In 36 procent van de Vlaamse sportclubs vind je geen enkele allochtoon. Niet als speler, niet als trainer, zelfs niet achter de tap. 95 procent van de clubs zegt dat iedereen welkom is, maar praktische bezwaren staan in de weg. 20 procent weet niet hoe ze bepaalde doelgroepen moet bereiken. Amper 13 procent onderneemt ook actie om mensen met een migratie- achtergrond aan te trekken. 8 procent van de clubs vreest dat zijn huidige leden de instroom van mensen uit maatschappelijk kwetsbare groepen negatief zouden onthalen. De cijfers komen uit het Vlaamse Sportclub Panel, een groots opgezet onderzoek van de KU Leuven naar breedtesport. Er namen 1002 verenigingen aan deel.
...

In 36 procent van de Vlaamse sportclubs vind je geen enkele allochtoon. Niet als speler, niet als trainer, zelfs niet achter de tap. 95 procent van de clubs zegt dat iedereen welkom is, maar praktische bezwaren staan in de weg. 20 procent weet niet hoe ze bepaalde doelgroepen moet bereiken. Amper 13 procent onderneemt ook actie om mensen met een migratie- achtergrond aan te trekken. 8 procent van de clubs vreest dat zijn huidige leden de instroom van mensen uit maatschappelijk kwetsbare groepen negatief zouden onthalen. De cijfers komen uit het Vlaamse Sportclub Panel, een groots opgezet onderzoek van de KU Leuven naar breedtesport. Er namen 1002 verenigingen aan deel. Dat meer dan een derde van onze sportclubs uitsluitend op blanke Vlamingen draait: is dat nu veel of weinig? Hoofdonderzoeker Jeroen Scheerder weet het niet. 'De participatie van mensen met een migratieachtergrond ligt in lijn met die van andere doelgroepen, zoals ouderen of mensen in armoede. Clubs zijn bijzonder homogeen in hun samenstelling: we sporten binnen onze sociale klasse, met en tegen mensen die op onszelf lijken. Het sportveld is een ons-kent-onsomgeving. De clubs zeggen dat ze dat graag willen doorbreken. Dat ze er zijn "voor iedereen". Maar wanneer je naar concrete maatregelen vraagt, blijkt het enthousiasme lauw.' Ook in het ruimere verenigingsleven - bij toneelgroepen, hobbyclubs of liefdadigheidsverenigingen - valt kleur ver te zoeken, al bestaan daarover geen cijfers. Maar dat uitgerekend de sportwereld meer mono- dan multicultureel is, vindt Paul Beloy een gemiste kans. Hij was in de jaren 70 en 80 een van de eerste voetballers van Afrikaanse origine op de Belgische velden. De gewezen ster van Beerschot en Lierse werkte als voetbalcommunitymanager en schreef vorig jaar met journalist Frank Van Laeken het boek Vuile zwarte, over racisme in het voetbal. 'Sport verbindt mensen', zegt Beloy. 'Jongeren leren ervan dat er in het leven gele en rode kaarten bestaan. Dat er afspraken zijn waaraan we ons allemaal te houden hebben. Wie aan sport doet, integreert zich in de maatschappij. Hij bouwt aan een netwerk en een ethisch kader. Jonge mensen dat fundament ontnemen is misdadig.' In de resultaten van het Vlaamse Sportclub Panel ziet Beloy veeleer te hoge drempels dan bot racisme. 'Voor kansarmen is sporten vaak onhaalbaar want onbetaalbaar. Tel eens uit hoeveel een gezin met vier kinderen kwijt is aan lidmaatschapsgeld - en dan laat ik het materiaal en alle andere onkosten nog onvermeld. De bedragen rijzen de pan uit. Ik verwijt de clubs niet dat ze zo veel vragen - op het lidmaatschapsgeld maken ze geen winst. Het is de overheid die tekortschiet. Ze maakt van clubsport geen prioriteit.' Verrassend genoeg is basketbal volgens het Leuvense onderzoek de duurste sport, tenminste wat het lidmaatschapsgeld betreft. Volwassenen betalen er gemiddeld 223,5 euro per seizoen. Meer dan driekwart van de clubs past de contributie aan voor sporters met een laag inkomen, maar die kortingen zijn niet altijd bekend. En zo'n uitzonderingstarief gaat ook met een stigma gepaard. De contributies zijn de laatste jaren alsmaar belangrijker geworden voor de clubs. Terwijl de inkomsten uit subsidies en sponsoring daalden, zijn de kosten van infrastructuur de hoogte in gegaan. De rekening belandt bij de atleten zelf. Sommige sporten stellen het beeld bij, anders zou het landschap nog minder gekleurd zijn. Terwijl wielrennen, zwemmen of tennis zo goed als blanke aangelegenheden blijven, bereiken vechtsport en (zaal)voetbal wél allochtonen. Maar de verklaring voor zulk succes ligt niet altijd voor de hand. Basketbal is bijvoorbeeld multicultureler dan volleybal, terwijl het allebei balsporten zijn, allebei even duur om te organiseren of te beoefenen. Volgens Geert De Dobbeleer van Volley Vlaanderen ligt dat aan de 'historische inplanting' van zijn sport. 'Volleybal leeft vooral in kleinere gemeenten en in de stadsrand. Pakweg een Brusselse of Antwerpse topploeg met een stevige jeugdwerking is er niet.' Volley Vlaanderen is een grote bond, met bijna 50.000 leden - de overgrote meerderheid autochtoon. 'We willen graag laagdrempelig zijn, want volleybal heeft ook een sociale taak. En we proberen een publiek te bereiken dat ons nu nog slecht kent. Maar als een sport niet echt leeft in een allochtone gemeenschap, ligt dat niet voor de hand.' Sporten die populair zijn in de landen van herkomst van die gemeenschappen, zoals taekwondo in Iran en Marokko, spreken hen ook bij ons vlotter aan. Maar je kunt die lijn niet altijd doortrekken. In Turkije is damesvolleybal bijvoorbeeld bijzonder populair, zonder dat je daarvan een doorslag ziet bij Belgische clubs. Een Turks-Belgische international is er evenmin. 'In één club lukt het wel', zegt Geert De Dobbeleer. 'Bij Oxaco Boechout zijn heel wat jonge allochtone meisjes lid. Die club heeft wel problemen om hen langdurig aan zich te binden. De meesten haken af rond hun 14e, 15e. Blijkbaar verwachten hun ouders dat ze rond die leeftijd meer taken in het huishouden op zich nemen.' 'Van één ding ben ik zeker', besluit De Dobbeleer: 'dat weinig allochtonen volleyballen, heeft niets met racisme te maken. Ik heb weet van geen enkel incident. En zouden er bij een van onze clubs toch problemen zijn, dan zouden we streng optreden.' Ook Unia krijgt amper meldingen van racisme in de sport. De weinige dossiers bij het gelijkekansencentrum komen uit het voetbal, een sport die al bij al onterecht een racistische stempel krijgt: daar ontmoeten blank en zwart elkaar tenminste nog. Het amateurvoetbal heeft een kwalijke reputatie, maar bij Unia wordt vooral racisme op de tribunes bij profwedstrijden gemeld. Oerwoudgeluiden komen nog voor, maar minder dan in de jaren 80 of 90. Paul Beloy kreeg in zijn spelersjaren zelfs een banaan naar het hoofd gegooid. 'Ik zie geen redenen om te zeggen dat het nu beter is dan vroeger', zegt de Congolese Belg. 'Racisme zal altijd blijven bestaan - in de maatschappij, en daardoor ook in de sport. Alleen de vorm verandert. Misschien is het gewoon minder zichtbaar geworden. Dat Unia er weinig meldingen van krijgt, bewijst niets. Het is tenslotte niet gemakkelijk om naar dat centrum te trekken.' En dan is er nog wat Beloy het 'Mijn goede buurman'-effect noemt: 'Dat zie je elk weekend weer bij supporters die juichen wanneer hun zwarte spits scoort en tegelijk racistische leuzen scanderen tegen de gekleurde spelers van de tegenpartij. "De Marokkaan die bij ons speelt: dat is een goeie. Maar al die andere Marokkanen, meneer!"' Vooral het voetbal heeft een lange geschiedenis van antiracismecampagnes. De Koning Boudewijnstichting organiseerde er al begin jaren 80. De voorbije jaren bedacht de UEFA, de Europese voetbalunie, de No to Racism-actie. En voor Europese interlands en Champions League-matchen roepen sterren als Cristiano Ronaldo, Lionel Messi en Vincent Kompany iedereen op: 'Zeg nee tegen racisme!' Zulke campagnes dienen meer om de uitwassen binnen de perken te houden dan om allochtonen te betrekken en te integreren. Dat was ooit anders. In 2003 waren bokser Daniella Somers, zaalvoetballer Karim Bachar en de voetbalclubs Antwerp en Beerschot de boegbeelden van de actie Kleur Scoort!, aangevuurd door burgemeester Patrick Janssens (SP.A) van Antwerpen en opgezet door de integratiedienst van de stad, niet de sportdienst. 'Sport wordt al te vlot gezien als hét wondermiddel tegen maatschappelijke wantoestanden', zegt professor Jeroen Scheerder. 'Een beetje zoals het onderwijs met uitdagingen wordt opgezadeld, zodat de samenleving kan zeggen: "Zij zullen het wel oplossen." Sporten is netwerken, maar niet in de alledaagse betekenis van dat woord. In de wetenschap maken we een onderscheid tussen bonding en bridg-ing. Sport werkt fantastisch om banden aan te halen binnen de eigen sociale kring - bonding, dus. Bridging, de brug slaan tussen verschillende bevolkingsgroepen, is veel moeilijker. In principe kun je zeggen: iedereen beoefent de sport van zijn keuze. Maar die keuze wordt sociaal gestuurd, dat kun je niet ontkennen. Lager opgeleiden kiezen voor andere sporten dan hoger opgeleiden en belanden in andere clubs. Hetzelfde geldt voor mensen met en zonder een migratieachtergrond.' Er zijn zelfs aanwijzingen dat er stilaan een 'sportsegregatie' ontstaat. In 5 procent van de Vlaamse clubs zijn mensen met een migratieachtergrond in de meerderheid. In 2 procent vertegenwoordigen ze zelfs meer dan driekwart van het ledenaantal. Allochtone gemeenschappen lijken zich almaar vaker in aparte circuits te organiseren. Voor Paul Beloy is dat geen stap vooruit. 'Je riskeert jezelf op te sluiten binnen je eigen gemeenschap. Een voetbalcompetitie met één ploeg voor Turken, één voor Afrikanen, één voor Marokkanen en één voor autochtone Belgen? Die dreigt op een stammentwist te zullen uitlopen. In een geslaagde multiculturele samenleving zorg je voor een mix.' De segregatie verbaast Jeroen Scheerder niet. 'Je belandt niet lukraak bij een club. Bijna altijd ken je er mensen of wordt het lidmaatschap zelfs van ouder op kind doorgegeven. Het is niet onlogisch dat er "witte" en "zwarte" clubs ontstaan. Mensen met dezelfde culturele en sociale achtergrond zoeken elkaar nu eenmaal op, zeker in hun vrije tijd. Maar dat is niet waar de overheid op mikt. "Sport voor Allen" is tenslotte een van de pijlers van het breedtesportbeleid: Vlaanderen wil zo veel mogelijk mensen sámen laten sporten.' Een gesegregeerde sportwereld is niet nieuw. Decennia geleden kon je in Vlaanderen bijvoorbeeld in katholieke, liberale of socialistische turnclubs terecht. Elke club had een eigen ideologische koepel, en tussen die koepels was er soms heftige concurrentie. Jeroen Scheerder: 'Daar heeft de overheid eind jaren 90 komaf mee gemaakt: de ideologie moest uit de amateursport, er kwam een eengemaakte koepel. Volgens dezelfde logica zou je overdreven witte of zwarte clubs hun subsidie kunnen afnemen. Of minder verregaand: waarom laten we clubs de trainingsfaciliteiten niet samen gebruiken? De overheid beheert bijna de hele Vlaamse sportaccommodatie: als ze wil, kan ze dat probleemloos afdwingen.'