Om het even welke kleur bevalt me, als het maar rood is', zei Louis Paul Boon ooit.
...

Om het even welke kleur bevalt me, als het maar rood is', zei Louis Paul Boon ooit. Ik kuier door het Fotomuseum van Den Haag. Aan een muur hangen tientallen ansichtkaarten. Op elke kaart is een rood autootje te zien, dat ergens in Europa poseert: aan het Centraal Station in Rotterdam, bij Brabo in Antwerpen, bij de Arc de Triomphe in Parijs, bij de Puerta Del Sol in Madrid, de Dom in Milaan... Maar ook voor honderden anonieme gebouwen. Meer dan een detail is het op die kaarten niet, en toch intrigeert het. Een chauffeur zit er niet in. Alsof de wagen zelf een waanzinnige reis maakt door het Europa van de sixties en seventies. Nooit heeft hij pech, nooit verliest hij kleur, nooit is hij moe. Altijd on the road. En overal waar hij passeert, zijn de luchten blauw. Morsig Technicolorblauw dan nog. De planeet ziet er romantisch uit op die rode-autokaarten. Het doet me denken aan een foto die ik vorig jaar uit de regiopagina's van Het Laatste Nieuws knipte. Op de parking van de Lidl in Wolvertem stond al meer dan een jaar een klein rood autootje met een Duitse nummerplaat. Op de stoelen zag je een fles water, een doos koeken en een kinderstoel. Niemand eiste de rode Chevrolet Matiz op. Tot hij op een dag weer vertrok. Opnieuw zonder uitleg en schijnbaar zonder chauffeur. Zelfs de flikken hadden geen verklaring voor het mysterie van het rode autootje. Behalve dat het soms spookt in Wolvertem. Ik slenter verder door het Fotomuseum en vraag me af wie die rode-autokaarten verzameld heeft. En waarom. Een paar weken later. Voor een huis in Den Haag staat een rode Citroën BX. Ik loop de trap op en bel aan. Sonja van Hamel maakt open. Ze is grafisch ontwerpster, illustrator en zangeres van The Leonids. Prentkaarten verzamelen is een andere oude liefde van haar. Toen ze nog aan de Gerrit Rietveld Academie studeerde, ontwierp ze er zelf voor haar eindwerk. Met haar grootmoeder erop, en blauwe luchten op de achtergrond. Haar oma is er niet meer, maar de kaarten wel. Net zoals de duizenden andere die ze onderweg vond. Ze kijkt er graag naar, vooral naar de details. Al vijftien jaar is ze gefascineerd door dat rode autootje. Er schuilt ook een verhaal achter, zegt ze. Over wie we waren en wie we geworden zijn. Omgekeerd volgt het rode autootje haar ook. Eigenlijk al sinds haar eerste weken op deze planeet, al had ze dat niet meteen in de gaten. Sonja is een telg van een avontuurlijk geslacht. Ze stamt af van mensen die graag door Europa reisden. Haar overgrootmoeder bouwde in 1909 een chalet in Chernex, vlak bij Montreux, aan het Meer van Genève. Haar grootvader was ook een globetrotter: een Nederlander die in Polen woonde. Met zijn kroost ging hij vaak op vakantie naar de chalet. Zoals in de zomer van 1939, toen het overal knetterde in Europa. In september vielen de nazi's Polen binnen. Terugkeren naar dat land was geen optie meer, dus bleven ze de hele oorlog lang in de chalet. Er waren slechtere plaatsen op de wereld om te schuilen voor de waanzin: voor hen lag het Meer van Genève, met daarachter de Alpen en boven hen waren er mooie luchten. Het was een plek om postkaarten van te maken. Na de oorlog keerde het gezin terug naar Nederland, maar de chalet bleef in de familie. Het werd hun vakantiebestemming. Af en toe stuurde oma weleens een postkaart met groeten uit Montreux. 'Lieve Sonja,' schreef ze dan, 'begin je al naar vakantie te verlangen? Je kunt beter nog een paar weken wachten, want momenteel valt het weer niet mee. Maar toch vinden wij het super om hier te zijn.' Toen de zon weer scheen, vertrok Sonja met de trein naar Zwitserland. Samen met haar moeder en haar twee poezen. 'Al mijn vakanties speelden zich daar af', zegt ze. 'In de winter ging ik er skiën, in de zomer zwemmen in het Meer van Genève.' Altijd had ze wel een verhaal om over naar huis te schrijven. Tientallen prentbriefkaarten stuurde ze naar haar vrienden in Amsterdam. Wellicht stond er ook af en toe een rood autootje op, maar toen viel haar dat nog niet op. Jaren later zag ze op de Noordermarkt in Amsterdam een stel ansichtkaarten liggen. Allemaal met de Afsluitdijk erop, al hadden ze nog één detail gemeen. 'Toen kon ik gewoon niet meer naast dat rode autootje kijken', zegt Sonja. Ze vroeg zich of wat de betekenis was van die auto en waarom hij altijd rood was. En niet geel, oranje of paars. De jaren daarna vond ze nog massa's rode-autokaarten. Overal lagen ze: op vlooienmarkten, in kringloopwinkels, zelfs op een wenskaart voor haar geboorte stond er een. Op de achterkant hadden vrienden van haar grootouders geschreven: 'We hebben Sonja helaas nog niet kunnen bezoeken, maar we wensen jullie veel geluk met jullie kleindochter.' Het rode autootje zette haar verbeelding in brand. Via via kwam ze in contact met de zoon van een oud-directeur van de ansichtfabriek MUVA. Die vertelde haar dat veel prentkaartfotografen vroeger een rode auto hadden. En anders mochten ze er een lenen als ze op pad gingen. Ze kregen een opdracht mee: wat je ook fotografeert, zorg ervoor dat die rode auto er altijd op staat. Of wacht tot er een passeert. 'Ik begrijp nu ook waarom ze die opdracht gaven', zegt Sonja. 'Rood is een lekkere kleur. Een voorgrondkleur ook. Terwijl blauw een achtergrondkleur is: dat lees je in elk handboek over compositieleer uit de jaren zestig. Daarom werkte dat rode autootje met een heldere lucht zo goed. Het deed mensen kijken naar een kaart. Die ansichten werden ook gemaakt om een plek te promoten. Tante Mien stuurde een kaart uit Spanje waarop stond: "Het weer is hier goed en we hebben veel pret." Dat rode autootje op de andere kant was een stille hint: ook jij kunt hier raken met jouw rode autootje, ook jij kunt lol hebben.' Vandaag zouden we dat nooit meer doen, zegt Sonja. 'Er rijden veel meer auto's rond dan toen, maar op ansichtkaarten zijn alleen lege straten te zien. De auto wordt weggestopt. Het is een milieuvervuiler geworden, die ongevallen, files en andere ellende veroorzaakt. Terwijl het in de jaren zestig nog een symbool was van de vooruitgang. Een teken van welvaart, waarmee gepronkt werd.' Ze toont een paar oude prentbriefkaarten van parkeerterreinen. 'Vreemd dat daar toen prentbriefkaarten van gemaakt werden, hè. En dat sommige mensen toen nog zeiden: "Wat een mooie kaart van een parkeerterrein! Die ga ik opsturen."' Op de parkingkaarten staan opvallend veel rode auto's. 'Er reden er toen gewoon veel meer rond', zegt Sonja. 'Na de oorlog was alles nog grauw en grijs, maar de sixties waren in kleur. Kijk naar een straatbeeld uit die tijd: dat is een lappendeken van geel, groen, rood... Dat gold trouwens niet alleen voor auto's. We hebben een witte keuken uit die tijd. Die producent is destijds failliet gegaan omdat hij alleen maar witte keukens bleef maken. Vandaag is er in Amsterdam iemand die tweedehandsonderdelen van die fabrikant verkoopt: in de loop der jaren zijn die door mensen bijna allemaal paars, geel of rood geschilderd.' In de jaren tachtig verdween het rode autootje weer van de ansichtkaarten. Ook dat was symbolisch. Mensen verstuurden steeds minder prentbriefkaarten, en de gloriedagen van de rode auto waren voorbij. Niet alleen omdat de oude rode lak door het uv-licht vaak verkleurde tot roze, maar ook omdat ze domweg niet meer in de mode waren. Driekwart van de mensen rijdt vandaag met een donkere auto - de tijden zijn er ook naar. Zelfs een rood instituut als de post rijdt niet meer rond met rode maar met witte auto's, omdat... ja waarom eigenlijk? De postbussen zijn toch rood? 'Alles is veranderd in 2010, het jaar dat we naar de beurs trokken en onze naam veranderden in Bpost', zegt woordvoerster Barbara Van Speybroeck. 'Daar hoorde ook een nieuwe stijl bij. Ook de kleur van onze auto's werd, na een aantal studies, wit. Die kleur staat voor modern en dynamisch, we willen een transparant bedrijf zijn. Maar we zullen rood nooit helemaal afzweren: je ziet op onze witte auto's nog altijd een paar rode elementen. Omdat mensen de post al sinds het ontstaan van dit land met rood associëren.' De rode auto heeft het niet makkelijk in de 21e eeuw. Nog maar 6 procent van de autorijders kiest voor die kleur. En zoals over elke minderheid wordt er ook over hen geroddeld: vooral op het internet wordt er veel kwaadgesproken over hun voertuig. Maar niet alleen daar, ook op de weg. Op geen enkele auto zou zo veel getoeterd en gefoeterd worden. Chauffeurs 'zouden sneller geïrriteerd zijn als ze in de file voor een rode auto staan'. Daarnaast zouden rode auto's 'ook meer betrokken zijn in ongevallen, omdat ze moeilijker te onderscheiden zijn van de achtergrond.' 'Een rode auto is niet onveiliger dan een andere', zegt Stef Willems van Vias, een organisatie die zich bezighoudt met verkeersveiligheid. 'Wel zegt de kleur mogelijk iets over de eigenaar: sommigen zullen die auto kopen omdat ze bijvoorbeeld willen opvallen. We hebben ooit onderzocht welke auto het meest betrokken was bij ongevallen. Dat bleek een bepaald model van Seat te zijn. Daarom is dat geen onveilige wagen, het is wel een auto die veel jonge mensen kopen omdat hij goedkoop is. En we weten dat jongeren veel vaker betrokken zijn bij ongevallen dan oudere chauffeurs. Dus niet de kleur of het merk bepaalt de kans op een ongeval, wel de persoon die erin zit.' Nog een theorie over rode auto's die de ronde doet op het internet: ze zouden waterinsecten aantrekken. Waterkevers, haften, wantsen: allemaal denken ze dat het dak van de rode auto een vijver is. Met alle gevolgen van dien: zowel de insecten als hun eieren drogen erop uit. 'Dat is waar', vertelt Hans Van Dyck, hoogleraar gedragsecologie aan de UCL. 'Daar is al heel wat wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Niet alleen rode verf trekt hen aan, ook bepaalde donkere tinten.' Daarom zijn insecten nog geen idioten, stelt de professor. 'Wij kijken met een menselijke bril naar onze omgeving en zien zaken soms heel anders dan andere organismen. Een waterinsect reageert op bepaalde prikkels om te weten waar er water is. Gepolariseerd licht is in de natuur een betrouwbare indicator voor water.' Dat licht komt niet alleen voor in de natuur. 'De verf van bijvoorbeeld een rode auto geeft ook een sterke reflectie van horizontaal gepolariseerd licht, dat insecten aantrekt', vertelt Van Dyck. 'Maar eigenlijk worden ze dus misleid. Wetenschappers noemen dat een ecologische valstrik. Een libel kan een autodak zelfs als haar privévijver verdedigen en de autoantenne als prima uitvalsbasis zien. Hetzelfde effect is ook al vastgesteld op asfaltwegen, glazen gebouwen en zonnepanelen. We passen landschappen aan, en daardoor misleiden we onbewust de zintuigen van sommige dieren.' L 'es prit de contradiction. Hoe meer afschrikwekkende theorieën ik lees over rode auto's, hoe sympathieker ik de chauffeurs vind. Ze zijn al een vermaledijde minderheid die beschimpt en bestookt wordt op het net en de weg. En dan moeten ze ook nog eens waterinsecten boven zich dulden. Vroeger moest ik hen nochtans niet. Misschien kwam dat door Ferrari. Geen enkel automerk symboliseert de rode auto zo. Net na de Eerste Wereldoorlog had elk land een kleur in de formule 1. België had geel, Duitsland wit, Frankrijk blauw en Italië rood. Dat laatste is nooit echt veranderd: intussen is Ferrarirood zelfs een officiële kleur geworden. Maar in de race supporterde ik nooit voor hen: daarvoor waren ze te arrogant en te dominant. Andere chauffeurs van rode wagens bevestigden mijn vooroordelen: Jean-Pierre Van Rossem had een rode Ferrari. Bassie en Adriaan reden met een rode Honda Prelude met uitklapbare koplampen. En Prince zong over zijn Little Red Corvette, al had hij het eigenlijk over een sloerie. Mensen met een rode auto, dacht ik, zijn aanstellers met te veel testosteron die willen opvallen. Hoogleraar sociale psychologie Frank Van Overwalle van de VUB lacht als ik hem over mijn oude vooroordelen over rode-autochauffeurs vertel. 'Je kende geen enkele rode-autochauffeur persoonlijk', zegt hij. 'Tegenover onbekende groepen kunnen mensen zich op twee manieren gedragen: ofwel willen ze er ook toe behoren, ofwel hebben ze vooroordelen.' De professor begrijpt mijn oude bezwaren. 'Rood is nu eenmaal een opvallende kleur. Het is niet toevallig dat een stoplicht of een brandweerwagen rood is. Rood betekent: opgelet, gevaar! Het is ook de kleur van de agressie. Je wordt rood van woede.' Maar daarom zijn mensen met een rode auto nog geen bende agressievelingen die willen opvallen, zegt de professor. 'Je hebt hen nu wat beter leren kennen. Het is typisch dat je dan je vooroordelen laat vallen. Of bevestigd ziet, dat kan natuurlijk ook.' Mijn prille sympathie heeft niet alleen met die ansichtkaarten te maken, maar ook met de vrolijke zomersong die Sonja van Hamel erover maakte : 'I drive from the coast to see the sights/ winding roads and city lights/ canal boats and bikes', zingt ze ergens in Little Red Car. Zij en haar man Robert kunnen het weten, want sinds een paar maanden hebben ze ook een rode auto. Ook een verhaal dat op de achterkant van een ansicht had kunnen staan. Begin dit jaar, net voor het virus het oude continent bereikte, was Sonja op vakantie vertrokken naar San Francisco. Twee weken later landde ze weer op de luchthaven van Schiphol, met een koffer vol rode-autoprentkaarten die ze gevonden had in het Mission District. Robert stond haar op te wachten in de aankomsthal. Ze wandelden de parking op. Plots riep hij, in paniek: 'Hé, waar is onze auto? Hij stond hier.' Op slag was Sonja vergeten dat ze een jetlag had. 'Niet wéér', antwoordde ze. Een paar maanden eerder was hun auto gestolen voor hun huis in Den Haag. Ze hadden wel een nieuwe gekregen van de verzekering, maar ze kon niet geloven dat ze nu alweer slachtoffer waren van een jatter. 'Weet je,' zei Robert, 'we nemen gewoon deze.' Hij liep naar een oude rode auto en stak de sleutel in het slot. De deur ging nog open ook. 'Wat doe je nou?' riep Sonja nog. Het bleek een cadeau. Tijdens haar afwezigheid was hij op zoek gegaan naar een auto die op een van haar ansichtkaarten had kunnen staan: een Citroën BX uit 1986. Niet gemakkelijk om er vandaag zo een te vinden, en zeker niet in het rood. 'Ze raden ook af om een rode tweedehandsauto te kopen,' vertelt Robert, 'want de motor zou niet meer deugen omdat de chauffeur veel te hard gereden heeft.' Maar deze rode Citroën BX kon hij niet weerstaan. Sinds deze lente is het de auto van zijn vrouw. De trein heeft ze voorlopig even afgezworen. Het is veel te spannend om in die rode auto te stappen, de sleutel in het slot te steken, en de Citroën naar boven te voelen komen. De opwinding daarvan. Ze reed met de rode Citroën al naar haar oude vrienden in Amsterdam, naar Zeeland met Robert... Onderweg en in tankstations hadden ze veel bekijks. 'Altijd is er wel iemand die zijn duimomhoog steekt.' 'Robert en ik hebben onderweg zelfs al een paar replica's gemaakt van rode-autoprentkaarten uit de jaren zestig. Deze keer met de onze als cameoster. Maar vanzelfsprekend was dat niet altijd, omdat het landschap zo vaak veranderd is: er staat nu een ander gebouw of de plek is autovrij.' Ze heeft nog een droom: ooit wil ze de ansichtkaarten die ze van haar oma kreeg opnieuw maken. Die uit Montreux, waarop stond: 'Lieve Sonja, begin je al naar vakantie te verlangen?' Binnenkort gaat ze naar Zwitserland met de rode Citroën BX, naar de plaats waar zoveel van haar vakantieherinneringen zich afgespeeld hebben. Mét een fototoestel. Al moet eerst de autoradio hersteld worden. Zodat ze, op weg naar het Meer van Genève, haar eigen song door de boxen kan laten schallen. Over dat rode autootje dat haar al achtenveertig jaar achtervolgt en waarop ze uiteindelijk finaal verliefd geworden is. 'Is dit allemaal toeval?' vraag ik haar. 'Nee', antwoordt ze. 'Iedereen volgt soms stippellijnen in het leven. Op een dag komen die gewoon allemaal samen.' Ze heeft er zelfs een woord voor: levensrijm.