Regisseur Jan Verheyen kreeg midden april van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) bijna 1 miljoen euro subsidie voor zijn film Happening. Dat bericht deed menige wenkbrauw fronsen. Om te beginnen is er dat bedrag. Nooit eerder werd een Vlaamse productie zo royaal gesubsidieerd. Een schijn van favoritisme was meteen gewekt.
...

Regisseur Jan Verheyen kreeg midden april van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) bijna 1 miljoen euro subsidie voor zijn film Happening. Dat bericht deed menige wenkbrauw fronsen. Om te beginnen is er dat bedrag. Nooit eerder werd een Vlaamse productie zo royaal gesubsidieerd. Een schijn van favoritisme was meteen gewekt. Happening wordt de verfilming van het gelijknamige boek van Johan Swinnen, voormalig fractiesecretaris van de N-VA en tot voor kort onder meer lid van de raad van bestuur van het VAF. Dat regisseur Verheyen sympathie heeft voor de N-VA is geen geheim. Dat het VAF sinds kort wordt voorgezeten door voormalig N-VA-politicus Siegfried Bracke al evenmin. En dan is er nog de inhoud. Zowel in zijn boek als in interviews daarover toont Swinnen zich ervan overtuigd dat de brand in de Brusselse Innovation in 1967, een ramp waarbij hij beide ouders verloor, werd aangestoken door extreemlinkse activisten. Hoewel er voor die theorie geen bewijs bestaat, geeft ze Swinnens boek een politieke lading die uitstekend in het rechtse kraam te pas komt. Het zijn feiten die legitieme vragen oproepen. Zoals: was er bij de beslissing om dit project zo rijkelijk te subsidiëren inderdaad sprake van favoritisme? Of: mogen we besluiten dat het VAF verworden is tot een radertje in een rechts- nationalistische propagandamachine? Het antwoord luidt twee keer 'nee'. Een eerste tegenindicatie levert het project Wil, een verfilming van het gelijknamige boek van Jeroen Olyslaegers. Dat is een werk dat slechts bezwaarlijk 'rechtse propaganda' mag heten. Voor de verfilming ervan door regisseur Tim Mielants ( De Patrick, Peaky Blinders) kende het VAF onlangs een bijna even hoge subsidie (925.000 euro) toe. Bovendien is het niet de raad van bestuur maar een onafhankelijke beoordelingscommissie die, in eerste instantie toch, over de dossiers beslist. Dat die commissie zich in dit geval niet liet beïnvloeden, bleek uit een opmerkelijk verhaal dat vorige week in De Morgen verscheen.Behalve voor Happening had Jan Verheyen ook een dossier ingediend voor een tienerfilm, geregisseerd door zijn vrouw en geproduceerd door hemzelf. De beoordelingscommissie oordeelde dat het project onvoldoende was uitgewerkt en gaf een negatief advies. Tot verbazing van velen werd het oordeel van de commissie aangevochten door bestuursvoorzitter Siegfried Bracke. Blijkbaar zag die de subsidie liever naar de tienerfilm gaan. Zijn argument: de film is bedoeld voor een groep die het 'in deze tijden hard te verduren heeft gehad'. Dat Bracke, overigens vruchteloos, voorstelde om het geld niet naar de verfilming van Swinnens boek te laten gaan, is op een manier geruststellend. Het wijst erop dat de beslissing om bijna 1 miljoen euro te geven aan de verfilming van een zo ideologisch geladen boek als dat van Swinnen wel degelijk door de onafhankelijke beoordelingscommissie is genomen. Toch roept Brackes tussenkomst pertinente vragen op. Dat de raad van bestuur zich bemoeit met het oordeel van de beoordelingscommissies is allerminst gebruikelijk, en volgens velen ook onwenselijk. Bracke ziet dat duidelijk anders. 'De regeringscommissaris bij het VAF heeft al de opdracht gekregen om na te gaan in welke mate de raad van bestuur kan afwijken van zo'n advies', vertelde Bracke in De Morgen. 'En misschien is deze nieuwe raad ook minder volgzaam dan de vorige, ja.' De uitspraak versterkt een vrees die in het culturele veld al sterk leefde. Zou het kunnen dat de politiek, en met name de N-VA, via de raden van bestuur haar stempel wil drukken op de artistieke productie in Vlaanderen? Marius Meremans, N-VA-parlementslid en actief lid van de commissie voor Cultuur in het Vlaams Parlement, spreekt dat tegen. 'Ik ken de casus die u noemt niet precies, maar ongetwijfeld speelt hier ook het feit dat Siegfried in bepaalde kringen een gecontesteerde figuur is. Alles wat hij zegt, wordt onder een vergrootglas gelegd. Ten gronde: een raad van bestuur gaat niet over de inhoud. Hij moet enkel nagaan of zo'n beoordeling correct is verlopen. Als een beoordelingscommissie iets een goed project vindt, dan moet je volgen.' Wat Meremans niet bestrijdt, is dat zijn partij de afgelopen jaren haar territorium binnen het culturele veld fors heeft uitgebreid. 'De partij is bezig aan een mars door de culturele instellingen', stelt Bart Caron (Groen), gewezen volksvertegenwoordiger voor Groen en ooit nog kabinetschef van voormalig minister van Cultuur Bert Anciaux (eerst voor VU-ID, in een tweede termijn voor Spirit, later SP.A) en wijlen Paul Van Grembergen (Spirit). Een blik op de samenstelling van de raden van bestuur bevestigt dat beeld. Behalve Siegfried Bracke kreeg een indrukwekkende stoet andere figuren met N-VA-signatuur de afgelopen jaren een belangrijke positie in Vlaamse culturele instellingen toebedeeld. Zo werd, twee jaar geleden al, N-VA-gedeputeerde Luk Lemmens voorzitter van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA). Sinds 2019 is N-VA-gemeenteraadslid Kevin Vereecken de voorzitter van het Antwerpse internationale muziekcentrum Amuz. Dezelfde functies bekleden Herman De Bode, gewezen kabinetschef van huidig minister-president Jan Jambon, bij het M KHA en Antwerps gemeenteraadslid André Gantman bij Opera Ballet Vlaanderen. Misschien wel het opvallendst is de N-VA-aanwezigheid in het Antwerpse stadstheater Toneelhuis. Voorzitter van de raad van bestuur is daar de eerder genoemde Johan Swinnen. In zijn raad van bestuur zitten verder nog Mark Andries (voormalig kabinetschef van Geert Bourgeois, N-VA Borgerhout), Bert Corluy (kabinetschef van schepen van Cultuur Nabilla Ait Daoud, N-VA Deurne), Maryse Daniels (projectcoördinator Handelsbeurs, N-VA Wilrijk) en Martijn Van Esbroeck (N-VA-gemeenteraadslid in Antwerpen). Met vijf van de vijftien leden plus de voorzitter vormt N-VA in de raad van bestuur van het Toneelhuis nog geen meerderheid, al is dat volgens een bestuurslid dat anoniem wenst te blijven enkel theoretisch zo. 'De namen die u noemt, zijn mensen met een duidelijke kleur. Maar je hebt ook de zogenaamde onafhankelijken. Dat zijn vrijwel allemaal mensen die tot de raad zijn toegetreden op voorspraak van N-VA. Het resultaat is een raad van bestuur met nauwelijks dissonante stemmen.' Volgens het bestuurslid is er een reden waarom de partij de raad van bestuur van het Toneelhuis zo gretig wil bevolken. 'Het is geen toeval dat minister-president Jambon ook minister van Cultuur is geworden. Niet iedereen beseft dat, maar cultuur is top of mind binnen zijn partij. Dat is ook hier heel duidelijk. Nu er een beheersovereenkomst moet worden gemaakt tussen Toneelhuis en het kabinet zijn de lijnen heel erg kort. Jambon of zijn kabinetschef Joachim Pohlmann hangen bijna dagelijks met voorzitter Swinnen aan de lijn. Bert Anciaux was destijds ook een minister met een duidelijke visie, maar zo sturend is hij nooit geweest.' 'Opzij opzij opzij, nu is het aan ons.' Onder die titel verscheen in 2016 in De Standaard een uitgebreid artikel over hetzelfde onderwerp. De teneur van het verhaal was toen nog dubbel. Toen al was de N-VA haar macht in de culturele wereld aan het uitbreiden. Tegelijk werd de machtshonger gerelativeerd. Als de partij echt in cultuur was geïnteresseerd, zo klonk het, dan had ze wel de ministerspost geclaimd. Inmiddels weten we beter. Sinds 2019 is Jan Jambon behalve Vlaams minister- president ook minister van Cultuur. Het is niet het enige wapenfeit. Eerder dat jaar had Antwerps schepen Nabilla Ait Daoud er met Cultuur een belangrijke bevoegdheid bij gekregen. En dan was er nog de carrièreswitch van Joachim Pohlmann, tot 2019 de N-VA-mediastrateeg en rechterhand van partijvoorzitter Bart De Wever. Pohlmann ruilde die sleutelpositie in voor een andere sleutelpositie: kabinetschef van de minister van Cultuur. Meer dan Jambon is het trouwens Pohlmann die de gesprekken met de instellingen voert. Het is de reden waarom hij binnen de sector als 'de feitelijke minister van Cultuur' wordt beschouwd. Wie wil begrijpen waarom N-VA vandaag zo gretig macht wil veroveren in de culturele wereld, kan de figuur Pohlmann niet negeren. Toen hij nog columnist voor De Morgen was, kondigde hij een 'gramsciaanse guerrilla' aan. Daarmee verwees hij naar de Italiaanse communist en denker Antonio Gramsci, die macht niet alleen als een kwestie van economie maar ook van ideeën beschreef. Wie erin slaagt zijn ideeën dominant te maken, bezit culturele hegemonie en dus macht. Links is die hegemonie volgens Pohlmann al even kwijt, terwijl rechts ze nog moet veroveren. Wat we vandaag meemaken, vertelt Bart Caron, is precies die veroveringsstrijd. 'Stel je daar geen Schild & Vrienden-achtig geflirt met wapens of vlaggenoptochten bij voor', vertelt hij. 'Het is een veel geraffineerdere, bijna onzichtbare strijd, waarbij bijvoorbeeld de langzame infiltratie in raden van bestuur een efficiënt wapen is. Beetje bij beetje wordt het terrein zo veroverd. Je kunt wel zeggen dat die raden van bestuur de inhoudelijke koers niet bepalen, maar via dat soort organen kun je wel subtiel druk zeten. Een uitgesproken voorbeeld is het verhaal van de Kazerne Dossin. Onder druk van bestuursleden als André Gantman zijn bepaalde activiteiten daar geschrapt. De druk werd zo groot dat de directeur (Christophe Busch, nvdr) uiteindelijk is opgestapt. Het ligt in de lijn der verwachting dat we zulke toestanden nog vaker zullen zien.' Het einddoel van deze strijd, zegt Caron, is het eigen denken hegemonisch maken. 'Het komt erop neer dat je probeert om van jouw ideeën de common ground te maken. Daar is de N-VA, ook in de cultuursector, goed in aan het slagen. Neem het idee van een Vlaams museum. Dat wordt vandaag niet of nauwelijks meer bestreden.' Vlaams Parlementslid Katia Segers, cultuur- en media-expert voor Vooruit, kent de praktijk van culturele raden van bestuur van binnenuit. Zelf had ze gedurende 15 jaar een zitje in het bestuur van wat toen nog de Vlaamse Opera heette. 'Als raad van bestuur beslis je niet wat er op de planken komt', zegt ze. 'Maar je kunt, als je dat wilt, wel een teneur bepalen. Als je maar vaak genoeg laat vallen dat het zo jammer is dat de traditie is verdwenen om rond Pasen Parsifal op te voeren, zet dat druk op hen die verantwoordelijk zijn voor het artistieke. Dat zie je vandaag ook duidelijk gebeuren bij de VRT. Nee, de raad van bestuur bepaalt niet wat wij op het scherm te zien krijgen. Maar als je, zoals N-VA en Vlaams Belang doen, voortdurend kritische vragen over de inhoud van nieuwsprogramma's stelt, kan dat ervoor zorgen dat de makers in een intimiderend klimaat moeten werken.' De vraag is dan of dit soort politieke druk wel zo nieuw is. Dat de N-VA de raden van bestuur naar hartenlust met politiek personeel mag vullen, is een gevolg van het Cultuurpact uit 1972, dat bepaalt dat de samenstelling een weerspiegeling moet zijn van de krachtsverhoudingen binnen het Vlaams Parlement. Kun je het een partij kwalijk nemen dat ze, zodra ze zelf de grootste is, gebruikmaakt van een systeem waar de grote partijen van weleer al een halve eeuw gretig gebruik van maken? En is er iets laakbaars aan een democratische partij die haar electorale dominantie ook in de culturele wereld wil verzilveren? 'Het is grappig dat andere partijen hierover fulmineren,' reageert Marius Meremans, 'terwijl ze eigenlijk zelf altijd meester in dat soort benoemingen zijn geweest. Het klopt dat een aantal mensen die wij afgevaardigd hebben wél een duidelijke kleur hebben, maar persoonlijk zie ik het probleem niet. Het is niet omdat je een politieke kleur hebt dat je niet over de benodigde expertise beschikt. Het ene sluit het andere niet uit.' Bart Caron ziet wél een probleem. 'De politisering van die bestuursraden is een relict van de verzuiling. Het is in het leven geroepen om de katholieke dominantie in Vlaanderen en de antikatholieke dominantie in Wallonië af te remmen. In feite profiteert de N-VA nu van een systeem dat vandaag niet meer relevant is, en ook geen enkele meerwaarde meer heeft voor de culturele instellingen. Integendeel. Als je ziet wie N-VA naar die raden stuurt, kun je alleen maar besluiten dat politieke kleur belangrijker is dan competentie. Ik denk niet dat Siegfried Bracke een groot kenner is van de film- en game-industrie. De partij heeft hem naar het VAF gestuurd omdat hij een symboolfiguur in de cultuurstrijd is. Wie de sector kent, weet dat de instellingen zelf liever van dit systeem af willen.' Een belangrijk aspect bleef tot nu toe onbesproken. In het Vlaams Parlement werd zopas een nieuw kunstendecreet goedgekeurd. Volgens Katia Segers spreekt uit dat decreet heel duidelijk het verlangen om kunst en cultuur te instrumentaliseren. Dat zou ook af te leiden zijn uit de meestbesproken nieuwigheid in het decreet: de invoering van een nieuwe categorie cultuurhuizen, de zogenaamde kerninstellingen. Het gaat over een tiental instellingen die, naast de 'grote zeven' (onder meer DeSingel, de AB en het Brugse Concertgebouw), meer financiële stabiliteit zullen genieten. Zo krijgen ze voor hun subsidiëring zekerheid voor de volgende tien jaar, tegenover vijf jaar nu. Daartegenover staat dat die kerninstellingen beheersovereenkomsten moeten afsluiten met het kabinet-Jambon. Criticus Wouter Hillaert, expert in cultuurbeleid, stipte eerder in Knack aan dat onafhankelijke cultuurhuizen, zoals de stadstheaters, voortaan enkel nog subsidies zullen kunnen ontvangen na een directe onderhandeling met het kabinet . 'Jambon kan eigen dada's als "Vlaamse identiteit" of "aandacht voor de traditie" op die manier rechtstreeks inschrijven in het beleid van die huizen.' Ook Bart Caron ziet die beheersovereenkomsten als een middel om het beleid strakker aan te sturen. 'Ze geven de mogelijkheid om meer accenten te leggen vanuit het kabinet. Daar komt nog bij dat de budgetten voor de kerninstellingen, samen met die van de zeven andere grote instellingen, zullen stijgen. De rest van het veld - de lastigaards - zullen het met minder moeten doen.' Geconfronteerd met die kritiek schudt Marius Meremans het hoofd. 'Allemaal zever', zucht hij. 'Het idee van die kerninstellingen bestond al voor Jan Jambon minister van Cultuur was. Bovendien komt het niet van de politiek. Het is een antwoord op een vraag van een aantal culturele organisaties. Die vonden het door de financiële onzekerheid moeilijk om hun opdrachten te vervullen. Daarom is er voorgesteld om die instellingen tien in plaats van vijf jaar zekerheid over hun subsidie te geven. Het klopt dat ze een beheersovereenkomst met de regering zullen moeten afsluiten, maar het idee dat de politiek daarin zal bepalen wat ze precies brengen, brengen is van de pot gerukt. Wij zullen ons daar helemaal niet mee bezighouden.' Meremans ontkent niet dat de sector met groot wantrouwen naar de plannen van zijn partij kijkt. 'Maar dat staat uitwisseling en contact niet in de weg. Die zijn er voortdurend. Bovendien speelt de huidige situatie in ons voordeel. Het kabinet zit vandaag voortdurend met de sector samen om te bekijken hoe we het culturele leven zo snel mogelijk opnieuw kunnen normaliseren. Binnen de sector weet men dat mijn minister hun belangen verdedigt. Ik ben ervan overtuigd dat dat voor veel goodwill heeft gezorgd.'