De boer moet een optimist zijn of hij zou geen boer meer zijn', luidt een gezegde. Maar evengoed hoor je: 'Eerder verzuipt een vis, dan een boer sterft van de honger.' Beide zijn waar: in de landbouwsector heb je bedrijven die het zeer moeilijk hebben, terwijl andere in krek dezelfde specialiteit veel geld verdienen. 'Het woordje "gemiddeld" is altijd gevaarlijk', zegt Jan Leyten, landbouweconoom bij bankverzekeraar KBC. 'We weten allemaal dat we kunnen verdrinken in een plas die "gemiddeld" 20 centimeter diep is. Wel, dat geldt zeker voor de landbouwsector: de verschillen tussen landbouwbedrijven zijn erg groot.' Toch kan er iets gezegd worden over onze veeteelt, die in de kijker loopt nu we worden aangemaand om minder vlees te eten en er veel aandacht is voor de CO2-uitstoot van onze veestapel.
...

De boer moet een optimist zijn of hij zou geen boer meer zijn', luidt een gezegde. Maar evengoed hoor je: 'Eerder verzuipt een vis, dan een boer sterft van de honger.' Beide zijn waar: in de landbouwsector heb je bedrijven die het zeer moeilijk hebben, terwijl andere in krek dezelfde specialiteit veel geld verdienen. 'Het woordje "gemiddeld" is altijd gevaarlijk', zegt Jan Leyten, landbouweconoom bij bankverzekeraar KBC. 'We weten allemaal dat we kunnen verdrinken in een plas die "gemiddeld" 20 centimeter diep is. Wel, dat geldt zeker voor de landbouwsector: de verschillen tussen landbouwbedrijven zijn erg groot.' Toch kan er iets gezegd worden over onze veeteelt, die in de kijker loopt nu we worden aangemaand om minder vlees te eten en er veel aandacht is voor de CO2-uitstoot van onze veestapel. Het belang van de landbouw in onze economie neemt af. Dat is geen nieuws, die evolutie is al meer dan honderd jaar aan de gang. Maar vandaag gaat het wel erg hard: in 1980 was landbouw nog goed voor iets meer dan 1 procent van het bruto binnenlands product, nu nog maar circa een half procent. In die bijna 40 jaar zijn in ons land 68 procent van de landbouwbedrijven en 62 procent van de banen verdwenen. Dat is bijna een kaalslag. Het wordt nog spannender, want de volgende tien jaar gaan heel veel boeren met pensioen. En wie zal nog een landbouwbedrijf willen/kunnen/ durven overnemen? Je kunt de landbouwsector in ons land niet zomaar weggommen. 'Zonder eigen land- en tuinbouw, geen zekerheid op voedsel', stelt de belangenorganisatie Boerenbond terecht. Bovendien gaat het nog steeds om een belangrijke sector, met 36.000 landbouwbedrijven, waarvan 23.000 in Vlaanderen. Er zijn 70.000 arbeidskrachten aan de slag, waarvan bijna 50.000 in het noorden van het land. Daarvan behoren er 15.000 niet tot de familie die de boerderij bezit. Het aantal niet-familiale arbeidskrachten steeg trouwens van 4 procent in 1980 tot 30 procent nu. Dat is allemaal niet te verwaarlozen. Al is landbouw slechts goed voor minder dan een half procent van onze economie, ze speelt wel een zeer belangrijke rol in onze uitvoer: vee, dierlijke en plantaardige producten en vetten zijn goed voor 5,7 procent van de Belgische export. En dan hebben we het nog niet gehad over de bedrijven die bijvoorbeeld groenten invriezen, inblikken, of ze op een andere manier bewerken of verwerken... Zonder landbouw geen industriële voedingssector en die is in Vlaanderen goed voor een omzet van 60 miljard en 150.000 jobs. Binnen onze landbouwsector heeft de veeteelt een groter economisch gewicht dan de tuin- en akkerbouw. De cijfers blijven duizelingwekkend: Vlaanderen telt 5,7 miljoen varkens, 1,3 miljoen runderen en 34,1 miljoen stuks pluimvee. Ze hebben allemaal hun eigen verhaal. Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men een varkensboer tegen. Zeker wie door landelijk West-Vlaanderen rijdt, kan er niet naast kijken - of ruiken: de varkenshouderij is er alom aanwezig. Een van de redenen is dat ze daar dicht bij de veevoederfirma's liggen, die zich vestigden langs de kanalen en bij havens, een strategische ligging voor de aanvoer van grondstoffen. Ook Oost-Vlaanderen en in mindere mate het Waasland en de Kempen tellen veel varkensboeren. Het aantal varkenshouders daalt al meer dan tien jaar. Sinds 2007 is 38 procent verdwenen. Het aantal varkens nam ook af, maar veel minder sterk. Dat betekent dat het gemiddeld aantal varkens per bedrijf steeg van pakweg 1000 varkens tien jaar geleden naar 1500 nu. 'Schaalvergroting is een trend die we al decennia in de hele veeteelt zien', zegt Leyten. Hij maakt bij KBC rendabiliteitsstudies van de land- en tuinbouw en de cijfers van 2018 zijn net klaar. Daaruit blijkt dat 2018 een crisisjaar was voor de varkenssector. Of je nu kijkt naar zeugenhouderijen (die biggen opkweken tot 20 kilo), de vleesvarkenshouderijen (die de biggen opkweken tot varkens van 100 à 110 kilo om ze dan te laten slachten) of de gesloten varkensbedrijven (die de hele cyclus verzorgen), de resultaten waren bedroevend. In ons land werden vorig jaar 11 miljoen varkens geslacht, waarvan 10 miljoen in Vlaanderen. Leyten: 'Meer dan de helft daarvan wordt geëxporteerd, meestal binnen Europa, maar ook naar China, Korea, Japan...' De rest blijft in België en belandt bijvoorbeeld als varkensgehakt op je bord, waar je bij de beenhouwer zo'n 7 euro per kilo voor betaalt, of als varkenshaasje dat 11 euro kost. De boer kreeg vorig jaar gemiddeld 115 euro voor zijn vetgemest vleesvarken, of iets minder dan 1 euro per kilo. Dat is de laagste prijs in vijf jaar. Na aftrek van alle kosten, zoals veevoeder maar ook de afbetaling van de leningen en wat hij moet dokken om het mest kwijt te raken, verlóór de gemiddelde varkensboer 3 euro per varken. Ook de eerste maanden van dit jaar liggen de prijzen voor een vleesvarken erg laag. 'Wat je hier ziet, is puur economie', becommentarieert Leyten. 'Het spel van vraag en aanbod leidt tot een prijs. Het ene jaar ligt de prijs hoger en investeren de boeren in meer varkens, met als gevolg dat het aanbod stijgt en de prijs fel zakt. En tussendoor gebeurt er een calamiteit, dan breekt bijvoorbeeld de Afrikaanse varkenspest uit onder de everzwijnenpopulatie en krijgt de hele varkenssector klappen. De boer moet tijdens de goede jaren voldoende geld opzij leggen om tijdens de magere jaren voort te kunnen, of op een andere manier de eindjes aan elkaar zien te knopen. Maar je mag rustig stellen dat de varkenssector het de voorbije tien jaar niet makkelijk had en dat 2018 ronduit slecht was.' Daarbij kent de varkenssector vandaag een aantal serieuze bedreigingen. Ze worden opgesomd in het tweejaarlijkse Landbouwrapport, dat de uitdaging voor de Vlaamse land- en tuinbouw met cijfers in kaart brengt. Het Rapport 2018 stipt aan dat de varkenssector 'binnen Europa geen sterkte reputatie heeft op het vlak van belangrijke thema's als dierenwelzijn, antibioticagebruik en milieuvriendelijkheid'. Daar blijft die sector mee worstelen. Daarnaast wordt gewezen op de toenemende aandacht voor gezond eten en ook 'de veranderende eetpatronen in eigen land door vergrijzing, religie en vegetarisme vormen een bedreiging.' Dat klopt: tien jaar geleden at de Belg nog gemiddeld bijna 7 kilo varkensvlees per jaar, nu 5,5 kilo, een daling met meer dan 20 procent. Gelukkig voor de varkensboeren wordt er 'op de wereldmarkt een toenemende vraag naar vlees genoteerd, als gevolg van de bevolkingsgroei en de economische groei'. Dat stut nog enigszins de varkensprijs, anders was het pas echt miserie. Bij rundvee moet een onderscheid worden gemaakt tussen het vleesvee en het melkvee. Er zijn in Vlaanderen zo'n 3000 landbouwbedrijven gespecialiseerd in vleesvee. In vergelijking met tien jaar geleden is dat een daling met 35 procent. Er worden in ons land jaarlijks meer dan 500.000 volwassen runderen en bijna 400.000 kalveren geslacht. Dat aantal neemt de laatste jaren toe, terwijl de vraag daalt. Dat geeft aanleiding tot een overaanbod en - opnieuw de wet van vraag en aanbod - dus daalt de prijs. De vleesveehouderij is structureel al jaren verliesgevend, KBC becijfert zelfs hun rendabiliteit niet meer. Al jaren stapelen de verliezen er zich op en het Landbouwrapport omschrijft 2016 (het meest recente beschikbare jaar) als een 'dieptepunt': een gespecialiseerd vleesveebedrijf ging toen gemiddeld 42.969 euro in het rood. Uit enquêtes blijkt dat landbouwers zich altijd zorgen maken over de onzekerheid van hun inkomen, maar bij de vleesboeren ligt dit percentage met 64 procent het hoogst. Onze kwekers van rundvlees pakken graag uit met het Belgisch witblauw, dat grotendeels hier over de toonbank gaat. Voor rundstoofvlees betaal je in de winkel zo'n 8 euro per kilo, voor een biefstukje 15 euro. Leyten: 'Onze rundvleessector is tamelijk eenzijdig gericht op Belgisch witblauw en zit al jaren in een malaise. Dat witblauw is geen bulkproduct, maar ook geen echt specialiteitsproduct, het zit ergens tussenin. Maar de boeren hebben geen echt alternatief, want het fokken van andere rassen is zelden rendabeler.' Het Landbouwrapport is niet mals voor de vleesveehouderijen: vele hebben geen inzicht in hun kerngetallen, zoals kostprijs, dagelijkse groei en vruchtbaarheid. Hun imago had enige jaren geleden te lijden onder het hormonengebruik, 'maar dat is ondertussen deels voorbijgestreefd', aldus het rapport, om er dan snel aan toe te voegen: 'Er moet maar één schandaal gebeuren en we ondervinden weer jaren imagoschade'. Ook de mestafzet, vooral de zeer vloeibare mest van kalveren, blijft een probleem. Daarbij komt nog dat er steeds minder rundvlees wordt gegeten. Tien jaar geleden kocht de Belg nog 6,7 kilo rund- en kalfsvlees, nu 4,6 kilo, een daling van meer dan 30 procent. In de nieuwe voedseldriehoek wordt aangeraden om minder rood vlees te eten, en ook kalfsvlees wordt tot rood vlees gerekend. 'De consumptie per capita van rundvlees wordt niet verwacht nog te groeien', schrijft het Landbouwrapport. 'Deze trend is ook een gevolg van de toenemende aandacht voor het klimaat, het milieu, gezondheidsredenen, dierenwelzijn enzoverder.'Een ander verhaal zijn de melkveehouderijen. De melkveestapel groeide sinds 2008 met 10 procent. Het imago van de melkveehouderij is ook veel positiever dan dat van de rundvleessector, vooral omdat ze een betrouwbaar en voedzaam basisproduct aflevert, dat streng wordt gecontroleerd. Maar zelfs dan: de laatste tien jaar daalden de aankopen van zuivelproducten, zoals kaas en yoghurt, lichtjes. Consumptiemelk wordt zelfs duidelijk minder verkocht. Gelukkig voor de melkveehouderijen neemt de export buiten Europa, onder andere naar China, sterk toe. Op een kwart van de Vlaamse landbouwbedrijven, zo'n 5800 boerderijen, wordt melkvee gehouden en ook dat aantal daalde de afgelopen tien jaar. Het gemiddeld aantal melkkoeien steeg van 38 in 2007 tot 56 in 2017. 'In vergelijking met een aantal buurlanden zijn de melkveebedrijven in Vlaanderen kleinschalig, waardoor schaalvoordelen niet optimaal benut worden', meldt het Landbouwrapport. De behoefte aan kapitaal bij de melkveebedrijven is zeer groot, om te kunnen investeren in grond, gebouwen, machines enzoverder. Het rendement op de investeringen ligt dan weer laag, zo blijkt uit de KBC-cijfers. 2018 was een redelijk goed jaar: de boer ontving 33 cent per liter melk en hield daar 6 cent aan over - zoals u ongetwijfeld weet, kost één liter melk in de winkel zo'n 80 cent. 'Eigenlijk houdt de boer dus maar weinig over', zegt Leyten. 'In de jaren 2015 en 2016 zelfs nauwelijks één cent per liter, dat is toch zo goed als niets, maar 2017 was met 9 cent per liter dan weer een topjaar. En ik wil het nog eens benadrukken: dat is gemiddeld. Er zijn melkveehouders die zwaar geïnvesteerd hebben in hun bedrijf en maandelijks veel moet afdragen voor hun lening en dus in 2015 en 2016 verlies maakten op elke liter melk.' De laatste jaren schakelen heel wat noodlijdende landbouwbedrijven over naar vleeskippen, want dat is een redelijk succesverhaal. De pluimveesector speelt zich voor bijna 90 procent af in Vlaanderen, vooral in West- en Oost-Vlaanderen en in het noorden van Antwerpen en van Limburg. Het aantal vleeskippen is de laatste jaren sterk toegenomen, nu zijn er in Vlaanderen zo'n 22 miljoen. Die toename zorgt voor onrust in de sector: zal dat niet leiden tot een overaanbod aan braadkippen en dus tot een prijsdaling? De schaalvergroting is bij het pluimvee nog belangrijker dan bij varkens en runderen: in tien jaar tijd nam het aantal stuks pluimvee per bedrijf met liefst 70 procent toe. De Belg koopt nu jaarlijks zo'n 9 kilo vers gevogelte en dat is een stijging van pakweg 10 procent vergeleken met tien jaar geleden. Pluimvee is de enige vleessector waarvan de consumptie in ons land toeneemt. We zien dus niet alleen dat er minder vlees wordt gegeten, maar ook dat er een verschuiving is van rood vlees naar gevogelte. Al merkt het Landbouwrapport op dat het kippenvlees steeds meer concurrentie krijgt van plantaardige producten. De kip is niet alleen bij ons maar wereldwijd aan een opmars bezig, in arme én rijke landen. In de OESO-landen, een verzameling industrielanden, nam de consumptie van kip sinds 1990 toe met 70 procent. Want een kip is goedkoop én lekker. De Belgische pluimveehouder surft mee op dat succes. Leyten: 'Een kip is ongelooflijk goed in het produceren van vlees: ze slaagt erin om anderhalve kilo voeder om te zetten in één kilo kip. Dat is veel efficiënter dan een varken of een rund. Vandaar dat een kip zo goedkoop kan zijn.' In de winkel heb je nu al voor 4 euro een braadkip, een scharrelbraadkip kost meer dan het dubbele. De pluimveehouder ontving vorig jaar gemiddeld 2,30 euro voor zijn braadkip, een prijs die over de jaren heen redelijk stabiel bleef. Per kip hield hij echter slechts 6 cent over, heel wat minder dan de voorbije jaren. Leyten: '2018 was een zwakker jaar voor braadkippen, onder meer omdat de Belgische braadkip op de buitenlandse markt steeds meer concurrentie krijgt van kippen uit Brazilië, omdat de productie in Polen sterk toenam en we meer kippen invoerden vanuit Oekraïne.' En hoe zit het bij de legkippen? Vlaanderen telt zo'n 11 miljoen legkippen, die 70 weken lang elke dag een ei leggen. Dan zijn ze uitgelegd. De prijs van een ei staat onder voortdurende prijsdruk, onder andere door invoer van goedkope eieren uit Oekraïne. Leyten: 'Toen in de zomer 2017 de fipronilcrisis uitbrak in 45 landen, waaronder ook België, stegen de prijzen van de eieren tot ongekende hoogten, maar sinds begin 2018 tuimelden ze naar beneden.' Voor tien eieren betaalt u in de winkel rond de 3 euro, de eierboer krijgt voor honderd bruine scharreleieren iets meer dan 7 euro en houdt daar 1,2 euro aan over. De Vlaming blijkt gemiddeld 64 eieren per jaar te eten, een getal dat de afgelopen tien jaar vrij stabiel bleef. Maar het Landbouwrapport ziet concurrenten opdoemen: ' Vegan eggs op basis van sojamelk, algen of mungbonen liggen in Denemarken al in de winkelrekken en kunnen een deel van de markt veroveren.' En dan mogen we niet vergeten dat heel wat mensen zelf kippen houden, die niet alleen het keukenafval uit de weg ruimen maar ook nog eens eitjes leggen. Zij zijn al goed voor 10 procent van het verbruik van verse eieren. Ook zij vormen dus een niet onbelangrijke concurrent voor de pluimveehouder. Ondanks het succes van de kip heeft ook de gemiddelde pluimveehouder weinig reden tot feesten. De veevleessector verkeert al jaren in permanente crisis. De vraag naar vlees neemt af, zeker in eigen land. De redenen om geen vlees meer te eten zijn talrijk, van dierenwelzijn over CO2-uitstoot tot gezondheid. Bovendien hebben de veeteeltbedrijven hun imago tegen, het gevolg van voedselschandalen. Gelukkig is er economische groei in sommige delen van de wereld, zoals China, zodat steeds meer mensen het zich kunnen permitteren om vlees te eten. Dat biedt Belgische boeren nieuwe exportmogelijkheden. Ze moeten daarbij de wetten van vraag en aanbod ondergaan en zich tevreden stellen met de prijs die geboden wordt voor hun varken, rund, melk, kip of ei. Landbouwers zijn geen prijsleiders, maar volgers. De veeteeltsector is vandaag bijzonder kapitaalsintensief. Een boer kan niet meer zonder belangrijke investeringen in stallen en installaties, waarmee hij zich voor 20 jaar of langer vastzet. Een ander substantieel onderdeel van de kostprijs is het veevoeder, waardoor de boer min of meer afhankelijk wordt van een veevoederbedrijf. Boeren klagen al eens over de oneerlijke concurrentie die ze ondervinden van die veevoederbedrijven, omdat die bijvoorbeeld ook zelf varkens kweken en dat tegen een veel lagere kostprijs kunnen doen. Dit alles zet vooral de kleinere, minder professionele en minder efficiënte boeren onder druk. Het inkomen van de boer schommelt fel en er is nogal wat armoede onder de landbouwers. 'Toch zien we maar weinig faillissementen of landbouwbedrijven die gedwongen moeten stoppen', zegt Leyten. 'Vaak gaat het om familiale bedrijven en die slagen er altijd wel in om de eindjes aan elkaar te knopen. Maar de vraag is toch: hoelang kun je dat volhouden?' Dat is nu meer dan ooit de cruciale vraag, want de Vlaamse boerenbevolking vergrijst snel en er is nauwelijks instroom van jonge landbouwers. De gemiddelde leeftijd van de bedrijfshoofden steeg van 50 jaar in 2007 tot 54 jaar nu. Slechts 10 procent van de boerderijen heeft een gezinshoofd jonger dan 40 jaar, 16 procent is ouder dan 65 jaar. En slechts 13 procent van de bedrijfshoofden ouder dan 50 jaar beschikt over een vermoedelijke opvolger. Allemaal alarmerende cijfers. Leyten: 'Tussen nu en pakweg tien jaar is er dus een gigantische uitstroom in de landbouwsector. En we weten wat er daarbij gebeurt: slechts één op de vier landbouwbedrijven blijft dan bestaan, drie vierde verdwijnt, wordt al dan niet in stukken verkocht.' Leyten maakt een vlugge rekensom: neem een melkveebedrijf met 30 hectare grond in eigendom. Tegen een prijs van 50.000 tot 60.000 euro per hectare kom je aan een prijskaartje van 1,5 tot 1,8 miljoen euro - dat is heel veel geld. 'Wie kan zo'n boerderij overnemen?', vraagt Leyten. 'Wie heeft dat geld? Wie durft daarvoor te gaan lenen? Wie kan dat terugbetalen als je weet wat een gemiddelde boer de voorbije jaren verdiende?' De boer die zijn boerderij goed kan verkopen, brengt het spreekwoord 'een boer leeft arm, maar sterft rijk' in de praktijk. Maar voor vele anderen geldt meer dan ooit die andere uitspraak: 'Het is geen kunst om boer te worden, wel om boer te blijven.'