De wereld wordt geconfronteerd met een ongekende druk op voedsel- en ecosystemen. Bijna de helft van alle bewerkbare landoppervlakte, i.e. land zonder gletsjers en woestijnen, wordt ingenomen voor voedselproductie. Omzetten van natuur in landbouwgrond is de belangrijkste oorzaak voor het plaatsvinden van de zesde massa-extinctie. De gemiddelde populatiegrootte van vertebraten is met maar liefst 68% gedaald van 1970 tot 2016. Tegen 2050 zal de wereldbevolking naar verwachting stijgen tot negen miljard, waardoor er onder de huidige omstandigheden een extra vraag van maar liefst 26% extra landbouwgrond tegen 2050 wordt voorspeld. Daarbovenop zal in grote delen van de wereld de klimaatopwarming leiden tot een verlaagde landbouwproductiviteit.

Stop de nood aan extra landbouwgrond

Men kan zicht terecht de vraag stellen of het überhaupt mogelijk is om voldoende voedsel te produceren zonder onze natuurlijke wereld verder te vernietigen. Het antwoord is duidelijk: ja. De oplossing is te vinden in de vraag naar extra land te stoppen. Zolang er nood is aan extra grond zal er meer bos, savanne en oerwoud omgezet worden in landbouwgrond. In een recente studie gepubliceerd in Nature Sustainability concluderen Williams en collega's (2021) dat het verhogen van de productiviteit per hectare (ha) het beste wapen is tegen biodiversiteitsverlies, gevolgd door het verminderen van voedselverspilling en het verlagen van de vleesconsumptie.

Indien significante stappen vooruit worden gezet op deze drie vlakken kan er zelfs een gebied groter dan India terug omgezet worden in natuur.

Het is wel degelijk mogelijk om voldoende voedsel te produceren zonder de natuur verder te vernietigen.

Deze doelen bereiken wordt zonder twijfel een historische uitdaging voor de landbouwsector. Toch heeft deze sector al spectaculaire resultaten laten zien. Zo is de vereiste landoppervlakte per capita de laatste 60 jaar drastisch gedaald, met maar liefst >60%. De graanopbrengst per ha is vandaag in het westen maar liefst vier maal hoger dan in 1960. Deze enorme winsten zijn gerealiseerd door onder meer het gebruik van kunstmest, verbeterde zaden (conventioneel of biotechnologisch veredeld), het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en inzetten op goede landbouwpraktijken, zoals gewasrotaties.

Ondanks het wijde verzet tegen deze hoogproductieve landbouwpraktijken had men anders momenteel dubbel zoveel oppervlakte voor landbouw nodig om de huidige wereldbevolking te voeden, waardoor zo goed als alle wilde natuur vernietigd zou zijn. Deze hoogproductieve landbouwpraktijken zijn nog niet in gebruik in grote delen van het globale zuiden. Hierop inzetten is aantoonbaar één van de meest doeltreffende maatregelen voor biodiversiteitsbehoud. Steeds vaker wordt echter een alternatief "natuur inclusief" landbouwmodel naar voren geschoven, ook gekend als biologische landbouw, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest verboden is.

Gemiddeld heeft biologische landbouw 20-25% lagere opbrengst per ha en is de de voedselproductie +/- 15% minder stabiel in de tijd. Een grootschalige studie heeft hoogproductieve en biologische landbouw vergeleken in Ghana en India. In totaal werden 341 vogelsoorten en 260 boomsoorten opgemeten, over een matrix van akkerland van kleinschalige lage-input/lage-opbrengst landbouw tot grote hoogproductieve boerderijen. De resultaten waren heel duidelijk, de soortenpopulaties was het grootst indien landbouw wordt beperkt tot een zo klein mogelijk hoogproductief oppervlakte, op voorwaarde dat dit gebeurt in combinatie met het vrijwaren van natuurgebied, een landbouwmodel gekend als "land sparing". Desondanks exporteert het Westen het biologisch landbouwmodel naar ontwikkelingslanden als een natuurvriendelijker landbouwmodel.

Landbouw in Europa

Ook in West-Europa, dat gekenmerkt wordt door een sterk uitgebreid en hoogproductief landbouwareaal, blijkt het "land sparing"-model minder schadelijk voor biodiversiteit dan zijn "biologische" tegenhanger. Een meta-analyse, die gepubliceerde studies over de milieueffecten van biologische en conventionele landbouw in Europa bundelde, heeft aangetoond dat biologische landbouwpraktijken over het algemeen een positief effect hebben op het milieu per oppervlakte-eenheid, maar een negatief effect per producteenheid.

Vergelijkende studies in Polen en het Verenigd koninkrijk kwamen tot gelijkaardige conclusies, namelijk dat "land sparing" duidelijk minder slecht is voor biodiversiteitsbehoud dan het "biologische" model. In Oost-Polen kan "land sparing" het voor natuurlijke habitats beschikbare areaal verdubbelen ten opzichte van 2014. Daarboven kwamen beide studies tot een bijkomende opmerkelijke vaststelling. In Europa is gedurende meerdere eeuwen een significant deel van de dieren aangepast aan leven op extensieve akkerlanden. Deze akker-organismen hebben het echter moeilijk in meer wilde natuur. Om deze akkerdieren te beschermen kan geopperd worden om een deel van de vrijgekomen grond als laagproductieve akkerbouw te benutten.

Ter verduidelijking, deze extensieve akkerbouw wordt hier beheerd ten behoeve van soorten die hier goed gedijen en heeft dus niet als primair doel de productie van voedsel. Dit model wordt het 3-compartimenten model genoemd en is een variant van "land sparing" waarbij in de eerste plaats land moet vrijgemaakt worden voor meer natuur. Deze vrijgekomen grond kan omgevormd worden tot wilde of akkerdiversiteit-ondersteunende natuur.

Farm2fork versus het 3-compartimenten model

De EU Farm2Fork strategie heeft als doel om tegen 2030 25% van het EU landbouwareaal te gebruiken voor biologische landbouw en het gewasbeschermingsmiddelengebruik met 50% te laten dalen. Volgens de studiedienst van de Europese Commissie (JRC) zal dit resulteren in een daling in productiviteit per ha, met ongeveer tien procent, en zullen de voedselprijzen significant stijgen. Verschillende andere studies komen tot gelijkaardige vaststellingen. Een grootschalige Duitse studie komt tot de conclusie dat maar liefst 1.5 miljoen ha bos omgezet zal worden in landbouwgrond. Daarboven komt de harde conclusie dat het F2F-strategie niet geschikt is om de klimaatopwarming te bestrijden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Het contrast met het hier voorgestelde 3-compartimenten model is dan ook groot, aangezien hier juist wordt ingezet op het verkleinen van het landbouwareaal, wat een positief effect op biodiversiteit, bestrijden van de klimaatopwarming en de voedselprijzen zal hebben. Om de biodiversiteitsvoordelen van het 3-compartimentenmodel te benutten zijn volgende aspecten essentieel:

(i) De akkerdiversiteit-ondersteunende gebieden hebben als primair doel het ondersteunen van biodiversiteit. Bijgevolg wordt het voedsel in wezen via hoogproductieve landbouw geproduceerd. Anders gaat men de voedselproductie op de akkerdiversiteit-ondersteunende gebieden maximaliseren, door bijvoorbeeld gebruik te maken van biologische pesticiden, waardoor men uiteindelijk een negatief effect per producteenheid zal bekomen (cf. natuur inclusieve voedselproductie).

(ii) Verder opschalen van de productiviteit per ha moet gestimuleerd worden. Dit blijft de hoeksteun van het 3-compartimenten model.

(iii) Organisaties die instaan voor natuurbehoud en - beheer schrijven meestal weinig voordelen toe aan landbouw met een hoge opbrengst. Dit is niet geheel verbazend aangezien hoogproductieve landbouw op zich weinig bijdraagt, tenzij het gecombineerd wordt met stimulansen om elders land om te zetten in natuurgebied. Bijgevolg is het koppelen van intensivering aan natuur vrijmaken een essentieel deel van dit landbouwmodel.

(iv) Ten slotte is het van essentieel belang om de regio's met hoogproductieve landbouw en biodiverse natuur zorgvuldig uit te kiezen. De grootste land besparende winst wordt namelijk geboekt door hoogproductieve landbouw op de meest vruchtbare gronden uit te voeren. Daarnaast komen akkerdiversiteit-ondersteunende gebieden het meest tot hun recht naast een natuurpark. Er moet echter ook ingezet worden op natuurlijke landschapselementen in hoogproductief landbouw gebieden, om natuurgebieden te verbinden. Hier kan men kiezen voor wilde natuur of akkerdiversiteit-ondersteund land, afhankelijk van de lokale noden.

Dit gezegd zijnde, is het ook duidelijk dat biodiversiteit in en rond het hoogproductieve landbouwcompartiment omhoog. Bovendien moet het spill-over effect, van bijvoorbeeld stikstof of gewasbeschermingsmiddelen, naar naburige natuur naar omlaag. Door de laatste vooruitzichten in precisielandbouw, veredeling, ontwikkeling van meer-specifieke gewasbeschermingsmiddelen en verticale landbouwtechnieken, slaagt men er steeds beter in om hoge productiviteit te ontkoppelen van schade aan de natuur. Bovendien kan men de inzichten uit de agro-ecologie perfect gebruiken binnen hoogproductieve landbouw. Gebruik van bedekkingsgewassen en minder ploegen om de opbouw van koolstof in de bodem te verbeteren. Een goede gewasrotatie en aanwezigheid van natuurlijke landschapselementen kunnen dan weer de ziektedruk verlagen en lokale biodiversiteit ondersteunen.

Op dit moment lijkt het erop dat het EU Farm2Fork strategie de Europese akkerbouw richting het biologische landbouwmodel duwt, wat aantoonbaar het schadelijkste (akker)landbouwmodel (per producteenheid) is voor onze natuur. Het 3-compartimenten model vormt echter een natuurvriendelijker alternatief dat bovendien voor een meer concurrentiële landbouwsector zal zorgen en beter de klimaatopwarming bestrijdt.

Uiteraard moet men ook inzetten op het verminderen van voedselverspilling, vleesconsumptie, etc. De snelheid waarmee de 6de massa-extinctiegolf plaatsvindt is echter zo hoog dat simultaan op verschillende fronten gewerkt moet worden. Laten we samen streven naar een wereld waarin de mens slechts 30-40% van de bewerkbare oppervlakte inneemt, zonder verlies aan welvaart. Mits inzetten op de juiste maatregelen kunnen we de stijgende wereldbevolking voeden en meer ruimte vrijmaken voor natuur.

Niels Wynant, behaalde een doctoraat in de biochemie aan de KU Leuven. Sinds een half jaar is hij landbouwexpert bij ecomodernisme.be.

De wereld wordt geconfronteerd met een ongekende druk op voedsel- en ecosystemen. Bijna de helft van alle bewerkbare landoppervlakte, i.e. land zonder gletsjers en woestijnen, wordt ingenomen voor voedselproductie. Omzetten van natuur in landbouwgrond is de belangrijkste oorzaak voor het plaatsvinden van de zesde massa-extinctie. De gemiddelde populatiegrootte van vertebraten is met maar liefst 68% gedaald van 1970 tot 2016. Tegen 2050 zal de wereldbevolking naar verwachting stijgen tot negen miljard, waardoor er onder de huidige omstandigheden een extra vraag van maar liefst 26% extra landbouwgrond tegen 2050 wordt voorspeld. Daarbovenop zal in grote delen van de wereld de klimaatopwarming leiden tot een verlaagde landbouwproductiviteit.Men kan zicht terecht de vraag stellen of het überhaupt mogelijk is om voldoende voedsel te produceren zonder onze natuurlijke wereld verder te vernietigen. Het antwoord is duidelijk: ja. De oplossing is te vinden in de vraag naar extra land te stoppen. Zolang er nood is aan extra grond zal er meer bos, savanne en oerwoud omgezet worden in landbouwgrond. In een recente studie gepubliceerd in Nature Sustainability concluderen Williams en collega's (2021) dat het verhogen van de productiviteit per hectare (ha) het beste wapen is tegen biodiversiteitsverlies, gevolgd door het verminderen van voedselverspilling en het verlagen van de vleesconsumptie. Indien significante stappen vooruit worden gezet op deze drie vlakken kan er zelfs een gebied groter dan India terug omgezet worden in natuur. Deze doelen bereiken wordt zonder twijfel een historische uitdaging voor de landbouwsector. Toch heeft deze sector al spectaculaire resultaten laten zien. Zo is de vereiste landoppervlakte per capita de laatste 60 jaar drastisch gedaald, met maar liefst >60%. De graanopbrengst per ha is vandaag in het westen maar liefst vier maal hoger dan in 1960. Deze enorme winsten zijn gerealiseerd door onder meer het gebruik van kunstmest, verbeterde zaden (conventioneel of biotechnologisch veredeld), het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en inzetten op goede landbouwpraktijken, zoals gewasrotaties. Ondanks het wijde verzet tegen deze hoogproductieve landbouwpraktijken had men anders momenteel dubbel zoveel oppervlakte voor landbouw nodig om de huidige wereldbevolking te voeden, waardoor zo goed als alle wilde natuur vernietigd zou zijn. Deze hoogproductieve landbouwpraktijken zijn nog niet in gebruik in grote delen van het globale zuiden. Hierop inzetten is aantoonbaar één van de meest doeltreffende maatregelen voor biodiversiteitsbehoud. Steeds vaker wordt echter een alternatief "natuur inclusief" landbouwmodel naar voren geschoven, ook gekend als biologische landbouw, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest verboden is. Gemiddeld heeft biologische landbouw 20-25% lagere opbrengst per ha en is de de voedselproductie +/- 15% minder stabiel in de tijd. Een grootschalige studie heeft hoogproductieve en biologische landbouw vergeleken in Ghana en India. In totaal werden 341 vogelsoorten en 260 boomsoorten opgemeten, over een matrix van akkerland van kleinschalige lage-input/lage-opbrengst landbouw tot grote hoogproductieve boerderijen. De resultaten waren heel duidelijk, de soortenpopulaties was het grootst indien landbouw wordt beperkt tot een zo klein mogelijk hoogproductief oppervlakte, op voorwaarde dat dit gebeurt in combinatie met het vrijwaren van natuurgebied, een landbouwmodel gekend als "land sparing". Desondanks exporteert het Westen het biologisch landbouwmodel naar ontwikkelingslanden als een natuurvriendelijker landbouwmodel. Ook in West-Europa, dat gekenmerkt wordt door een sterk uitgebreid en hoogproductief landbouwareaal, blijkt het "land sparing"-model minder schadelijk voor biodiversiteit dan zijn "biologische" tegenhanger. Een meta-analyse, die gepubliceerde studies over de milieueffecten van biologische en conventionele landbouw in Europa bundelde, heeft aangetoond dat biologische landbouwpraktijken over het algemeen een positief effect hebben op het milieu per oppervlakte-eenheid, maar een negatief effect per producteenheid. Vergelijkende studies in Polen en het Verenigd koninkrijk kwamen tot gelijkaardige conclusies, namelijk dat "land sparing" duidelijk minder slecht is voor biodiversiteitsbehoud dan het "biologische" model. In Oost-Polen kan "land sparing" het voor natuurlijke habitats beschikbare areaal verdubbelen ten opzichte van 2014. Daarboven kwamen beide studies tot een bijkomende opmerkelijke vaststelling. In Europa is gedurende meerdere eeuwen een significant deel van de dieren aangepast aan leven op extensieve akkerlanden. Deze akker-organismen hebben het echter moeilijk in meer wilde natuur. Om deze akkerdieren te beschermen kan geopperd worden om een deel van de vrijgekomen grond als laagproductieve akkerbouw te benutten. Ter verduidelijking, deze extensieve akkerbouw wordt hier beheerd ten behoeve van soorten die hier goed gedijen en heeft dus niet als primair doel de productie van voedsel. Dit model wordt het 3-compartimenten model genoemd en is een variant van "land sparing" waarbij in de eerste plaats land moet vrijgemaakt worden voor meer natuur. Deze vrijgekomen grond kan omgevormd worden tot wilde of akkerdiversiteit-ondersteunende natuur. De EU Farm2Fork strategie heeft als doel om tegen 2030 25% van het EU landbouwareaal te gebruiken voor biologische landbouw en het gewasbeschermingsmiddelengebruik met 50% te laten dalen. Volgens de studiedienst van de Europese Commissie (JRC) zal dit resulteren in een daling in productiviteit per ha, met ongeveer tien procent, en zullen de voedselprijzen significant stijgen. Verschillende andere studies komen tot gelijkaardige vaststellingen. Een grootschalige Duitse studie komt tot de conclusie dat maar liefst 1.5 miljoen ha bos omgezet zal worden in landbouwgrond. Daarboven komt de harde conclusie dat het F2F-strategie niet geschikt is om de klimaatopwarming te bestrijden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Het contrast met het hier voorgestelde 3-compartimenten model is dan ook groot, aangezien hier juist wordt ingezet op het verkleinen van het landbouwareaal, wat een positief effect op biodiversiteit, bestrijden van de klimaatopwarming en de voedselprijzen zal hebben. Om de biodiversiteitsvoordelen van het 3-compartimentenmodel te benutten zijn volgende aspecten essentieel: (i) De akkerdiversiteit-ondersteunende gebieden hebben als primair doel het ondersteunen van biodiversiteit. Bijgevolg wordt het voedsel in wezen via hoogproductieve landbouw geproduceerd. Anders gaat men de voedselproductie op de akkerdiversiteit-ondersteunende gebieden maximaliseren, door bijvoorbeeld gebruik te maken van biologische pesticiden, waardoor men uiteindelijk een negatief effect per producteenheid zal bekomen (cf. natuur inclusieve voedselproductie). (ii) Verder opschalen van de productiviteit per ha moet gestimuleerd worden. Dit blijft de hoeksteun van het 3-compartimenten model. (iii) Organisaties die instaan voor natuurbehoud en - beheer schrijven meestal weinig voordelen toe aan landbouw met een hoge opbrengst. Dit is niet geheel verbazend aangezien hoogproductieve landbouw op zich weinig bijdraagt, tenzij het gecombineerd wordt met stimulansen om elders land om te zetten in natuurgebied. Bijgevolg is het koppelen van intensivering aan natuur vrijmaken een essentieel deel van dit landbouwmodel. (iv) Ten slotte is het van essentieel belang om de regio's met hoogproductieve landbouw en biodiverse natuur zorgvuldig uit te kiezen. De grootste land besparende winst wordt namelijk geboekt door hoogproductieve landbouw op de meest vruchtbare gronden uit te voeren. Daarnaast komen akkerdiversiteit-ondersteunende gebieden het meest tot hun recht naast een natuurpark. Er moet echter ook ingezet worden op natuurlijke landschapselementen in hoogproductief landbouw gebieden, om natuurgebieden te verbinden. Hier kan men kiezen voor wilde natuur of akkerdiversiteit-ondersteund land, afhankelijk van de lokale noden. Dit gezegd zijnde, is het ook duidelijk dat biodiversiteit in en rond het hoogproductieve landbouwcompartiment omhoog. Bovendien moet het spill-over effect, van bijvoorbeeld stikstof of gewasbeschermingsmiddelen, naar naburige natuur naar omlaag. Door de laatste vooruitzichten in precisielandbouw, veredeling, ontwikkeling van meer-specifieke gewasbeschermingsmiddelen en verticale landbouwtechnieken, slaagt men er steeds beter in om hoge productiviteit te ontkoppelen van schade aan de natuur. Bovendien kan men de inzichten uit de agro-ecologie perfect gebruiken binnen hoogproductieve landbouw. Gebruik van bedekkingsgewassen en minder ploegen om de opbouw van koolstof in de bodem te verbeteren. Een goede gewasrotatie en aanwezigheid van natuurlijke landschapselementen kunnen dan weer de ziektedruk verlagen en lokale biodiversiteit ondersteunen.Op dit moment lijkt het erop dat het EU Farm2Fork strategie de Europese akkerbouw richting het biologische landbouwmodel duwt, wat aantoonbaar het schadelijkste (akker)landbouwmodel (per producteenheid) is voor onze natuur. Het 3-compartimenten model vormt echter een natuurvriendelijker alternatief dat bovendien voor een meer concurrentiële landbouwsector zal zorgen en beter de klimaatopwarming bestrijdt. Uiteraard moet men ook inzetten op het verminderen van voedselverspilling, vleesconsumptie, etc. De snelheid waarmee de 6de massa-extinctiegolf plaatsvindt is echter zo hoog dat simultaan op verschillende fronten gewerkt moet worden. Laten we samen streven naar een wereld waarin de mens slechts 30-40% van de bewerkbare oppervlakte inneemt, zonder verlies aan welvaart. Mits inzetten op de juiste maatregelen kunnen we de stijgende wereldbevolking voeden en meer ruimte vrijmaken voor natuur. Niels Wynant, behaalde een doctoraat in de biochemie aan de KU Leuven. Sinds een half jaar is hij landbouwexpert bij ecomodernisme.be.