Terwijl we met de coronacrisis de grootste economische terugval kenden sinds de Tweede Wereldoorlog, steeg de werkloosheidsgraad maar lichtjes van 5,4 in 2019 naar 5,7 procent vorig jaar. We weten hoe dat komt: door de invoering van de tijdelijke werkloosheid en allerhande steun- en hinderpremies werd onze economie in een soort kunstmatige coma gebracht en werden de gevolgen van de recessie getemperd. Daar mogen we blij om zijn. Tegelijkertijd dreigt dat ons een belangrijk probleem op de Belgische arbeidsmarkt te doen vergeten: de ontstellende werkloosheidsverschillen in ons land.
...

Terwijl we met de coronacrisis de grootste economische terugval kenden sinds de Tweede Wereldoorlog, steeg de werkloosheidsgraad maar lichtjes van 5,4 in 2019 naar 5,7 procent vorig jaar. We weten hoe dat komt: door de invoering van de tijdelijke werkloosheid en allerhande steun- en hinderpremies werd onze economie in een soort kunstmatige coma gebracht en werden de gevolgen van de recessie getemperd. Daar mogen we blij om zijn. Tegelijkertijd dreigt dat ons een belangrijk probleem op de Belgische arbeidsmarkt te doen vergeten: de ontstellende werkloosheidsverschillen in ons land. De werkloosheid in België ligt hoger dan die in Duitsland en Nederland (beide rond de 4 procent), maar een stuk lager dan in Frankrijk, dat boven de 8 procent zit. Maar in ons land zijn er dus wel grote regionale verschillen. In Brussel bedroeg de werkloosheidsgraad vorig jaar 12,3 procent, in Wallonië 7,1 procent en in Vlaanderen 3,6 procent. In het Verslag van de Nationale Bank, dat eerder deze maand verscheen, staat dat 'van alle EU-landen de geografische verspreiding van de werkloosheidsgraden in de subregio's het grootste is in België'. Anders gezegd: nergens zijn de verschillen zo groot. Normaal geeft de Nationale Bank in haar verslag ook elk jaar een overzicht van de werkloosheidsgraad per provincie. Dat ontbrak dit jaar, maar Knack vroeg de cijfers op. Daaruit blijkt dat Henegouwen met 8,1 procent de provincie is met de hoogste werkloosheidsgraad. In het verleden spande West-Vlaanderen altijd de kroon qua laagste werkloosheidsgraad, maar voor het eerst in vele jaren doet Oost-Vlaanderen het beter met 2,9 procent tegenover 3,4 procent. De reden daarvoor is niet duidelijk. In Vlaanderen is Antwerpen met 4 procent de provincie is met de hoogste werkloosheidsgraad. Dat is nog altijd een stuk beter dan de Waalse provincie met de laagste werkloosheidsgraad: Luxemburg, met 5,3 procent. Heel opmerkelijk blijven de grote verschillen tussen aangrenzende provincies. Terwijl Vlaams-Brabant een werkloosheidsgraad kent van 3,6 procent is dat in Waals-Brabant 6,1 procent. In Limburg is dat 3,9 procent, in Luik bijna het dubbele met 7,4 procent. In West- en Oost-Vlaanderen gaat het dus respectievelijk om 2,9 en 3,4 procent, in Henegouwen 8,1 procent - veel meer dan het dubbele. Er is dus nog steeds een veel te geringe mobiliteit onder de werkzoekenden, ondanks de talloze openstaande vacatures: er zijn te weinig werklozen uit bijvoorbeeld Henegouwen die in West- of Oost-Vlaanderen een job grijpen. Dat heeft te maken met de taalbarrière, maar ook de afstand tussen de woon- en werkplek is een rem. Vooral voor laaggekwalificeerden betekent het een flinke hap uit hun budget. Nog een ander opvallend feit is dat werklozen in België veel minder een baan vinden dan werklozen in de rest van Europa. De Nationale Bank stipt daarvoor 'de povere financiële stimuli' aan: vooral bij het begin van de werkloosheidsperiode is het verschil tussen een uitkering en het loon in een laagbetaalde baan gering. Daarom pleit gouverneur Pierre Wunsch voor 'gepaste financiële prikkels'. Vroeger werd dan al eens voorgesteld om de werkloosheidsuitkeringen in de tijd te beperken. Nu zegt de Nationale Bank dat de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen moet worden uitgevoerd zodra er banen bijkomen: het bedrag moet bij aanvang hoger liggen en dan versneld verminderen. De grote vraag is wat er zal gebeuren als onze economie uit haar kunstmatige coma wordt gewekt. Hoeveel tijdelijk werklozen zullen dan echt werkloos worden? De Nationale Bank dacht net voor de tweede lockdown dat er in 2020 en 2021 netto 80.000 banen zouden sneuvelen, het Planbureau rekent op 108.000 banen. Om de toename van de werkloosheid tegen te gaan, spreken sommigen - ook binnen de regering - over het opnieuw verlagen van de pensioenleeftijd, het toepassen van het brugpensioen, arbeidsherverdeling en collectieve arbeidsduurverkorting. Dat zijn oude recepten die al bewezen hebben dat ze averechts werken. Ze hebben er nooit voor gezorgd dat de vreselijke werkloosheidsverschillen tussen regio's afnamen, integendeel. Als de werkloosheid straks toeneemt, is de volgende vraag waar de zwaarste klappen zullen worden uitgedeeld. Het ligt voor de hand dat dit gebeurt in provincies waar de economie het slechtst gewapend is tegen een crisis. Een flinke toename van de werkloosheid dreigt de enorme regionale verschillen nog meer te doen toenemen. Dat is geen opbeurend vooruitzicht.