrick Janssens (SP.A) tegen Filip Dewinter (Vlaams Belang) in Antwerpen. Maar het was wel veelzeggend dat uitgerekend de CD&V dat toen probeerde: zij was en is toch bij uitstek de partij die zegt dat lokale verkiezingen over lokale thema's moeten gaan. Zo wordt het spel dus gespeeld: oppositiepartijen die zich sterk genoeg voelen, proberen via de lokale verkiezingen hun nationale oppositie kracht bij te zetten. Maar dit keer zie ik toch iets anders als de échte inzet van de gemeenteraadsverkiezingen. Wat is dan de echte inzet? Ackaert: Op 14 oktober staat de grote clash tussen de N-VA en de CD&V op het programma, de strijd tussen de grootste partij van het land tegen de grootste partij van de gemeenten. Het is een gevecht om welke partij de sterkste zal zijn. Nu is dat nog onduidelijk. Bij de parlementsverkiezingen van 2010 en 2014 was de N-VA met grote voorsprong de winnaar, maar in 2012 heeft de CD&V wel haar status als grootste lokale partij kunnen handhaven, ook al was de N-VA de sterkste stijger. De partij die in oktober de gemeenteraadsverkiezingen wint, gaat met het aura van de gele trui naar de parlementsverkiezingen van 2019. Vergelijk het met de positie van Geraint Thomas en Chris Froome in de Tour de France: de leider heeft altijd een psychologisch voordeel. Houdt de CD&V stand, of kan de N-VA erover gaan? Dat wordt in de oktober de kwestie. Wat denkt u? Ackaert: De CD&V maakt een kans om haar positie nog een keer te behouden. Het is de partij die zich het meest inzet op gemeentelijk vlak - al zie ik in mijn eigen gemeente dat vooral de N-VA actief is en folders bust. De N-VA heeft daar nu ook de mensen voor, én het geld. Op lange termijn gaan ook de lokale uitslagen van de CD&V er trouwens op achteruit. Dat is een gevolg van de langzame erosie van het klassieke, vooral parochiaal georganiseerde netwerk. De daling is nog niet zo sterk als bij de parlementsverkiezingen, de CD&V scoort lokaal 10 procentpunt hoger dan wat ze nationaal behaalt. Ze levert ook immens veel burgemeesters, en uit onderzoek weten we ook dat een burgemeester in de helft van de gevallen zichzelf opvolgt, dus daar kunnen de christendemocraten moed uit putten. Vandaag heeft de N-VA ook al een rist burgemeesters - zelfs de belangrijkste van het land, Antwerpen - en kan ze een regiment ministers en staatssecretarissen inzetten. Kan de N-VA straks de nieuwe CD&V worden? Ackaert: Daarvoor verschilt het profiel van beide partijen toch te sterk. In 2012 behaalde de CD&V in de gemeenten of steden met meer dan 37.500 inwoners 21,2 procent van de stemmen. In de steden en gemeenten met minder inwoners scoorde ze véél beter. In gemeenten met minder dan 7500 inwoners steeg dat zelfs tot 36 procent. De CD&V is dus de partij van de kleine gemeenten. De N-VA, daarentegen, zou de nieuwe partij kunnen worden van de steden. In de gemeenten en steden met meer dan 37.500 inwoners behaalde de N-VA in 2012 al 26 procent, maar in de kleinere gemeenten had ze het flink moeilijker. In gemeenten met minder dan 7500 inwoners was het bijvoorbeeld maar 17,2 procent. U ziet de N-VA in meer schepencolleges opduiken?Ackaert: Ik ben voorzichtig, maar het is een feit dat de N-VA op lokaal vlak momenteel ondervertegenwoordigd is in de schepencolleges ten opzichte van het aantal zetels in de Vlaamse gemeenteraden. In 2012 behaalde de N-VA 23 procent van de stemmen, en daarmee participeert ze in 32 procent van de gemeentebesturen. Vergelijk dat eens met de Open VLD: die behaalde in 2012 slechts 16 procent, en participeert ook in 32 procent van de gemeentebesturen. De N-VA heeft het dus veel moeilijker dan de Open VLD om in de steden en gemeenten door te stoten naar de macht. In 2012 hebben de klassieke partijen geprobeerd om de N-VA uit te sluiten? Ackaert: Dat is te kort door de bocht. Het opzeggen van het kartel in 2008 heeft er zeker toe geleid dat veel CD&V'ers de N-VA niet meer vertrouwden. En omdat de N-VA overal nieuwe lijsten had ingediend, vaak ook met nieuwe mensen, was het ook niet onlogisch dat de anderen liever een bestuursakkoord afsloten met politici die ze al kenden. Maar die fase is voorbij. Intussen horen de N-VA'ers in alle gemeenteraden bij 'de club'. Bovendien is de partij beter bekend en scoren haar belangrijkste politici hoog in de populariteitspolls. Dat alles zou de N-VA een extra bonus moeten opleveren. En dus zou de N-VA meer stemmen moeten binnenhalen op 14 oktober. Ackaert: Die kans zit er natuurlijk in. Ik zie maar één probleem voor de N-VA: uit studies blijkt dat ze, samen met het Vlaams Belang, de meeste wantrouwige kiezers heeft. De vraag is dus: hoe stemt dat type van wantrouwige kiezer straks? Blijven ze de N-VA trouw? Dát wordt voor de partij een grote uitdaging: hoe hou je die kiezers aan boord? In 2012 kwam ze nog op als tegenpartij, nu is ze zelf een machtspartij. Zowel in de Vlaamse als in de federale regering als in de grootste stad van Vlaanderen bepalen N-VA'ers het beleid. Waarderen haar kiezers dat? Niet iedereen, zo blijkt uit de oprichting van 'Vooruit Politiek Platform', een vereniging van een veertigtal lokale lijsten van ontevreden politici uit centrumrechtse hoek, meestal lokale mandatarissen van N-VA, Open VLD of Lijst Dedecker. Ackaert: Dat zijn dus politici die de ontevreden, wantrouwige kiezers vertegenwoordigen. Als die trend zich zou doorzetten, kan dat gevaarlijk zijn voor een partij als de N-VA. Zeker met ons laagdrempelige gemeentelijke kiessysteem - iedereen die dat wil, kan zonder veel moeite een lijst indienen - en waar veel meer op personen dan op partijen wordt gestemd. Niet dat zulke nieuwkomers meteen uitzicht hebben op een zetel in de gemeenteraad, want op gemeentelijk niveau bevoordeelt de klassieke zetelverdeling de grote partijen. Maar ze kapen wel stemmen weg. Ondertussen slaat de SP.A, die Vlaams en federaal in de oppositie zit, een bleek figuur. In Oostende, de stad van partijvoorzitter John Crombez, vormde burgemeester Johan Vande Lanotte zelfs een 'Stadslijst': een open lijst die vooral niet 'socialistisch' mag heten. Ackaert: Doorgaans is dat geen blijk van zelfvertrouwen of sterkte. Partijen die het in de opiniepeilingen slecht doen, durven weleens andere formules op te zoeken bij lokale verkiezingen. Als het nationale etiket niet meer verkoopt, lijden de lokale afdelingen daaronder. Op een ogenblik dat de VLD het niet meer zo goed deed, heeft Herman De Croo ooit beslist om in Brakel een lijst te trekken onder de naam D.E.C.R.O.O. Daarmee maakte hij voor zijn kiezers duidelijk: 'Mensen, vergeet even de nationale politiek. In deze gemeente gaat het over mij.' Dat de SP.A nu in de hoek zit waar de klappen vallen, maakt ook dat ze bij deze verkiezingen een minder begeerde partner is voor Groen om een kartel mee te vormen. Groen wil zich niet associëren met een partij die gelabeld staat als een loser. Sic transit gloria mundi, zou Bart De Wever zeggen. Vrij vertaald: het kan snel gedaan zijn met succes. In 2006 was de SP.A nog dé winnaar van de lokale verkiezingen, en profileerden de socialisten zich met hun burgemeesters, zeker in de grote steden. Ackaert: Op 14 oktober moeten de socialisten in Gent en Leuven twee belangrijke en populaire burgemeesters, Daniël Termont en Louis Tobback, proberen te vervangen door jongere en minder bekende partijgenoten. Het wordt daar bijna een existentiële strijd om als partij op de kaart te blijven staan. Aan de andere kant staren we ons misschien blind op een relatief jonge situatie. Het is namelijk níét zo dat de socialisten altijd de burgemeesters hebben geleverd in de Vlaamse steden. Dat was vroeger eigenlijk alleen in Antwerpen een traditie. Het is pas met de generatie van Karel Van Miert dat politici als Gilbert Temmerman in Gent, Louis Tobback in Leuven, Freddy Willockx in Sint-Niklaas, Steve Stevaert in Hasselt en anderen de Vlaamse steden gingen besturen. Al die socialistische burgemeesters gingen prat op hun goed bestuur, en toch hebben de socialisten het moeilijk om stand te houden. Ackaert: Het probleem van de socialistische burgemeesters is niet hun bestuur maar hun partij. De sociaaldemocratie is internationaal sterk geworden omdat ze gewogen heeft op thema's zoals arbeid en de sociaaleconomische bescherming van de kleine man. Dat is natuurlijk geen evident thema voor lokale politiek, zeker niet in kleinere gemeenten. Dat zie je ook in de cijfers. In 2012 was de lokale positie van de SP.A al bijzonder wankel. (haalt de tabellen erbij) Toen behaalde de SP.A al in 30 procent van de gemeenten minder dan 10 procent van de stemmen. Alleen in de steden met meer dan 37.500 inwoners behaalden de socialisten nog meer dan een kwart van de stemmen. In de kleinere steden en gemeenten lag dat 10 procentpunt lager. De SP.A is haar stedelijk leiderschap kwijt, en heeft vandaag zelfs een zeer zwakke lokale inplanting.Hoe belangrijk is dat voor een nationale partij? Ackaert: De lokale politiek is de visvijver voor de nationale politiek. Het is al verscheidene keren becijferd: een burgemeester op je kieslijst bij parlementsverkiezingen behaalt verhoudingsgewijs veel meer voorkeurstemmen. Kent u die oude reclameslogan nog voor benzine van Esso: 'Stop een tijger in je tank'? Wel, elke burgemeester op een lijst geeft zijn partij een boost. En dat terwijl SP.A-voorzitter Crombez inzet op decumul, en elke SP.A'er verplicht te kiezen tussen een lokaal of een nationaal mandaat. Ackaert:Crombez neemt een enorm risico, zeker omdat zijn partij de enige is die zo principieel inzet op decumul. Hoe edel zijn motieven ook mogen zijn, zijn beslissing dreigt zijn partij kiezers te kosten. Natuurlijk kan hij burgemeesters en schepenen op de lijsten zetten, maar als vooraf bekend is dat ze ze toch nooit mogen zetelen, lijkt dat op kiezersbedrog. Intussen kan Groen er maar zijn voordeel bij doen. Ackaert: Zeker in de steden en de stadsrand is Groen populair bij het progressieve deel van de middenklasse en de burgerij. Maar elders heeft Groen het nog altijd veel moeilijker om zijn verhaal kwijt te kunnen. Johan Danen, bijvoorbeeld, de Limburgse kopman van Groen, is een verstandige man met een interessant verhaal, maar heeft het moeilijk om zijn partij daar duurzaam te verankeren omdat Limburg eigenlijk de laatste Vlaamse 'arbeidersprovincie' is. Groen heeft een groot probleem in de niet-stedelijke gebieden. En daardoor, zo lijkt mij, blijft zijn lokale gewicht beperkt - behalve in de steden en omstreken. 'Veiligheid' blijkt hoe dan ook een belangrijk thema in de gemeenteraadsverkiezingen te worden. Dan is de figuur van de burgemeester essentieel, want hij staat in voor de veiligheid. Ackaert: Ook in ons land is de burgemeester de sheriff. Dat blijkt ook uit de regelgeving: ordehandhaving is een van de belangrijkste taken van de burgemeester. Maar het moet mij van het hart: sinds de oprichting van de politiezones in 2001 is het zwaartepunt in het veiligheidsbeleid verschoven van de burgemeester naar de korpschef. Vroeger, in de tijd van de gemeentepolitie, stond de burgemeester boven de korpschef. Bij het begin van de reorganisatie van de politiezones leefde de idee dat de burgemeester en de korpschef op gelijke hoogte zouden staan. Vandaag zijn het eigenlijk de korpschefs die het voor het zeggen hebben. Zij beheersen de dossiers. Die verschuiving doet zich in heel Vlaanderen voor: de politici moeten de facto steeds meer macht afstaan aan de hoge ambtenaren en hun administratie. Ackaert:Jef Gabriels, van 1987 tot 2009 burgemeester van Genk en ook lange tijd voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), gebruikte daarvoor de vaste uitdrukking: 'AMADA regeert de gemeenten: Alle Macht Aan De Ambtenaren.' (lacht) Kan het anders? Het gemeentelijke beleid is in de loop der jaren erg complex geworden, zeker omdat Vlaanderen aan kleine gemeenten in principe ongeveer dezelfde eisen stelt als aan grote steden. Burgemeesters en schepenen moeten dus bij de pinken zijn om mee te kunnen. De tijd is voorbij dat de politiek beslist en de administratie uitvoert. Bestuurskundigen zeggen dat in het huidige model ook de administratie een politieke rol speelt. Tegenwoordig krijgen sommige ambtenaren zelfs de opdracht om bepaalde maatschappelijke waarden te bepalen, uit te dragen en te bewaken. Denk aan de kinderrechtencommissaris, of aan instellingen zoals het gelijkekansencentrum UNIA.Vandaar het pleidooi voor schaalvergroting, en dus om weer gemeenten te fuseren.Ackaert: Fusies bieden inderdaad de mogelijkheid om bestuurskracht op te bouwen. Ik denk dat we in Vlaanderen moeten evolueren naar gemeenten met 40.000 inwoners. De vraag is of het ervan zal komen. De CD&V is geen voorstander van een evolutie naar veel grotere gemeenten, want zoals gezegd weet ze dat ze het in die gemeenten minder goed doet. Ze vreest nog meer stemmen te verliezen. Om dezelfde reden is de N-VA een grote voorstander: in grotere gemeenten scoort ze het best, daar levert ze dan wellicht meer burgemeesters, die dan weer kunnen doorstromen naar het parlement.Door al die partijpolitieke afwegingen leiden fusies vaak tot slechtere resultaten dan wat had gekund? Ackaert: Dat is inderdaad het nadeel bij het huidige systeem van vrijwillige fusies. Soort zoekt dan soort. Nochtans waarschuw ik altijd dat zulk rekenwerk gedoemd is om te mislukken. In 2012 leerden onze exitpolls ons dat 35 procent van de kiezers van partij was veranderd in vergelijking met 2006, een kolossale verschuiving van kiezers. Dat is geen recente trend. Als beginnend onderzoeker moest ik de grote fusieoperatie van 1976 evalueren. Die was aan Vlaamse kant op maat van de CVP gemaakt, en dus heeft de CVP dat jaar de verkiezingen ook met grote overmacht gewonnen. Maar nadien heeft de partij die uitslag niet meer kunnen evenaren. Al in 1982 waren de christendemocraten één derde van hun meerderheden kwijt. Fusies bekokstoven omwille van de politieke constellatie van vandaag is dus geen goed idee. Als één fusie al lang doorgevoerd had moeten worden, dan is het wel die van de negentien Brusselse gemeenten.Ackaert: De fusie van Brussel komt er nooit. Pardon? Ackaert: Brussel is een onontwarbare knoop, en wel om twee belangrijke redenen. Het Brusselse bestuur zoals het vandaag is uitgetekend, is een bijzonder complex spel van communautaire evenwichten. Wie raakt aan de negentien gemeenten, brengt meteen de verplichte Vlaamse vertegenwoordiging ter sprake - die beantwoordt al lang niet meer aan de sociologische realiteit: er zijn vandaag eigenlijk 'te weinig' Brusselse Vlamingen om dat te verantwoorden. Bovendien is er het verdelingsvraagstuk: rijkere gemeenten zoals Ukkel en Watermaal-Bosvoorde willen helemaal niet samengaan met armere gemeenten uit de Kanaalzone zoals Molenbeek. Ze willen niet betalen voor de miserie en de armoede van de anderen. Is het geen onzin om negentien aparte Brusselse politiezones te behouden, met negentien burgemeesters, als Londen of Parijs het met één kunnen doen? Ackaert: Natuurlijk zou een fusie ideaal zijn, met een sterk bestuur voor de hele agglomeratie. Maar hoe voer je dat door als een grote meerderheid van de Brusselse politici dat zelf niet wil? Als je begint te rommelen aan de bestaande Brusselse evenwichten, krijg je ongetwijfeld een fall-out naar heel ons constitutionele model. Zelfs wijlen Jean-Luc Dehaene (CD&V) kon dat niet oplossen, en dat was toch een van de sterkste naoorlogse politici. Daarom denk ik: de fusie van Brussel komt er nooit. Intussen schatten onze belangrijkste politici zwaargewichten hun sjerp hoger in dan een ministerspost. In 2012 was Vincent Van Quickenborne liever burgemeester van Kortrijk dan federaal minister van pensioenen. Vandaag zegt Bart Tommelein de Vlaamse regering te verlaten als hij in Oostende burgemeester wordt. Ackaert: Dat is niet nieuw. De functie van burgemeester is stabieler dan die van minister. Mijn proefschrift ging over de rol van de burgemeester, en ik heb toen met heel veel burgemeesters gesproken. Ik vroeg hen altijd welke functie zij het belangrijkste vonden: die van burgemeester, parlementslid of minister. Op één uitzondering na koos iedereen voor de burgemeester. De zichtbaarheid van je beslissingen is groter, het werk concreter, de persoonlijke tevredenheid veel dieper. In dit land zijn de burgemeesters heel tevreden over hun ambt. En dus over zichzelf. Een premier doet het goed als hij acht jaar aan de macht is, maar een beetje burgemeester draagt al snel twaalf, zestien jaar of nog langer de sjerp. Is zo'n langdurige machtsconcentratie bij één persoon wel gezond? Ackaert: Veel burgemeesters zeggen mij dat je minstens twaalf jaar burgemeester moet zijn als je resultaten wilt boeken. Sommigen zeggen mij zelfs dat ze eigenlijk bestuursakkoorden zouden moeten afsluiten voor twaalf jaar, zodat ze de hele tijd met dezelfde coalitie kunnen doorwerken. Dan pas kan een bepaald bestuur de stad vormgeven. Daar valt wat voor te zeggen. Eigenlijk heeft een burgemeester zoals Louis Tobback dat in Leuven al in de feiten gedaan. Hij heeft van in het begin duidelijk gezegd: als het kan, gaan we met dezelfde SP.A/CD&V-coalitie verder. De Leuvenaars wisten dus wat de consequentie van hun stemgedrag was. Pleit u nu voor verkiezingen om de twaalf jaar? Ackaert: Nee, want er moet altijd tussentijdse controle zijn. Maar ik ben geen voorstander van voorakkoorden die in achterkamers geregeld zijn, en dat is toch het systeem dat in de meeste Vlaamse gemeenten geldt. In dat opzicht ben ik gecharmeerd door het Waalse alternatief. In Wallonië heeft men een regeling goedgekeurd waarin de kandidaat met de meeste stemmen in de grootste partij van de meerderheid automatisch burgemeester wordt. Dat brengt met zich mee dat men daar geen voorakkoorden sluit maar pre-electorale kartels vormt. De kiezer kan dus een duidelijke keuze maken. Het resultaat is dat 75 procent van de Waalse gemeenten bestuurd wordt door een absolute meerderheid. Dat versterkt natuurlijk de positie van de burgemeester, maar het zorgt voor een krachtdadig bestuur. En het is transparanter dan het Vlaamse model. Voor zover de kiezer daarin geïnteresseerd is. Ackaert: Daar hebt u een punt. Als íéts mij verontrust uit de studies van de vorige lokale verkiezingen, dan is het wel de plotse stijging van het aantal afwezigheden. Tot 2006 was de opkomst bij lokale verkiezingen altijd veel hoger dan bij de parlementsverkiezingen. In 2006 waren er nog altijd maar 5,6 procent afwezigen bij de lokale verkiezingen, in 2012 was het al 11,7 procent. Dat is meer dan een verdubbeling. Ondanks de stemplicht.Hoe komt dat? Is de politiek veranderd? Of de Vlaming? Ackaert: In 2012 zijn de lokale verkiezingen natuurlijk helemaal gedomineerd door een nationale agenda - het waren verkiezingen in het teken van de doorbraak van de N-VA. Is het dat? Of stellen de mensen zich steeds meer de vraag: wat stelt een gemeenteraad nog voor? Welke impact heeft een gemeentebestuur nog op mijn leven? Het hoge cijfer van kiezers die niet komen opdagen bij gemeenteraadsverkiezingen zou de lokale mandatarissen moeten uitnodigen om in de spiegel te kijken. Sinds de jaren tachtig hebben de gemeenten de burger ontdekt als klant. Sindsdien wordt die klant goed bediend. Als klant is de burger tevreden, maar is de burger ook tevreden als burger? Dát is de vraag. Burgerschap is meer dan het consumeren van goede gemeentelijke diensten tegen zo laag mogelijke kosten. Burgerschap gaat ook over de manier waarop een gemeentebestuur omgaat met de wensen, verwachtingen en angsten van zijn burgers, en hoe men met die burgers in discussie gaat en hen betrekt in het bestuur. Dan hebben de Vlaamse gemeenten nog een hele weg af te leggen, met veel belangrijke en bekende burgemeesters op kop. Maar wat niet is, kan natuurlijk nog komen.