Zullen we even kiezen voor de korte pijn? Hier komt het: het wettelijk pensioen van een werknemer met een gemiddeld loon bedraagt pakweg de hélft van het laatst verdiende loon. Dat is een zware inkomensval. Als u niet op de een of andere manier een spaarpot hebt aangelegd, wordt het een hele klus om na uw pensionering uw levensstandaard te behouden. Daarom kunt u niet vroeg genoeg beginnen met denken aan later.
...

Zullen we even kiezen voor de korte pijn? Hier komt het: het wettelijk pensioen van een werknemer met een gemiddeld loon bedraagt pakweg de hélft van het laatst verdiende loon. Dat is een zware inkomensval. Als u niet op de een of andere manier een spaarpot hebt aangelegd, wordt het een hele klus om na uw pensionering uw levensstandaard te behouden. Daarom kunt u niet vroeg genoeg beginnen met denken aan later. De periode na uw pensioen kan best wat jaren beslaan. De levensverwachting in Vlaanderen voor mannen bedraagt 80 jaar, voor vrouwen 84 jaar. Met de huidige gemiddelde pensioenleeftijd van 61,5 jaar zou u dus meer dan twintig jaar met uw pensioentje moeten doen. Uit onderzoek blijkt dat zeven op de tien werkende Vlamingen verwachten dat ze maandelijks 1811 euro per persoon nodig zullen hebben voor hun oude dag. Maar het gemiddelde nettopensioen bedraagt 1200 euro. Dan hebt u dus 600 euro per maand extra nodig. Voor twintig jaar is dat pakweg 150.000 euro. Maar stel dat u 100 jaar wordt, en dat is niet onmogelijk, dan gaat het richting 300.000 euro. Andere berekeningen vertellen dat u ongeveer 85 nettomaandlonen (pakweg zeven jaarlonen) opzij moet hebben gezet, als aanvulling voor uw wettelijk pensioen (de zogenaamde 'eerste pensioenpijler'), om na uw pensionering min of meer dezelfde levensstandaard te kunnen aanhouden. Dat spaarpotje kan bestaan uit een aanvullend pensioenplan (tweede pensioenpijler), pensioensparen (derde pensioenpijler) en alle andere mogelijke spaar- en beleggingsvormen (vierde pensioenpijler). Een eigen huis (vijfde pensioenpijler) wordt daarin niet meegerekend. Daarnaast blijven meer en meer gepensioneerden tegenwoordig op de een of andere manier aan de slag, waardoor ze nog wat inkomsten bijeensprok- kelen - dat is dan de nieuwe 'zesde pensioenpijler'. Een overzichtje. Het wettelijk pensioen dat de overheid u garandeert, wordt in België gefinancierd volgens het repartitiesysteem: iedereen die vandaag werkt, staat een stukje van zijn of haar loon af, dat vervolgens wordt herverdeeld onder de gepensioneerden van vandaag. Met andere woorden: een deel van uw loon gaat naar het pensioen van uw (groot)ouders. Uw eigen wettelijk pensioen komt van het loon van uw (klein)kinderen. Het gevolg is dat ons wettelijk pensioenstelsel erg afhankelijk is van de demografie: als het aantal gepensioneerden groeit (bijvoorbeeld omdat ze langer leven of vroeger stoppen met werken) en het aantal werkende mensen daalt (bijvoorbeeld omdat er de voorbije decennia minder kinderen ter wereld kwamen), is er een probleem: de bijdragen van de werknemers worden te klein om de grote groep gepensioneerden een behoorlijk wettelijk pensioen te geven. Dat is in ons land het geval, en het is een belangrijke uitdaging van de zogenaamde vergrijzing van onze bevolking. De basis van ons wettelijk pensioenstelsel is eenvoudig. Vandaag bedraagt de wettelijke pensioenleeftijd 65 jaar. Je hebt als werknemer recht op een volledig pensioen na een loopbaan van 45 jaar (de leeftijd is niet van belang). En we schreven 'als werknemer', omdat ambtenaren het volledige pensioen vaak al bereiken na 36, 37,5 of 41,25 jaar. Hebt u op uw 65e jaar een loopbaan van 41 jaar (bijvoorbeeld omdat u langer studeerde), dan ontvangt u als werknemer 41/45e van het bedrag dat u zou hebben gekregen na een carrière van 45 jaar. De vuistregel luidt dat u 2 procent inlevert per jaar dat u minder hebt gewerkt. Dus een loopbaan van 40 jaar betekent dat u zo'n 10 procent van uw volledige pensioen moet inleveren. Als u in de eerste helft van uw leven zit, haalt u bij dit alles misschien de schouders op. Pensioen, dat speelt zich toch in de verre toekomst af? Toch is dat niet helemaal waar, want bepaalde beslissingen die u op jonge leeftijd neemt, kunnen grote gevolgen hebben voor uw latere pensioen. Zo zijn er grote verschillen tussen de pensioenstelsels voor ambtenaren, zelfstandigen en werknemers (contractuele personeels- leden die voor de overheid werken met een arbeidscontract, bouwen hun pensioen op zoals werknemers). Elk stelsel heeft zijn eigen regels en ook zijn eigen manier om het pensioen te berekenen. Dat maakt alles behoorlijk ingewikkeld. Het bruto gewaarborgd minimale wettelijk pensioen dat u krijgt op basis van uw eigen, volledige loopbaan bedraagt voor werknemers en zelfstandigen sinds begin 2021 1326 euro, voor ambtenaren 1417 euro. Het plan is om die bedragen tegen 2024 geleidelijk op te trekken tot 1500 euro bruto bij een loopbaan van 45 jaar. Er zijn ook maximumbedragen voor een pensioen. Voor ambtenaren bedraagt dat 6802 euro bruto, voor werknemers en zelfstandigen die een loopbaan van 45 jaar hebben komt dat op respectievelijk 2568 euro en 1563 euro bruto. Op de website mypension.be kunt u nagaan wat uw vroegste en uw wettelijke pensioendatum is, en wat u dan als pensioen zou ontvangen. Het aanvullend pensioen biedt een extra geldsom. In tegenstelling tot het wettelijk pensioen wordt hierbij wel het principe van kapitalisatie of de aangroei van het eigen vermogen toegepast: de geldsom wordt opgebouwd met stortingen door de werkgever en/of de werknemer. Werknemers, zelfstandigen en contractuelen bij de overheid komen in aanmerking voor zo'n aanvullend pensioen. Alleen statutaire ambtenaren hebben er geen recht op, maar hun wettelijk pensioen ligt dan ook een stuk hoger. De overheid steunt het aanvullend pensioen met fiscale gunstmaatregelen. De bijdragen genieten een belastingvermindering van 30 procent en zijn zowel voor de werkgever als voor de werknemer financieel interessant. Zo'n 78 procent van de totale beroepsbevolking heeft een groepsverzekering, het is een heel populair extralegaal voordeel. Er zijn naar schatting 3,7 miljoen mensen in ons land met een aanvullendpensioenplan. Het geld voor het aanvullend pensioen wordt meestal toevertrouwd aan een verzekeringsonderneming, en dan wordt gesproken van een groeps- verzekering. Uw geld kan dan worden geïnvesteerd in een verzekeringsproduct, een Tak21-product, waarbij uw rendement gewaarborgd is en afhangt van de marktrente. Die rente ligt vandaag dicht bij nul procent, dus dat levert niet veel op. Maar u deelt ook nog in de winst van de verzekeraar, en of dat veel voorstelt, is afhankelijk van de opbrengst van diens beleggingsportefeuille. Uw geld kan ook in een Tak23-product worden geïnvesteerd, en daarbij is uw rendement niet gewaarborgd omdat het gekoppeld is aan een of meer beleggingsfondsen. Onder de Tak23-fondsen vindt u alle variaties, met bijvoorbeeld veel of net weinig aandelen en dus meer of minder risico. Het risico is met Tak23 groter dan bij Tak21, maar uw rendement ligt gemiddeld hoger. Het aanvullend pensioen wordt in principe pas uitbetaald op de dag dat u met (vervroegd) pensioen gaat. De gemiddelde reserve van iemand met een pensioenplan die tussen de 55 en 64 jaar oud is en dus de pensioenleeftijd nadert, komt uit op zo'n 55.000 euro. Let op, dat is een gemiddelde. Sommigen hebben meer, anderen minder. Hoe hoog het bedrag in uw specifieke geval is, vindt u terug op mypension.be. Uitkijken, want dat bedrag is bruto. U moet er nog 3,55 procent ziekte- en invaliditeitsbijdrage (RIZIV-bijdrage) van aftrekken, een solidariteitsbijdrage tussen de 0 en 2 procent, afhankelijk van de hoogte van het bedrag en ook nog bedrijfsvoorheffing, die afhangt van de leeftijd waarop u het aanvullend pensioen ontvangt. Bent u bij opname jonger dan 65 jaar, dan betaalt u 16,5 procent belastingen (plus gemeente- belasting), bij opname op 65 jaar wordt dat 10 procent (plus gemeentebelasting). Sinds 1987 kunt u ook aan pensioensparen doen, waarmee u vrijwillig en individueel een extra spaarpotje kunt aanleggen voor later. De overheid stimuleert dat door u een belastingvoordeel te geven. Zowel werknemers, zelfstandigen als ambtenaren kunnen aan pensioensparen doen, ruim 3 miljoen Belgen doen het ook. Vanaf uw 18e levensjaar tot het jaar waarin u 64 jaar wordt, kunt u aan pensioensparen doen via een bank of verzekeringsmaatschappij als u een inkomen hebt, want het is op dat inkomen dat u een belastingvermindering krijgt. Die vermindering is afhankelijk van welk bedrag u jaarlijks stort. Sinds 2018 bestaan er twee mogelijkheden: ofwel stort u maximaal 990 euro en dan krijgt u een belastingvermindering van 30 procent (dus maximaal 297 euro). Ofwel stort u meer dan 990 euro en maximaal 1270 euro, en dan geniet u een fiscaal voordeel van 25 procent (dus maximaal 317,5 euro). Dat zijn de bedragen voor het inkomstenjaar 2020, ze kunnen jaarlijks veranderen. Wat is het interessantst, 990 euro sparen of 1270 euro? Het rendement ligt een ietsiepietsie hoger als u 990 euro stort, maar als u 1270 euro spaart, bouwt u natuurlijk een grotere spaarpot op. Goed om te weten: als u meer dan 990 euro zou storten, ga dan meteen voor méér dan 1188 euro. Waarom? Als u 990 euro stort, is uw belasting- vermindering 30 procent of 297 euro. Stel dat u 1000 euro stort, dan bedraagt uw belastingvermindering 25 procent of 250 euro - dus geniet u minder voordeel dan als u 990 euro stort. Pas als u 1188 euro stort of meer, bedraagt uw belastingvermindering 297 euro of meer. Fundamenteel hebt u de keuze tussen twee formules om aan pensioensparen te doen. De helft van de pensioenspaarders doet dat via een pensioenspaarfonds, de andere helft via een pensioenverzekering. Met een pensioenspaarfonds steekt u uw geld in een beleggingsfonds, dat belegt in een korf met aandelen en obligaties. U hebt verschillende fondsen. Het ene neemt al meer risico en belegt bijvoorbeeld meer dan de helft van het geld in aandelen, andere nemen minder risico. Het rendement is altijd onzeker en u kunt zelfs verlies maken. Op spaargids.be worden de rendementen van pensioenspaarfondsen vergeleken, maar dat gaat natuurlijk over prestaties uit het verleden en ze bieden geen garantie voor de toekomst. Kiest u voor een pensioenspaar- verzekering, dan gaat u meestal voor een Tak21-product, waarbij u een rente wordt gegarandeerd van minstens nul procent plus een winstdeelname. U kunt ook voor een Tak23-fonds kiezen, een verzekeringsproduct dat gelinkt is aan een of meer beleggingsfondsen. Er is geen gegarandeerde rente, het rendement is afhankelijk van de prestaties van die beleggingsfondsen en ook hier kunt u verlies boeken. Een vergelijking van de Tak21- en Tak23-spaarverzekeringen vindt u ook op spaargids.be. Meestal wordt gezegd dat u op jonge leeftijd wat meer risico kunt nemen, want dan hebt u nog vele jaren om van een eventuele dip of crash te herstellen. Naarmate u de pensioenleeftijd nadert, is het verstandig om voor een minder risicovolle belegging te opteren. Er is nog iets belangrijks waarmee u rekening moet houden: de kosten. Bij een pensioenspaarfonds zijn er instapkosten die tussen de 0 en 3 procent kunnen liggen. Daarbij komen nog jaarlijkse kosten, zoals beheerskosten, die tussen de 1 en 1,8 procent bedragen. Bij de pensioenverzekering kunnen de instapkosten gaan van 0 tot 6,5 procent. Het lijken misschien kleine percentages, maar ze knabbelen wel aan het rendement, dus dat moet u echt meenemen in uw keuze. Behalve de kosten is er nog de eindbelasting: als u 60 jaar wordt, zult u 8 procent belasting moeten betalen. Hoe interessant is het om aan pensioensparen te doen? Meestal zult u lezen: zéér interessant. En hoe vroeger u ermee begint, hoe beter. Een cijfervoorbeeld ter illustratie. Stel dat u van uw 25e tot uw 65e jaar aan pensioensparen doet. Om het eenvoudig te houden, gaan we ervan uit dat u elk jaar 1000 euro mag storten. Dan verzamelt u veertigmaal 1000 euro: 40.000 euro. Begint u op u 35e, dan spaart u dertig jaar en wordt dat 30.000 euro. Begint u op u 45e, dan komt u uit op 20.000 euro. Daarbij moet u natuurlijk het rendement tellen. We gaan uit van een jaarlijks reëel rendement van 2 procent (dus we houden rekening met de inflatie). Na 40 jaar hebt u dan 61.610 euro ver- zameld, na 30 jaar 41.379 euro, na 20 jaar 24.783 euro. Op uw 60e verjaardag moet u 8 procent belastingen betalen, waarna u afgerond een spaarpotje overhoudt van respectievelijk 56.700 euro, 38.000 euro of 22.800 euro. Stel nu dat u na uw pensioen nog 20 jaar (240 maanden) leeft, dan heeft iemand die 40 jaar aan pensioen- sparen deed gedurende 20 jaar elke maand ongeveer 240 euro extra. Voor wie 30 jaar aan pensioensparen deed, is dat elke maand 160 euro extra, voor wie 20 jaar aan pensioensparen deed elke maand ongeveer 95 euro extra. Dat zijn vlugge berekeningen, met enkele onzekere factoren zoals rendement, inflatie en levensverwachting, maar ze geven u een idee. Als u wilt weten wat het bedrag is dat u via pensioensparen verzamelt, kan de financiële instelling waarbij u aan pensioensparen doet u dat vertellen. En dan is er ook nog al die jaren de mooie belastingvermindering van 25 of 30 procent als u aan pensioensparen doet. Maar u mag niet uit het oog verliezen dat u vrij hoge kosten moet betalen aan de financiële instelling waarbij u aan pensioensparen doet. De winst die de pensioenspaarder behaalt dankzij de belastingvermindering gaat voor een groot deel op aan de hoge kosten die de bank of verzekeringsmaatschappij aanrekent. Sommigen noemen pensioensparen daarom 'een subsidie voor de financiële instellingen'. Een eenvoudige vergelijking maakt deze gevoeligheid duidelijk. Wat zou er gebeuren als u het geld dat u jaarlijks in pensioensparen stopt even consequent op een andere manier belegt? Bijvoorbeeld in een tracker, een exchange traded fund in het jargon, dat een of andere beursindex of een aandelenkorf als hun schaduw volgt. De kosten bij trackers liggen in vergelijking met pensioensparen laag. Berekeningen leren dat als uw investering via een tracker evenveel rendement behaalt als uw pensioensparen via een pensioenfonds, een tracker meer oplevert. Natuurlijk, om in trackers te beleggen, moet u enige financiële interesse en kennis hebben. En u moet elk jaar consequent geld in een tracker steken. Dat vergt discipline. Bij pensioensparen is dat niet zo: het product wordt u mooi gepresenteerd door de financiële instelling en de stortingen gebeuren automatisch, daar zorgt die financiële instelling wel voor. Maar wel tegen een hoge kostprijs. Is beleggen in zoiets al trackers niets voor u? Dan is pensioensparen een goede manier om een extra potje aan te leggen voor na uw pensioen. Behalve het wettelijk pensioen, het aanvullend pensioen en het pensioensparen zijn er nog andere pensioenpijlers. Zo kunt u op eigen houtje nog wat geld op een spaarboekje zetten, of beleggen in aandelen, obligaties, beleggingsfondsen enzovoort. Dat is de 'vierde pensioenpijler'. Elke beleggingsformule heeft zijn eigen voor- en nadelen, meer of minder risico, meer of minder kosten. Welke beleggingsvorm het best bij u past, vindt u in het boek Investeren in de tweede helft van je leven, waarin al de formules tegen het licht worden houden. Als 'vijfde pensioenpijler' is er de eigen woning. Als u het geluk hebt gehad een huis te kunnen kopen, is de hypothecaire lening wellicht afbetaald tegen wanneer u met pensioen gaat, en hoeft u geen geld uit te geven aan huur. Dat scheelt een slok op de borrel voor een gepensioneerde. Bovendien is uw woning een kapitaal waard. Als u later kleiner wilt gaan wonen of als een verblijf in een woonzorgcentrum aan de orde is, kunt u uw woning verkopen en ontvangt u een aardige som. Maar reken u als eigenaar van een woning ook niet meteen rijk, want volgens de Nationale Bank is vastgoed in ons land 13,5 procent overgewaardeerd. U mag er dus niet van uitgaan dat uw woning later evenveel zal opbrengen als er vandaag voor wordt geboden. En almaar vaker wordt er nog een 'zesde pensioenpijler' naar voren geschoven: nog wat bijverdienen na uw pensionering. U mag tegenwoordig onbeperkt bijverdienen als u bijvoorbeeld 65 jaar bent en een pensioen ontvangt. Of als u bij aanvang van uw pensioen een loopbaan hebt van 45 jaar. Voldoet u niet aan die voorwaarde, dan mag u maar beperkt bijverdienen. Nog goed om te weten: met een job die u uitoefent na uw pensionering bouwt u geen extra pensioen op. Nog één dingetje. De wettelijke pensioenen in ons land liggen laag en er is een probleem van de financiering. Bovendien is er al langer sprake van dat de pensioenregelingen voor werknemers, ambtenaren en zelfstandigen op elkaar zullen worden afgestemd. Het is dus zeer goed mogelijk dat er in de toekomst het een en ander verandert aan het wettelijk pensioen. Ook aan de andere pensioenpijlers kan er iets wijzigen. Zo gaf huidig minister van Pensioenen Karine Lalieux (PS) al te kennen dat ze de belastingvoordelen voor het aanvullende pensioen en het pensioensparen het liefst wil afbouwen. Ook belastingen op het zelf sparen en beleggen behoren in het kader van een nieuwe vermogensbelasting tot de mogelijkheden. Maar laat dat u vooral niet tegenhouden om al vroeg te denken aan later.