Sommigen denken dat het voor de kerk stilaan over en uit is. Ze zien in een priester een pedofiel tot bewijs van het tegendeel. En in een katholiek een romanticus die een halve eeuw geleden vergat te ontwaken. Zeker in de Lage Landen, die tot de meest geseculariseerde ter wereld behoren, is die gedachte wijdverspreid. Ik deel ze niet. Maar de kerk heeft de crisis verkeerd aangepakt, dat staat buiten kijf. Ze dacht jarenlang meer aan haar eigen reputatie dan aan de slachtoffers. En ze minimaliseerde de omvang van het probleem. Nauwelijks tien jaar geleden had ik in Rome een lang gesprek met een hoge functionaris van de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Zoals iemand die zich superieur voelt kan zitten, zat hij achter zijn kille bureau aan de Piazza Pio XII, die de architecturale sporen van Mussolini draagt, en zei: 'Misbruik is een probleem van jullie. West-Europa. Noord-Amerika. In Italië hebben wij dat niet.' Hoe fout. Geen enkele regio blijft gespaard. Vandaag verwachten experts onthullingen in het zwijgzame Azië. Misbruik is geen ongelukje, het zit in het systeem. En dan luidt de vraag: krijgt de paus de situatie onder controle? Het antwoord is simpel. Onoplosbare problemen zijn er niet, of het moet de sterfelijkheid van de mens zijn. Maar alles hangt ervan af hoever Franciscus wil, durft en kan gaan met structuurhervormingen in de kerk. De oplossing vergt een radicale daadkracht die indruist tegen de terughoudende, vreesachtige natuur van het kerkinstituut zelf.
...

Sommigen denken dat het voor de kerk stilaan over en uit is. Ze zien in een priester een pedofiel tot bewijs van het tegendeel. En in een katholiek een romanticus die een halve eeuw geleden vergat te ontwaken. Zeker in de Lage Landen, die tot de meest geseculariseerde ter wereld behoren, is die gedachte wijdverspreid. Ik deel ze niet. Maar de kerk heeft de crisis verkeerd aangepakt, dat staat buiten kijf. Ze dacht jarenlang meer aan haar eigen reputatie dan aan de slachtoffers. En ze minimaliseerde de omvang van het probleem. Nauwelijks tien jaar geleden had ik in Rome een lang gesprek met een hoge functionaris van de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Zoals iemand die zich superieur voelt kan zitten, zat hij achter zijn kille bureau aan de Piazza Pio XII, die de architecturale sporen van Mussolini draagt, en zei: 'Misbruik is een probleem van jullie. West-Europa. Noord-Amerika. In Italië hebben wij dat niet.' Hoe fout. Geen enkele regio blijft gespaard. Vandaag verwachten experts onthullingen in het zwijgzame Azië. Misbruik is geen ongelukje, het zit in het systeem. En dan luidt de vraag: krijgt de paus de situatie onder controle? Het antwoord is simpel. Onoplosbare problemen zijn er niet, of het moet de sterfelijkheid van de mens zijn. Maar alles hangt ervan af hoever Franciscus wil, durft en kan gaan met structuurhervormingen in de kerk. De oplossing vergt een radicale daadkracht die indruist tegen de terughoudende, vreesachtige natuur van het kerkinstituut zelf. Eerst even aangeven waar het probleem níét ligt: in de inhoudelijke regelgeving. Het kerkelijk wetboek van 1983 kende een - te beperkte - verjaringstermijn van 5 jaar voor seksueel misbruik door clerici van minderjarigen, toen tot 16 jaar. Sinds 2011 bedraagt de verjaringstermijn 20 jaar, te berekenen vanaf de 18e verjaardag van het slachtoffer. Bovendien kan de Congregatie voor de Geloofsleer, die de dossiers behandelt, van die termijn afwijken. Dat laatste is vanuit een juridisch oogpunt overigens onzin: als de vervolgende instantie de verjaringstermijn kan negeren, is er geen verjaringstermijn. Opkomen voor slachtoffers mag niet betekenen dat daders vogelvrij zijn. Kortom, van straffeloosheid is op dit moment geen sprake. Maar, en hier schuilt het probleem, enkel op het niveau van de regelgeving heeft de kerk haar zaken op orde. Want in werkelijkheid blijft een zwijgcultuur overeind, durven bisschoppen moeilijke dossiers niet aan te pakken en ontstaan situaties waarin kerkleiders elkaar kunnen chanteren. Het zijn niet de rechtsregels die tekortschieten, wel de klerikale cultuur waarbinnen ze moeten worden toegepast. Wat staat de kerk te doen, wil zij opnieuw geloofwaardig worden? Drie punten zijn van belang: een grondige wijziging van haar structuren, een andere omgang met het verplichte priestercelibaat en een diepere reflectie over het geloof zelf. Ondanks de lippendienst die het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) aan de opwaardering van leken verleende, is de kerk zowel juridisch als feitelijk in handen van clerici. Zij zijn de baas en controleren zichzelf. Dus niet, of niet genoeg. Om daarin verandering te brengen, moeten een aantal cruciale normen van het kerkelijk wetboek veranderen. Aan die normen wordt vaak een diepe theologische betekenis toegeschreven, wat wijzigingen bemoeilijkt. Daarom is het goed dat de paus de voorzitters van de bisschoppenconferenties consulteert. Hopelijk vertonen ze meer moed dan tijdens synodes en andere vergaderingen doorgaans het geval is. Maar concreet nu. Welke bepalingen moeten anders? De eerste is canon 135 §1 van het kerkelijk wetboek. Die luidt: 'Bestuursmacht wordt onderscheiden in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.' Op het eerste gezicht klinkt zo'n zinnetje vertrouwd in de oren. Maar wie goed leest, merkt dat de kerk de drie machten weliswaar om juridisch-technische redenen onderscheidt, maar dat ze niet gescheiden worden. In de wereldkerk verenigt de paus de drie machten in zijn persoon, op lokaal vlak de bisschop. Er zijn geen werkelijk onafhankelijke rechtbanken. De overheid ondergaat niet echt een controle. Van een instantie die op de Raad van State lijkt, is geen sprake. Hoe komt dat? Volgens sommigen zijn er goede theologische redenen voor. Zo beweert de Spaanse kerkjurist Antonio Viana dat machtsconcentratie bij paus en bisschoppen tot de natuur van de kerk behoort. Dat sluit meteen elke toekomstige verandering uit. Maar waarom die verwijzing naar de natuur? Bedoeld wordt dat in de tijd van de twaalf apostelen die Christus volgden, van wie de bisschoppen theologisch gezien de opvolgers zijn, ook geen scheiding van machten bestond. Dat is juist. Charles de Montesquieu (1689-1755) die de scheiding der machten als concept gestalte gaf, moest ten tijde van de apostelen nog worden geboren. Maar de praktijk van de nauwelijks gestructureerde kerk uit de beginperiode kan geen argument zijn om vandaag onafhankelijke rechtbanken te bestrijden. De hamvraag is dus: zullen paus en bisschoppen de moed hebben onafhankelijke binnenkerkelijke rechtbanken te aanvaarden, met het verlies aan macht dat zulks voor hen met zich meebrengt? Hier botsen we op een tweede regel die de klerikale cultuur beschermt en waardoor echte verandering onmogelijk is. Canon 129 bepaalt dat leken niet kunnen deelnemen aan de bestuursmacht. Ze mogen enkel in de uitoefening ervan meewerken, moeten met een ondersteunende rol vrede nemen. De regel kwam er destijds onder invloed van twee belangrijke kardinalen, de toenmalige aartsbisschop van Westminster Basil Hume (1923-1999) en Joseph Ratzinger (°1927), die later paus werd. Ze deden een beroep op de kerkelijke traditie om hun punt te maken. Daardoor kunnen strikt genomen leken geen rechter worden, wat dan weer elders in het wetboek wordt tegengesproken. Volgens canon 1421 §2 kan een leek deel uitmaken van een rechtscollege dat uit drie personen bestaat. Maar als het echt serieus wordt, is er voor lekenrechters geen plaats. Seksueel misbruik door priesters mag enkel worden beoordeeld door rechters die zelf priester zijn. Een jammerlijke bevestiging van de klerikale cultuur. Bovendien allesbehalve een geruststellende gedachte voor de priesters zelf, die binnen de eigen kaste het slachtoffer kunnen worden van wraakneming. Lekenrechters zijn dus dringend nodig. Dat het goddelijk recht zulks zou verhinderen - wat soms door kerkjuristen wordt beweerd - is onjuist, gewoon omdat er zoals gemeld nu al, en dat sinds 1971, lekenrechters bestaan. Het is duidelijk dat canon 129 aan verandering toe is. Leken moeten gewoon kunnen deelnemen aan de bestuursmacht in de kerk. Maar ook hier rijst de vraag: kan de paus deze radicale koerswijziging aan? Durven clerici hun privileges los te laten? Een derde cruciale bepaling is canon 1024: 'Alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding.' Vrouwen kunnen dus geen priester of diaken worden. Wat het priesterschap betreft, deed paus Johannes Paulus II de deur helemaal op slot toen hij in zijn apostolische brief Ordinatio sacerdotalis (1994) schreef dat de goddelijke ordening van de kerk priesterschap voor vrouwen verhindert. Nooit eerder werd de goddelijke ordening met die beslistheid naar voren geschoven. Dat gebeurde niet toevallig kort nadat de Church of England het licht voor vrouwelijke priesters op groen had gezet. Dat Johannes Paulus II God voor zijn kar spande, maakt het zijn opvolgers moeilijk. Ook Franciscus zei enkele keren dat hij vrouwelijke priesters onmogelijk acht, helaas. Een snelle koerswijziging is wenselijk maar kerkpolitiek onmogelijk. Het hoogst haalbare, en beter dan niets, bestaat erin regelgeving over bepaalde materies, zoals vrouw en wijding, niet meer centraal uit te vaardigen maar aan lokale bisschoppenconferenties over te laten. Ondertussen maak ik me geen illusies: de derde noodzakelijke hervorming is nog lastiger dan de twee andere. De drie wetswijzigingen zijn noodzakelijk om zowel de wetgeving als de rechtscultuur in de kerk te verbeteren. Ze zorgen voor machtsspreiding en controle op het beleid. Het probleem is dat onafhankelijke kerkjuristen wel vaker structurele hervormingen bepleiten, maar bij de Romeinse curie leven die ideeën niet. De voorzitters van de bisschoppenconferenties hebben er doorgaans nooit van gehoord. Ze hebben nauwelijks oog voor de kerkstructuren waarbinnen ze zelf functioneren. Ondertussen wordt de stilstand ondersteund door bedenkelijke argumenten van goddelijk of natuurrecht. Zo lijkt het alsof wie de wet wil wijzigen, dat niet eens kan. Er zal een sterke argumentatie van bisschoppen en experts nodig zijn om de desastreuze stilstand te doorbreken. Ik verwacht niet dat het in februari meteen lukt. Helaas. Een tweede pijnpunt blijft het verplichte priestercelibaat. In het eerste millennium was het niet algemeen. De apostel Petrus had een schoonmoeder. Die kan iemand enkel verwerven door met haar dochter te huwen. De theoloog Edward Schillebeeckx (1914-2009) verklapte in zijn Theologisch testament (1994) een geheim dat de Nederlandse kardinaal Alfrink hem toevertrouwde: na het Tweede Vaticaans concilie overwoog paus Paulus VI ernstig om het verplichte priestercelibaat op te heffen. Grote principiële bezwaren zag hij niet. Maar hij deinsde ervoor terug de geschiedenis in te gaan als de paus die deze verreikende beslissing had genomen. Het temperament is vaak belangrijker dan het argument. Een halve eeuw geleden werden verschillende mannen priester in de overtuiging dat het met het verplichte celibaat bijna was afgelopen. Hun vriendinnen wachtten in de garderobe. Toen dat een verkeerde inschatting bleek, traden de meesten uit. Anderen hielden er een clandestiene relatie op na, die hun energie wegnam en zowel hun partner als henzelf ongelukkig maakte, een regelrechte schande voor de kerk. Ondertussen is het verplichte priestercelibaat er nog altijd. Weliswaar wankelt het. Paus Franciscus refereerde aan de mogelijkheid om viri probati, gehuwde mannen met levenservaring, tot priester te wijden. Dat lost niets op voor jonge ongehuwde priesterkandidaten. Wel kan het een eerste stap zijn. Maar waarom gaat het altijd zo traag? Vaak wordt het verplichte priestercelibaat als de belangrijkste oorzaak van seksueel misbruik gezien. Dat is onjuist. Niet alle vrijgezellen zijn seksuele roofdieren. De machtsstructuren en het klerikalisme zijn een belangrijkere factor. Toch speelt ook het celibaat een rol, zeker wanneer het gepaard gaat met een groot gevoel van eenzaamheid, iets waar priesters, zeker in onze contreien, meer onder gebukt gaan dan een halve eeuw geleden, toen het sociale weefsel en het prestige van de kerk hun meer geborgenheid gaven. Het moment is gekomen om het verplichte priestercelibaat te heroverwegen. Dat hoeft niet te leiden tot een ongenuanceerde schrapping ervan. Voor monniken kan het beter blijven bestaan. En als een oplossing voor de hele wereldkerk alles blokkeert, is ook hier decentralisatie geboden. Waarom zou elke bisschoppenconferentie niet zelf autonoom over het verplichte priestercelibaat kunnen beslissen, rekening houdend met de lokale context? Wat ik bij de discussies over seksueel misbruik wel vaker mis, is een diepere analyse over de rol en betekenis van het geloof. Ik bedoel dit: het valt moeilijk te begrijpen dat iemand die echt doordrongen is van de woorden die Jezus Christus sprak en de daden die hij stelde tot seksueel misbruik kan overgaan, zeker wanneer het structureel is, herhaald wordt, jonge weerloze kinderen betreft. In zijn roman Het hout (2014), die ik wegens de allesoverheersende woede die elke andere gedachte onmogelijk maakt zeker niet zijn beste vind, portretteert Jeroen Brouwers volkomen verdorven en nihilistische paters die de kostschooljongetjes als objecten beschouwen en terroriseren. Fulltime-machtswellustelingen zijn het. Van enig geloof valt in de verste verte niets te bespeuren. Vaak was de werkelijkheid ongetwijfeld complexer dan in de roman van Brouwers wordt beschreven. Maar toch. Naast klerikale machtsstructuren en de worsteling met het verplichte celibaat, zie ik ook ongeloof en nihilisme als een oorzaak van seksueel misbruik. Daders waren vaak priesters die maar weinig voeling vertoonden met hun geloof. Misschien hadden ze zelfs nauwelijks religieuze belangstelling. Maar in een maatschappelijke context die de kerk waardering schonk en hunzelf sociale promotie bood, kozen ze voor het priesterschap. Hoe ondiep het katholieke geloof in de Lage Landen na de Tweede Wereldoorlog was, blijkt trouwens ook uit de snelheid waarmee het in een halve eeuw tijd bijna volledig verdampte. Wanneer ik mij op het einde van vorige eeuw tijdens lezingen afvroeg hoeveel kardinalen gelovig waren, ruw geschat, een vaag percentage was al een fijn antwoord, barstte het publiek in lachen uit. Komaan, dat moest een grap zijn. Vandaag is het een heel serieuze vraag geworden. Soms zijn hoge Vaticaanse functionarissen ex-gelovigen die te oud zijn geworden om voor een ander beroep te kiezen. Dat hoeft niet eens een ramp te zijn als ze hun werk goed doen. Toch rijst de vraag hoe het komt dat het ongeloof zo vanzelfsprekend is geworden, tot in kerkelijke kringen toe. Wat ik ondertussen minder dan ooit wil aannemen, is dat een kerkcrisis volkomen los kan staan van een wankelend geloof. Nochtans meenden vele experts, theologen en kerkjuristen, tot rond de eeuwwisseling dat zulks wel het geval was. De kerk ging door zwaar weer, dachten ze. Maar de boodschap van Christus blijft overeind. Ze vergisten zich. Hoe komt het dat het geloof voor velen ongeloofwaardig is geworden? Ook daar moeten de paus en zijn entourage zich over buigen, willen ze de wortels van het binnenkerkelijke verval, waarvan seksueel misbruik de wreedste uiting is, op het spoor komen. En dat is nodig, als de kerk ook op langere termijn overeind wenst te blijven. Kan dat? Dat geloof ik vast, al zal het zoals eerder in de geschiedenis ook nu moeite kosten. En voor wie twijfelt, rest een prachtige passage uit Een mens is maar een wandelaar, het jongste boek van Gaston Durnez. De auteur belandt tijdens een wandeling die hij samen met dichter Hubert van Herreweghen maakt, bij een zeer oude kapel op twaalf kilometer van Saint-Rémy-de-Provence. Naast de kapel staat een kluizenaarswoning. Ze zijn allebei voor altijd dicht. Terwijl de twee wandelaars hun stokbrood breken en een glas wijn drinken, zegt Van Herreweghen: 'Als dit westerse christelijk geloof voorbij zal zijn, wat zullen wij prediken? Het Evangelie.'