François Levrau

‘Het debat over neutraliteit mag niet enkel over de hoofddoek gaan’

François Levrau Dr. Sociale Wetenschappen, verbonden aan Centrum Pieter Gillis (UAntwerpen)

‘”Neutraliteit” is zo’n concept waarover we het eens zijn dat het van belang is, maar het is onduidelijk wat het precies in de praktijk betekent’, schrijft François Levrau (UAntwerpen). Hij pleit voor meer redelijkheid in het hoofddoekendebat.

Om de zoveel tijd staat de hoofddoek in het brandpunt van de belangstelling. Deze keer is dat naar aanleiding van het feit dat de Antwerpse Groen-lijsttrekker Wouter Van Besien aangaf dat het schrappen van het hoofddoekenverbod voor ambtenaren in Antwerpen een breekpunt is, terwijl in Brussel Ecolo-Groen besliste dat een afschaffing niet aan de orde is. Groen werd een gebrek aan consequentie verweten.

Politiek Rechts en Politiek Links

Wat Jurgen Slembrouck hierover in een interessant opiniestuk schrijft, klopt: politiek links en politiek rechts vormen elkaars spiegelbeeld. Wat de één onverwijld omarmt – de hoofddoek – verwerpt de ander zo mordicus. Natuurlijk weten de beide politieke flanken dat de discussie over het verbod op het dragen van de hoofddoek een pars pro toto is – het gaat altijd over een mogelijk verbod op alle levensbeschouwelijke, politieke en ideologische symbolen en dus niet enkel over de hoofddoek – maar door te focussen op de hoofddoek, wordt alvast wel duidelijk getoond hoe de partijen tegenover de islam staan: open dan wel gesloten.

Het debat over neutraliteit mag niet enkel over de hoofddoek gaan.

Er is natuurlijk een goede reden om het over de hoofddoek te blijven hebben – moslima’s vormen een grote groep die ijvert voor de zichtbaarheid van een duidelijk zichtbaar symbool – maar door het verbod in maatschappelijke discussies keer op keer te kaderen als een hoofddoekenverbod, worden politieke partijen identitaire partijen en wordt een verbod op het dragen van levensbeschouwelijke tekens al snel een verbod op islamsymboliek. Of nog, en wat gechargeerd: ‘Links is islamvriendelijk, terwijl Rechts islamonvriendelijk is’.

De polarisatie is daarmee snel een feit: pleidooien voor inclusieve neutraliteit worden pleidooien voor islam, terwijl pleidooien voor exclusieve neutraliteit pleidooien tegen de islam zijn. Wat mogelijks een interessante discussie zou kunnen zijn, namelijk wat overheidsneutraliteit precies van ambtenaren veronderstelt, wordt gekaapt door een discussie over de mate waarin we de (visuele) islam wenselijk achten. Dat is jammer, want neutraliteitsdebatten zijn geen islamdebatten, waardoor moslims zich ook nooit zouden mogen geviseerd voelen door diegenen die het voor de inclusieve of exclusieve neutraliteitspositie opnemen.

Inclusieve of exclusieve neutraliteit?

Slembrouck heeft opnieuw gelijk wanneer hij stelt dat men in het debat best gebruik maakt van argumenten die zich bevinden in een overlappende consensus. Deze morele overlappende consensus – een term die in de jaren ’90 van de vorige eeuw werd gepuurd door John Rawls en thans ook sterk wordt verdedigd door Patrick Loobuyck – stelt dat burgers moeten aanvaarden dat hun conceptie van het goede leven niet de spil kan zijn waarrond het publieke leven draait.

Die spil moet gevormd worden door waarden en principes die door redelijke burgers kunnen worden aanvaard, dat wil zeggen door burgers die beseffen dat hun eigen beperkte concepties er eigenlijk niet al te veel toe doen als het de vormgeving van de maatschappelijke basisstructuur en de constitutional essentials’ en ‘questions of basic justice’ betreft. Slembrouck stelt echter dat ‘de redelijkheid leert dat wanneer een ambtenaar in zijn voorkomen niet neutraal is, dit schadelijk kan zijn voor de vrijheid van de burger of nefast kan zijn voor de perceptie van de dienstverlening’.

Hier gaat hij volgens mij echter te snel door de bocht. De redelijkheid zou immers ook kunnen aangeven dat men moet zoeken naar die omstandigheden onder dewelke ambtenaren wel hun levensbeschouwelijke en andere tekens kunnen tonen. Een exclusieve vorm van neutraliteit zou dan als onredelijk worden beschouwd omdat men ambtenaren niet het recht op vrijheid van geloof gunt. Het klopt dat ambtenaren de veruitwendiging van een neutrale overheid zijn en dus een specifieke taak hebben, maar daaruit volgt niet logischerwijze dat ze daarom altijd en overal hun religieuze tekens moeten thuislaten. Ook voor ambtenaren geldt immers de vrijheid van godsdienst en geweten.

De consensus waarover Slembrouck het dus terecht heeft, zegt iets over de consensus inzake de gebruikte argumenten en dus over hoe discussies moeten worden gevoerd, maar de verwijzing naar die consensus indiceert niet noodzakelijkerwijze een consensus wanneer het de beantwoording betreft van concrete vragen.

Dit heeft te maken met wat Rawls de ‘burdens of judgement’ noemt, de vele obstakels die gepaard gaan met de juiste en gewetensvolle uitoefening van ons redelijk denken. Deze obstakels verklaren waarom intelligente en redelijke mensen het maar niet eens kunnen geraken over allerhande kwesties. De ‘burdens’ waarover sprake kunnen gelegen zijn in het feit dat (a) het empirisch en wetenschappelijk bewijs vaak complex en tegenstrijdig is; dat (b) mensen het redelijkerwijs oneens kunnen zijn over het relatieve gewicht van verschillende overwegingen en feiten; dat (c) concepten vaag en multi-interpretabel zijn; (d) dat de manier waarop we bewijs en argumenten beoordelen, kan worden gevormd door onze eigen levenservaring; (e) dat het niet altijd duidelijk is hoe verschillende waarden zich precies tot elkaar verhouden (vb. gelijkheid en vrijheid); etc.

Redelijke inclusie

‘Neutraliteit’ is precies zo’n concept waarover we het eens zijn dat het van belang is, maar het is onduidelijk wat het precies in de praktijk betekent. In feite zijn alle liberale beginselen en waarden waaraan onze Westerse identiteit is verknocht (vrijheid, gelijkheid, solidariteit, neutraliteit, scheiding kerk-staat, etc.) betrekkelijk vaag en abstract. Zo vloeit uit de verwijzing naar deze waarden geen eenduidig beleid voort. ‘Liberale diplopie’, zo noem ik dat.

Omwille van die onbeslistheid, pleit ik voor een ‘redelijke vorm van inclusie’, dat wil zeggen dat ik het van belang vind om na te denken over de criteria en omstandigheden die het spreekwoordelijk kaf van het koren kunnen scheiden. Deze ‘redelijke neutraliteit’ heeft het voordeel dat ze de polarisering wil vermijden. De discussies hoeven immers niet te gaan over ‘exclusie’ versus ‘inclusie’ op zich, maar wel over de vraag wat ‘inclusie’ eigenlijk betekent en dat veronderstelt nuance en dialoog in plaats van een ideologische discussie die maar niet opgelost geraakt.

Inclusie? Ja; maar dan wel onder een aantal (redelijke) voorwaarden. Redelijke neutraliteit maakt duidelijk dat de criteria voor iedereen gelden en dat niemand zich dus geviseerd moet voelen. Het betreft geen carte blanche voor inclusieve neutraliteit – want dan zou quasi alles zomaar moeten toegelaten worden, dus ook de rode clownsneus, het pastavergiet, het hakenkruis. Het betreft ook geen carte blanche voor exclusieve neutraliteit omdat die vorm van neutraliteit disproportioneel lijkt in de afwijzing van elk levensbeschouwelijk teken. Is er dan geen verschil tussen ambtenaren die wel/niet in contact komen met burgers (cf. front office vs. back office)?

Kan er dan geen onderscheid gemaakt worden tussen het soort ambtenaren dat in contact komt met burgers (rechters vs. parkeerwachter)? En, zijn alle symbolen werkelijk gelijkaardig (vb. een hakenkruis vs. een geaccommodeerde hoofddoek)? Zoals gezegd vergt die redelijke inclusie veel contextueel denken, alsook een zekere wederzijdse inschikkelijkheid, maar via een redelijke, empathische en constructieve dialoog moet het mogelijk zijn om van water en wijn een gesmaakte cocktail te maken.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content