Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar de koffiebar aan de Naamsepoort heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar de Belgisch-Congolese activiste jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Emery Lumumba bij.
...

Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar de koffiebar aan de Naamsepoort heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar de Belgisch-Congolese activiste jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Emery Lumumba bij. Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van de Afro-Belgische, feministische vereniging BAMKO, is in Franstalig België een belangrijke stem in wat het nieuwe dekolonisatiedebat is gaan heten. Twintigers en dertigers met roots in Centraal-Afrika zetten daarbij de toon. Ze stellen vragen bij de alomtegenwoordigheid van koloniale monumenten in de publieke ruimte, ijveren voor het vernoemen van pleinen en straten naar Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders en keren zich tegen racisme en koloniale stereotypen die volgens hen zowel de media als de geschiedenishandboeken domineren. Je zou bij hen enthousiasme verwachten voor het vernieuwde Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren dat zaterdag 8 december onder internationale mediabelangstelling wordt heropend. De voorbije vier jaar werd het imposante, door Leopold II gebouwde paleis gerenoveerd en uitgebreid. Er wordt vooral uitgekeken naar de vernieuwde tentoonstelling. De collectie blijft wat ze is, een van de rijkste verzamelingen Afrikaanse etnografica ter wereld, de rijkste zonder meer waar het Congo betreft. Het gaat om het narratief waarin deze kunstschatten worden geplaatst. Decennialang stond Tervuren bekend voor zijn paternalistische voorstelling van het Belgische kolonialisme, met veel nadruk op het blanke beschavingswerk ten bate van een primitieve, inheemse bevolking die nauwelijks een actieve rol in haar eigen geschiedenis speelde. Het nieuwe museum, waaraan onder anderen Afrikaanse experts meewerkten, belooft een radicale breuk. Congolezen krijgen een volwaardige stem. Racisme, repressie en exploitatie worden geduid als de pijlers van de koloniale constructie, met de gruwelen in Congo Vrijstaat van Leopold II als een van de treffendste illustraties. Een opsteker voor eenieder die de dekolonisatiestrijd genegen is? Daar heeft het alle schijn van. En toch zal Mireille-Tsheusi Robert de persoonlijke uitnodiging voor het openingsfeest zaterdag onbenut laten. 'Ik ga niet dansen op een graf', zegt ze onder het nuttigen van een latte. Wat bedoelt u? Mireille-Tsheusi Robert: In Tervuren liggen twee mummies, naast fetisjen waarin menselijke resten zitten verwerkt. Heel wat van die etnografische kunstvoorwerpen werden eigenlijk gemaakt als een representatie van onze voorouders. Op zo'n plek wil je niet feesten, er valt trouwens niks te vieren. Het nieuwe AfricaMuseum wil breken met de koloniale propaganda uit het verleden. Uit vrees voor de ontluistering van zijn voorzaat Leopold II besliste koning Filip om de inauguratie niet bij te wonen. Daar moet u toch blij om zijn? Robert: Hoe de collectie wordt getoond, is voor mij irrelevant. Modern of oubollig, dat oordeel laat ik graag aan museumspecialisten over. Ik ben geen kunsthistorica, mijn expertise betreft de dekolonisering. Dat is precies mijn punt: je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst. Best mogelijk dat ze die voorwerpen in een nieuwe context hebben geplaatst, maar dat noem ik geen vooruitgang. Stel: ik val bij jou binnen, vermoord je grootmoeder en neem haar schedel en juwelen mee naar een ver land. Als jij dan later komt aankloppen om je erfenis op te eisen, lach ik je in je gezicht uit. Die schedel en die juwelen? Je mag ze gaan bekijken in mijn museum, maar je moet wel eerst 10 euro entree betalen. Een kind kan toch zien hoe onrechtvaardig dat is? Die situatie blijft even onrechtvaardig als ik de schedel en de juwelen op dezelfde plek in een andere context toon. Zo'n ingreep verandert helemaal niets aan het feit dat jij je rechtmatige erfenis niet terugkrijgt, en het verzacht evenmin de pijn van de gruwel die aan dat gemis is voorafgegaan. Uw Afro-Belgische vereniging BAMKO lanceerde via een open brief een oproep om koloniale roofkunst terug te geven aan de rechtmatige eigenaars. Die vond veel weerklank in kringen van academici, kunstenaars en museumdirecties. Wat willen jullie precies? Robert: Eerst en vooral een moratorium op het tentoonstellen van koloniale roofkunst. Het nieuwe museum in Tervuren mag voor ons part opengaan, maar dan zonder illegaal verkregen voorwerpen. We willen voorts dat er zo snel mogelijk een onafhankelijke commissie komt om de kwestie in kaart te brengen. Ten slotte moet er een internationale conferentie worden georganiseerd om richtlijnen voor Europese musea te formuleren, in overeenstemming met de spelregels die daarover al door de UNESCO werden opgesteld. We denken daarbij onder meer aan het precedent van Joodse kunstcollecties die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's werden geroofd. Als daar restitutie mogelijk is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat voor koloniale roofkunst niet zou kunnen. We werken trouwens nauw samen met mensen binnen de Joodse gemeenschap. De Franse president Emmanuel Macron wil door het Franse leger gestolen kunstwerken teruggeven aan Benin. Volgens een rapport over Afrikaanse roofkunst zou liefst 70 procent van de collecties in Franse musea voor restitutie in aanmerking komen. Moet België dat voorbeeld volgen? Robert: Absoluut. Macrons initiatief is er trouwens gekomen onder druk van de Afrikaanse diaspora. Het verschil met België is frappant. We hebben staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Zuhal Demir (N-VA) al via onze advocaat aangepord dat ze de kwestie ernstig moet nemen. Anders loopt België het risico voor heling te worden veroordeeld. Mevrouw Demir heeft in september beloofd een federale werkgroep op te richten, maar daar hebben we sindsdien niets meer van gehoord. Wat een verschil met de transparante aanpak van de Fransen. In de jaren zeventig heeft Tervuren een aanzienlijke collectie geschonken aan de Musées Nationaux du Zaïre, een prestigeproject van de toenmalige dictator Mobutu. Heel wat van die schatten zijn door corrupte politici en ambtenaren verkwanseld aan buitenlandse kunsthandelaars. Is restitutie in zulke omstandigheden wel een goed idee? Robert: (geërgerd) Mobutu inzetten als joker, dat ben ik stilaan beu. Mobutu was een creatuur van de Belgen die ervoor moest zorgen dat Congo vooral niet kon uitgroeien tot een echt onafhankelijke staat. Kijk, bij corruptie zijn altijd twee partijen betrokken, de omkopers en de omgekochten. En wie waren in dit geval de corrumpeurs? Ik heb het een Belgische kunsthandelaar in Kinshasa ooit horen vertellen: telkens wanneer een Belgische museumdelegatie naar ginder werd gestuurd, verdwenen er werken uit de Musées Nationaux. Die zogenaamde schenking aan Mobutu was overigens geen restitutie. Tervuren heeft wel de objecten maar niet de eigendomstitel aan de Zaïrese staat overgedragen. Toen die voorwerpen even later bij bepaalde antiekhandelaars aan de Brusselse Zavel opdoken, kon Tervuren ze met de papieren in de hand als eigendom claimen. Voor koloniale roofkunst moet er een volledige restitutie komen, met overdracht van eigendomstitels. Congo is een soevereine staat die zelf over zijn erfgoed kan beslissen. Misschien verkiest Congo wel om de collectie geheel of gedeeltelijk in Tervuren te laten, tot het land klaar is om ze zelf te ontvangen. Dat is slechts een kwestie van tijd. In Kinshasa wordt met Koreaanse steun een hypermodern nationaal museum gebouwd, waardoor de hele restitutieproblematiek alleen maar urgenter wordt. Het kan niet dat er straks in dat nieuwe museum alleen maar hedendaagse kunst wordt getoond. Het Congolese volk heeft het recht om zijn culturele erfgoed in eigen land te ontdekken. Moeten we Tervuren niet geven wat Tervuren toekomt? Zonder het AfricaMuseum was een groot deel van het culturele erfgoed van Midden-Afrika verloren gegaan. Robert: Dat is alsof een verkrachter zijn slachtoffer achteraf zou zeggen dat ze hem dankbaar moet zijn, want dat hij haar toch maar mooi een kind heeft geschonken. Altijd weer die neiging van de Belgen om zich op de borst te kloppen voor de goede daden die ze voor de arme Afrikanen hebben gesteld. Ja, die kunstvoorwerpen werden bewaard en voor het publiek ontsloten. In België, en alleen ten behoeve van de Belgen. Dat zeg ik als Belg van Afrikaanse oorsprong, een dubbele identiteit waar velen het hier moeilijk mee hebben. Een conservator van Tervuren heeft het me een keer letterlijk voor de voeten geworpen: als echte Belg heb je niet het recht om voor restitutie te pleiten. Onzin, ik laat me niet de mond snoeren met loyauteitsargumenten. Het AfricaMuseum heeft niet alleen het advies van Afrikaanse experts gevraagd, maar ook van de Congolese diaspora in België. U verkoos aan de kant te blijven staan. Is het dan niet gemakkelijk kritiek spuien? Robert: Ieder zijn rol. Ik wil de vrijheid hebben om kritisch toe te kijken en actie te voeren. Maar nu u de vraag stelt: behalve de kwestie van de roofkunst heb ik ook problemen met het proces van de zogenaamde dekolonisering. Het klopt dat de diaspora werd uitgenodigd om mee na te denken over de transitie. Er werden verschillende werkgroepen opgericht, in een ervan zat een medestander van BAMKO. Dat is echter met een sisser afgelopen. De diasporavertegenwoordigers mochten wel adviezen geven, maar daar werd niets mee gedaan. Op de duur hebben ze het opgegeven, ze kregen het gevoel dat ze als alibi werden gebruikt. Kijk ook eens naar de raad van bestuur: de enige Afrikaanse vertegenwoordigster heeft alleen een raadgevende stem, de beslissingsmacht is volledig in handen van witte mannen, zoals in de tijd van Belgisch Congo. Dat kan toch niet? Dekoloniseren betekent dat je ook de macht deelt. Het AfricaMuseum is vier jaar gesloten gebleven voor renovatiewerken. Kwam u er vroeger weleens? Robert: Jawel, toen ik als opvoedster werkte, nam ik er jongeren mee naartoe, soms samen met hun ouders. Die ervaring staat niet los van mijn engagement voor dekolonisering. Ik werd in die periode volop geconfronteerd met het bendegeweld onder Afrikaanse jongeren in Brussel. De bende van de Matongéwijk? Robert: Niet alleen in Matongé. Er waren in Brussel een tiental Afrikaanse jongerenbendes, onder meer in Schaarbeek, Evere en aan het Madouplein. Het ging er gewelddadig aan toe, tussen 2001 en 2016 zijn een dertigtal doden gevallen. Opvallend genoeg keerde de agressie zich niet tegen blanken of Maghrebijnen, het geweld was op de eigen gemeenschap gericht. Dan rijst toch de vraag: waar komt die zelfhaat vandaan? De vraag stellen is ze beantwoorden. Robert: Aliënatie, culturele vervreemding. Door gebrek aan omkadering zijn Afrikaanse jongeren het dominante, Belgische narratief over zwarten gaan volgen. Zwarten zijn wilden, zijn lui, kunnen niet eens een appartement onderhouden. Omdat niemand, ook hun ouders niet, een tegenstem liet horen, zijn ze die witte stereotypen gaan verinnerlijken. Vroeg of laat slaat die zelfhaat om in zelfdestructie. Dat fenomeen is bekend, ik ben trouwens voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op studiereis naar Frankrijk en Canada getrokken waar ze met soortgelijke problemen kampten. In feite ging het om een revolte tegen een zelfbeeld dat hen door de maatschappij werd opgedrongen. We hebben het bendegeweld onder controle gekregen, onder meer dankzij een speciale politiecel. Maar de echte oplossing lag natuurlijk elders, in het herstellen van hun zelfbeeld en het construeren van een identiteit waarop ze trots konden zijn. Dat is een van de missies van BAMKO. We halen bijvoorbeeld Afrikaanse professoren naar hier die jongeren uitleggen dat Afrika ook voor de komst van de blanken een geschiedenis en beschaving had. De Brusselse jongeren uit die geweldperiode zijn intussen twintigers en dertigers die werken of een gezin hebben. Hun boosheid is niet verdwenen, maar ze richt zich niet meer tegen de eigen gemeenschap, wel tegen racisme en discriminatie. Het is niet toevallig de generatie die de dekolonisatiebeweging drijft. Op welke manier paste een bezoek met die jongeren aan het vroegere AfricaMuseum in uw strijd tegen het bendegeweld? Robert: Het was de ideale plek om stereotypen te duiden en te deconstrueren. De representatie van Afrika was hilarisch: een wild en maagdelijk continent, bewoond door primitieve stammen die dankbaar waren dat ze door de blanken met harde hand werden beschaafd. Tervuren was één groot koloniaal, racistisch cliché. Maar laten we het niet alleen over het museum hebben. Onze strijd gaat veel breder, het gaat om de erkenning van onze cultuur en identiteit, en om wederzijds respect tussen Belgen en Congolezen. In dat opzicht was de erkenning van het Lumumbaplein door het Brusselse stadsbestuur niets minder dan een mijlpaal. De campagne tegen koloniale monumenten slorpt veel energie op. Loont dat wel de moeite? Het gaat tenslotte maar om symbolen. Robert: Symbolen zijn belangrijk in een emancipatieproces. Zopas is een nieuwe studie over de discriminatie van Afro-Belgen verschenen. Daaruit blijkt dat zij het slechtst scoren op de arbeidsmarkt en het minst zichtbaar zijn in de media, terwijl ze de hoogst opgeleide bevolkingsgroep van het land vormen. Het ergst is de situatie van zwarte vrouwen, en dat ondanks de vaststelling dat ze meer diploma's bezitten dan zwarte en witte mannen. Dat moet dus veranderen, daar draait het echt om.