In zekere zin vinden in Leuven op 14 oktober de eerste echte vrije verkiezingen plaats in een kwarteeuw. Sinds 1994 was Louis Tobback telkens vrijwel incontournable. Ook zijn uitgesproken voorkeur voor coalities met christendemocraten, in Leuven net zo goed als in de federale regering, was alom bekend. In 2012 was de SP.A nog goed voor 31,4 procent van de stemmen (en dat was eigenlijk een tegenvaller, vergeleken met de 38,1 procent van 2006). De CD&V haalde als eerste achtervolger 18,5 procent, de rest volgde verderop. Onder Tobback lagen de grote verhoudingen min of meer vast. Hij is daardoor al zo lang burgemeester dat hij vergroeid lijkt met zijn ambt - en dat zijn stad met hem wordt vereenzelvigd.
...

In zekere zin vinden in Leuven op 14 oktober de eerste echte vrije verkiezingen plaats in een kwarteeuw. Sinds 1994 was Louis Tobback telkens vrijwel incontournable. Ook zijn uitgesproken voorkeur voor coalities met christendemocraten, in Leuven net zo goed als in de federale regering, was alom bekend. In 2012 was de SP.A nog goed voor 31,4 procent van de stemmen (en dat was eigenlijk een tegenvaller, vergeleken met de 38,1 procent van 2006). De CD&V haalde als eerste achtervolger 18,5 procent, de rest volgde verderop. Onder Tobback lagen de grote verhoudingen min of meer vast. Hij is daardoor al zo lang burgemeester dat hij vergroeid lijkt met zijn ambt - en dat zijn stad met hem wordt vereenzelvigd. Toch zagen de beste politieke journalisten van hun tijd in Louis Tobback eerst helemaal niet de 'geboren burgemeester' die hij nu is. In De Standaard vroeg Hugo De Ridder zich in de jaren 1980 af of een brulboei als hij wel in staat was om te besturen. Tobback werd toen nog gezien als een man die gedoemd was om oppositie te voeren. In 1977 waren de socialisten in Leuven in de oppositie beland (voor niet minder dan achttien jaar, zo zou blijken) en in 1981 verzeilden ze ook in de Kamer en Senaat op de oppositiebanken (voor zeven jaar). Van zijn 39e (in 1977) tot zijn 56e (in 1994), in theorie 'de beste jaren' van iemands politieke leven, was Louis Tobback vooral de woordvoerder van het ongenoegen. Hij deed er zijn voordeel mee: met zijn ruige stentorstem en krasse uitspraken werd hij de eerste aanklager van het slechte bestuur dat hij bij de regeringen-Martens ontwaarde. In 1989 werd zijn reputatie als 'radicaal' bijgestuurd in Ik ben een gematigd man, een boekje dat hij over zichzelf had laten samenstellen. Het vat zijn latere politieke optreden goed samen: een centrumkoers - centrumlinks, maar met nadruk op het 'gezond verstand' (wat een verkiezingsslogan zou worden) - die op een felle manier verdedigd werd. Ook als burgemeester liet Tobback altijd een tegenstem horen. Het liefst was hij de eerste opposant van zijn eigen oppositie. Niet dat hij zijn beleid niet durfde te verdedigen, maar hij groeide pas boven zichzelf uit als hij zijn critici een bolwassing kon geven. In de aanloop naar 14 oktober zal de oppositie het argument volop uitspelen: dat Leuven na 24 jaar Tobback snakt naar het einde van het feuilleton Bompa Lawijt. Of manifesteert zich een generatiekloof? Terwijl het oudere electoraat zich vaak veilig voelt vanwege de Winston Churchill-achtige 'We'll never give in!'-retoriek van Tobback, vinden veel jongere Leuvenaars het tijd dat een nieuwe generatie het roer overneemt. Niet toevallig zijn heel wat lijsttrekkers half zo oud of jonger dan de tachtigjarige burgemeester: Groen-kopman David Dessers is 44 jaar, N-VA'er Lorin Parys 42, SP.A'er Mohamed Ridouani 38 en PVDA'er Line De Witte 30. Drie partijen kiezen voor kopmannen die in 2010 al naar de gunst van de kiezer dongen en nu opnieuw kandidaat-burgemeester zijn: de eenzame Vlaams Belanger Hagen Goyvaerts (57); Open VLD'er Rik Daems (58), met 'Derde keer, goede keer' de eeuwige optimist; en CD&V'er Carl Devlies (65), die sinds 1994 haast continu eerste schepen was. Die rol zal hij niet meer automatisch willen opnemen: nu Tobback de SP.A-lijst niet meer leidt, waagt Devlies zijn kans als kandidaat voor het hoogste ambt, mogelijk voor het laatst. Niemand kan de gedaantewisseling van Leuven onder Louis Tobback ontkennen. De verkiezingen zullen daardoor ook een evaluatie zijn van een doorlopend en coherent beleid van vier opeenvolgende ambtsperioden. Ambitie: daarin schuilt het grote verschil tussen Tobbacks beleid en dat van zijn onlangs gestorven voorganger Alfred Vansina. In 1976 werd de christendemocraat Vansina de eerste burgemeester van het gefuseerde Leuven. Echt grootstedelijke dromen had hij niet, hij was een zorgzame burgervader die 'op de kleintjes lette'. Toenmalig rector Roger Dillemans kon hem nog plagen met de boutade dat het stadspark 'eigenlijk niet meer dan de binnentuin van de universiteit' was. Vanaf 1995 was het de stedelijke overheid, en niet meer alleen de universitaire, die Leuven dynamiseerde. Sindsdien zijn minstens vijftig grote openbare werven en projecten opgezet. Ook wat het stadsbestuur in de voorbije zittingsperiode realiseerde, was lang daarvoor al uitgetekend. En het einde van de werkzaamheden is nog niet in zicht, wie er ook burgemeester wordt. De totale ombouw van de Hertogensite is bijvoorbeeld pas begonnen: 6 hectare, pal in het centrum, de volledige oppervlakte van de voormalige Sint-Rafaël- en Sint-Pietersziekenhuizen. Niet dat de uitwerking van al die projecten telkens even geslaagd was, maar Leuven krijgt wel aansluiting bij het koppeloton van dynamische steden: rond mobiliteit, als groene stad, als schoot voor een netwerk van bedrijven en organisaties in de kennis- en zorgeconomie. En zo transformeerde een rustige provinciestad met best wat industrie (waar AB InBev nog 'de Stella' heette) en een sterke universiteit planmatig tot een stad die een modern kennis-, handels- en dienstencentrum wil zijn. En die zegt ook een leefbare stad te willen blijven voor haar snel groeiende, immer kritische en almaar veeleisender bevolking. Al in 2009 scheef De Morgen: 'Leuven vaart er wel bij, sinds het Louisville aan de Dijle werd. Alle verhoudingen in acht genomen heeft Louis Tobback Leuven ingrijpender veranderd dan François Mitterrand dat deed met Parijs.' Maar die vooruitgang heeft zijn prijs. Een gewoon woonhuis kost in Leuven gemiddeld 332.751 euro, tegenover het Vlaamse gemiddelde van 228.480 euro. Pascal De Decker, hoofddocent aan de Faculteit Architectuur van de KU Leuven, duidt het fenomeen: 'Leuven is een booming town, gestuwd door de universiteit en alle mogelijke spin-offs daarvan, met hoogbetaalde jobs. Er wonen veel welstellende mensen. De meeste woningen en appartementen worden er gebouwd door privéontwikkelaars: hun publiek bestaat per definitie uit mensen met een gemiddeld tot hoog loon. En dan is er nog de druk van de studentenbevolking. Samen stuwen die factoren de Leuvense woningprijzen in een nog duurdere categorie dan die in andere Vlaamse steden.' Dat heeft pijnlijke gevolgen, zegt De Decker. 'Voor mensen met een lager inkomen wordt in Leuven wonen problematisch. Overal in Vlaanderen zijn er meer goedkope woningen nodig, maar in Leuven meer nog dan elders. Het stadsbestuur zet relatief weinig in op sociale huisvesting, en zeker niet op de aangroei van het aantal sociale woningen. Ja, je hebt nog wel de zogenoemde bescheiden woningen, die er zouden zijn voor de lage middenklasse. Maar ook die zijn vrij duur. Het stadsbestuur bouwt ze om te tonen dat het sociaal is, maar eigenlijk is het dat niet.' In die laatste zin zit een kritiek vervat die bijval kent: Leuven is (te) duur, en het stadsbestuur legt zich daarbij neer. Komt het omdat veel socialistische en christendemocratische kiezers een eigen woning hebben, en die niet graag in waarde zien dalen? Hoe dan ook staat betaalbaar wonen centraal in veel verkiezingsprogramma's, van de rechterzijde (N-VA) tot de radicale linkerflank (PVDA). Op dat vlak kan de oppositie het ontslagnemende stadsbestuur pijn doen. De SP.A en de CD&V lijken het post-Tobback-tijdperk voor te bereiden door stilletjesaan te kiezen voor een zachter, postmaterialistisch beleid. Een eerste indicatie van die koerswijziging was het ambitieuze en radicale - en danig gecontesteerde - verkeerscirculatieplan waarmee het Leuvense stadsbestuur, net zoals het Gentse, het voorbije jaar uitpakte. Ook in het centrum van Leuven wordt de auto geweerd en de fietser gefêteerd. Tobback, die van Steve Stevaert ooit de bijnaam Deng kreeg, noemt zijn stad al sinds jaar en dag 'Klein Peking'. De drommen fietsende studenten van weleer hebben nu het gezelschap gekregen van alle mogelijke Leuvenaars op wielen. Of je nu naar school gaat in Leuven, er werkt, winkelt of als actieve gepensioneerde mobiel blijft: je doet het per fiets. Tegelijk blijft Vlaanderen een autoland. Ook in Leuven is de behoefte aan invalswegen en parkeerplaatsen groot. Dat leidt tot wrijvingen, ook in deelgemeenten als Heverlee, Kessel-Lo en Wijgmaal. Stadsjournalist Luc Vanheerentals somde in zijn column in Deze Week de buurtcomités op die hun buik vol hebben van het groeiende autoverkeer in eigen straat. De voorstad groeit, zo heette een roman van Louis Paul Boon uit 1943. Vijfenzeventig jaar later zou De voorstad gromt een passende titel geweest zijn. Al slaat in een stad als Leuven ook het not in my backyard-fenomeen toe: er is bijvoorbeeld een comité dat klaagt over 'het vele verkeer op de vesten', waarmee het doelt op... de ring rond Leuven. Dat is natuurlijk het sluitstuk van zowat alle plannen in verkeersarme steden: dat men de auto's uit het centrum en de woonbuurten weghoudt en concentreert op de invalswegen en verkeersassen. Het is een probleem dat Antwerpen en Gent plaagt en nu ook in Leuven de kop opsteekt: een stadsbestuur dat gevangen zit tussen groepen inwoners met uiteenlopende belangen en eisen, gebaseerd op uiteenlopende normen en waarden, die hun grieven scherp durven te verwoorden. Tegenover de fietsers staan de eigenaars van, zoals het programma van een autovriendelijke partij het stelt, 'iets grotere wagens'. En terwijl de oude verzuiling nog onder controle van de politieke partijen stond, stellen de nieuwe clusters binnen het kiezerskorps politici voor nieuwe vragen en keuzes. Daaruit kunnen onvermoede allianties groeien. Groen was de voorbije jaren een pittige opposant van het Leuvense stadsbestuur - tot dat zijn circulatieplan voorstelde. Waren de N-VA en Open VLD ongenadig in hun kritiek, dan steunden de groenen het idee om de auto zo veel mogelijk uit de stad te weren. Er wordt al hardop gedacht aan een Leuvense variant van de Gentse coalitie: de SP.A en de CD&V zouden Groen erbij nemen - een overweging die pas mogelijk is nu het fin de règne van Louis Tobback aangebroken is. Daartegenover staat een partij met totaal andere plannen: N-VA-kopman Lorin Parys zal er op zijn manier alles aan doen om het einde van 'Tobbackgrad' - een term van zijn voorzitter Bart De Wever - te bespoedigen. Voor of tegen Tobback? Bijna een kwarteeuw na zijn machtsgreep zullen Leuvense verkiezingen in oktober, voor de vijfde opeenvolgende keer, in het teken van die vraag staan. Het is de impliciete erkenning van de buitengewone dadendrang van de aftredende burgemeester. De meeste politici zijn al tevreden als ze een steen in de rivier hebben verlegd. Anderen namen een schop vast om de bedding te verdiepen en de oevers af te graven.