De voorbije jaren was iedereen, ook Knack, vernietigend over de prestaties van de regering-Michel op het vlak van de overheidsfinanciën: de begrotingsdoelstellingen werden niet gehaald, de staatsschuld bleef hangen rond de 106 procent van het bruto binnenlands product. Alles wees erop dat deze regering niet zou slagen in de voornaamste doelstelling die ze zich had gesteld: de sanering van de overheidsfinanciën. Maar plots ziet het financiële plaatje er veel rooskleuriger uit: de regering-Michel stevent af op een structureel tekort van 1,5 procent, waar zo goed als alle begrotingsexperts mee kunnen leven, terwijl de overheidsschuldgraad onder de 100 procent kan duiken. We mogen gerust spreken van een kentering.
...

De voorbije jaren was iedereen, ook Knack, vernietigend over de prestaties van de regering-Michel op het vlak van de overheidsfinanciën: de begrotingsdoelstellingen werden niet gehaald, de staatsschuld bleef hangen rond de 106 procent van het bruto binnenlands product. Alles wees erop dat deze regering niet zou slagen in de voornaamste doelstelling die ze zich had gesteld: de sanering van de overheidsfinanciën. Maar plots ziet het financiële plaatje er veel rooskleuriger uit: de regering-Michel stevent af op een structureel tekort van 1,5 procent, waar zo goed als alle begrotingsexperts mee kunnen leven, terwijl de overheidsschuldgraad onder de 100 procent kan duiken. We mogen gerust spreken van een kentering. Er zijn verschillende factoren die samen voor de ommekeer zorgen. Zo verkocht de Belgische staat vorige week een kwart van haar aandelen in de Franse bank BNP Paribas. Daardoor zakt het belang van België van 10,3 naar 7,8 procent, en dat levert ons 2 miljard euro op. Wat kunnen we doen met dat geld? Sommigen hopen dat we het kunnen investeren, bijvoorbeeld in onze infrastructuur. Dat is wensdenken. Het is de federale overheid die over het geld beschikt, en het is moeilijk voor te stellen dat ze het geld bijvoorbeeld aan Vlaanderen zal geven om in Oosterweel te investeren. De federale overheid is Sinterklaas niet, en bovendien mag het geld uit de verkoop van een overheidsparticipatie volgens de Europese boekhoudkundige regels alleen gebruikt worden om de overheidsschuld af te bouwen. Met die 2 miljard zal onze staatsschuld van 105,9 procent naar 105,4 procent van het bbp dalen. Na de verkoop verklaarde minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) dat de regering al langer had vastgelegd om '20 à 50 procent' van haar participatie in BNP Paribas te verkopen. Dat uiteindelijk 'maar' een kwart werd verkocht, heeft te maken met de overweging dat als er nu meer BNP Paribas-aandelen op de markt zouden worden gegooid, de aandelenkoers door een overaanbod weleens zou kunnen zakken. Meteen is duidelijk dat de Belgische regering uiteindelijk 50 procent van haar participatie wil slijten. Dat moet ons nog een keer minstens 2 miljard euro opleveren. Als de regering-Michel erin slaagt om tijdens deze regeerperiode nog eens zo'n pakket BNP Paribas-aandelen te verkopen - waarover dus al overeenstemming bestaat binnen de regering - dan zou de staatsschuld zelfs met 1 procentpunt dalen. En het is zeker niet uitgesloten dat de regering nog andere overheidsparticipaties afbouwt, zoals die in Belfius, Bpost, Proximus enzovoort. Ook dat brengt geld in het laatje en zal de staatsschuld terugdringen. Dan is er ook de economische groei. Voor dit jaar wordt uitgegaan van 1,5 procent groei, en voor volgend jaar rekenen sommigen zelfs op 2 procent. Tel daar 2 procent inflatie bij en het bbp stijgt jaarlijks met zeker 3,5 procent. Dat alleen al zal onze schuldgraad richting 100 procent brengen. Het is van 2010 geleden dat onze staatsschuld nog onder die belangrijke psychologische drempel zat. Door de economische groei zal ook de begroting er beter uitzien dan tot nu toe wordt aangenomen. Bovendien kan de federale regering volgend jaar dankzij de autonomiefactor, een uitvloeisel van de bijzondere financieringswet en de zesde staatshervorming, eenmalig rekenen op 2 miljard extra inkomsten. Dat geld komt van de deelstaten en wordt vooral voor de Parti Socialiste - die de Franse Gemeenschaps- en de Waalse en Brusselse regeringen leidt, maar federaal in de oppositie zit - een harde noot om te kraken. Ondertussen blijft het aantal jobs toenemen en daalt de werkloosheid. Ook dat is gunstig voor de overheidsfinanciën. We gaan voor 2018 naar een structureel begrotingstekort van pakweg 1,5 procent, en dat vinden veel begrotingsexperts heel verdedigbaar. Alleen fetisjisten liggen er wakker van dat het begrotingsevenwicht niet in 2018 maar pas in 2019 wordt bereikt. Alles wijst erop dat de schuldgraad en het begrotingstekort de volgende jaren sterk zullen afnemen, zeker als men de uitgaven onder controle weet te houden. Die daling gebeurt zonder veel begrotingsbeleid of structurele maatregelen, er was alleen maar de verlaging van de werkgeversbijdrage in het kader van de taxshift. Het had er dus allemaal nog beter kunnen uitzien, maar niettemin: de regering-Michel zal tegen de verkiezingen een beter rapport over de overheidsfinanciën kunnen voorleggen dan iedereen tot nu toe dacht. Dat heet: hoerenchance.