Zelf zoekt het diensthoofd gynaecologie van het AZ Alma uit Eeklo de schijnwerpers niet meteen op. Interviews met hem zijn eerder schaars, maar dat belet niet dat anderen de spot op hem zetten. In een afscheidsinterview en in zijn boek Zo verliep de tijd vertelde de terminaal zieke PVDA-dokter Dirk Van Duppen dat Michel Bafort hem hoop gaf dat de neoliberale gang van zaken in de gezondheidszorg kon veranderen: 'De Orde van Artsen maakt nu een enorme switch omdat Bafort meldde dat de prestatiegeneeskunde steeds meer artsen drankverslaafd maakt en zelfs tot zelfmoord dwingt.' Bafort schreef op zijn beurt een lovende recensie voor Van Duppens boek en noemde hem 'onconventioneel moedig'.
...

Zelf zoekt het diensthoofd gynaecologie van het AZ Alma uit Eeklo de schijnwerpers niet meteen op. Interviews met hem zijn eerder schaars, maar dat belet niet dat anderen de spot op hem zetten. In een afscheidsinterview en in zijn boek Zo verliep de tijd vertelde de terminaal zieke PVDA-dokter Dirk Van Duppen dat Michel Bafort hem hoop gaf dat de neoliberale gang van zaken in de gezondheidszorg kon veranderen: 'De Orde van Artsen maakt nu een enorme switch omdat Bafort meldde dat de prestatiegeneeskunde steeds meer artsen drankverslaafd maakt en zelfs tot zelfmoord dwingt.' Bafort schreef op zijn beurt een lovende recensie voor Van Duppens boek en noemde hem 'onconventioneel moedig'. De vermelding tovert een glimlach op het gezicht van Bafort als we hem ontmoeten in het kantoor van de Nationale Raad voor de Orde van Artsen waarin hij zitting heeft. 'Dirks politieke overtuiging is geenszins de mijne, maar hoe hij telkens tegen de stroom in voer, zijn mening vormde en die ook door dik en dun verdedigde, dwingt respect af. Zulke sterke karakters zijn schaars en het is een verlies als ze verdwijnen. Dirk heeft een warm boek geschreven dat je bij momenten rillingen geeft.' Hoe goed kennen jullie elkaar?Michel Bafort: Niet zo goed, maar we hebben elkaar wel erg leren waarderen. Alles is begonnen bij de openingsspeech die ik in 2014 gaf als voorzitter van de Provinciale Raad van de Orde van Artsen Oost-Vlaanderen. Het is de gewoonte dat de voorzitter dan een delicaat onderwerp aansnijdt: ik wilde toen een aanzet geven om de decennia-oude en bijtijds erg harde strijd tussen de Orde en Geneeskunde voor het Volk (GvhV) op te lossen (Gvhv-artsen werden herhaaldelijk voor de rechtbank gedaagd omdat ze weigerden lidgeld te betalen, nvdr). Eerst beschreef ik hoe het conflict veertig jaar geleden begon - met een betaalstaking door artsen tegen de afschaffing van het vrij honorarium, waar de artsen van de gratis geneeskunde niet aan wilden deelnemen. Daarna hoe het conflict uit de hand liep door fouten van beide zijden . En ten slotte heb ik mijn excuses aangeboden voor wat vroeger gebeurd is. Toen kon je een speld horen vallen in de zaal. Dat had niemand verwacht. Waarom bood u ze precies toen aan? Bafort: Het conflict zat muurvast, het gaf me als voorzitter een ongemakkelijk gevoel. Ik vroeg me af of er echt geen oplossing mogelijk was. Anderen noemden het een onbegonnen zaak, maar dat moet je vooral niet tegen mij zeggen: dan wil ik het zeker proberen. ( lacht) En de tijd was rijp, de Orde wilde toen ook evolueren van een bestraffende, restrictieve organisatie naar een modernere vorm. Ik had weinig hoop, maar ik had ook niets te verliezen. Frans Van Acoleyn, de grondlegger van GvhV in Zelzate, heeft die speech goed ontvangen. Sommige artsen behandelden hen als paria's tijdens vergaderingen, ik ben altijd met hen blijven praten, onder meer voor mijn project Arts in Nood. Zo groeide het vertrouwen en het respect. Toen de Orde de deontologische code wilde aanpassen, heeft Frans een document gemaakt met in rood aangeduid alles wat hem stoorde aan de oude code - en dat was veel - aangevuld met eigen suggesties. Dat heb ik doorgespeeld. Toen de nieuwe code er was, liet Frans me weten dat hij zich er beter in kon vinden. Dat zag ik als een uitgestoken hand. Daarna volgde een gesprek om te kijken of we het conflict niet konden bijleggen, in aanwezigheid van Dirk Van Duppen. Toen heb ik hem ontmoet. Na enkele weken hebben we een etentje georganiseerd, dat praat toch makkelijker. Frans kookte de aardappelen, Dirk bakte vis en ik zorgde voor de wijn. Toen is beslist met een schone lei te beginnen. De Nationale Raad en de huidige voorzitter hebben dat snel gesteund. Ik heb Dirk niet vaak gezien, maar we respecteerden elkaar en elkaars standpunten. Dan kun je veel bereiken. Deze zomer is na veertig jaar de strijdbijl officieel begraven.U hebt Arts in Nood opgericht om artsen met psychische problemen te begeleiden. Vanwaar kwam dat engagement? Bafort: Ik zat destijds ook in de deontologische commissie van de Orde, waar dokters moeten verschijnen als ze een fout hebben gemaakt. Soms waren dat erg consciëntieuze artsen van wie we niet begrepen waarom ze bijvoorbeeld niet voor een wachtdienst waren komen opdagen. Tot we er dieper op ingingen en ontdekten dat ze met een zware burn-out kampten. Wij moesten toen een sanctie opleggen aan iemand die eigenlijk hulp nodig had. Hen vrijspreken bij een fout kon immers niet. Ik wou hen helpen in plaats van straffen. Intussen weet ik dat het minste oordeel soms voldoende kan zijn om iemand in zo'n toestand over de richel te duwen. In die periode hebben ook vier artsen in mijn omgeving zelfmoord gepleegd. De reden dat ze het niet meer zagen zitten, had altijd met hun werk te maken, vaak in combinatie met familiale steun die wegviel. Een van hen was een jonge chirurg die recht tegenover mij werkte in het ziekenhuis. Ik had niets gemerkt van zijn problemen. Ik heb ook veel collega's zien bezwijken onder rechtszaken. Verloskunde is een risicovolle job. Als dat zwaard van Damocles vijf of tien jaar boven je hoofd hangt, waarbij je maandelijks een brief van een advocaat krijgt die schrijft hoe slecht je wel bent, hakt dat erin. Hebt u dat zelf ook meegemaakt? Bafort: Nee, maar mensen in mijn nabije omgeving wel. Hulp vragen is een enorm taboe onder artsen, heel wat artsen hebben zelfs geen eigen huisarts. Ik wilde niet gewoon toekijken. Omdat er geen hulporgaan bestond, besloot ik er zelf een op te richten. Met een collega heb ik de krijtlijnen op een A4'tje neergeschreven, het begon vrij amateuristisch, maar nu is het een professionele organisatie in de schoot van de Nationale Orde met één centraal nummer. Het RIZIV heeft net beslist geld te voorzien voor een koepelorganisatie met andere hulporganisaties. Hoeveel artsen hebben jullie al geholpen? Bafort: Intussen zijn het er vierhonderd, maar dat blijft het topje van de ijsberg. Veel artsen moeten continu presteren, mogen niet moe zijn, moeten altijd klaar staan voor de patiënt. Vandaag moeten ze zich ook met veel andere zaken bezighouden waar ze niet voor opgeleid zijn of voor gekozen hebben: administratie, erg veel vergaderingen over centen met de directie, juridische procedures. Dat gaat ten koste van de tijd en zorg voor de patiënt. Dan is het niet zo gek dat artsen ongelukkig rondlopen. Bij bijna een derde van de artsen die contact opnamen met Arts in Nood, ging het over burn-out, of een te hoge werklast, verslaving, pesterijen, depressie en conflicten op het werk. Intussen hebben we vertrouwensartsen opgeleid die mee uitzoeken wat het probleem precies is en daarna doorverwijzen naar de juiste professionele hulp. Tegelijk werken we preventief. We gaan zo veel mogelijk de hort op om te zeggen: 'We zijn er, we zijn gratis, bel ons.' Jullie jaarrapport vermeldt dat 40 procent van de artsen in opleiding beantwoordt aan de kenmerken van een burn-out. Bafort: Dat is een drama, want die staan nog aan het begin van hun carrière. Daar is dringend werk aan de winkel. Wat is de reden? Bafort: Een opgelegd regime van een onmogelijk aantal uren en wachtdiensten, onvoldoende begeleiding en onaangepaste verantwoordelijkheid. Vandaag draaien veel diensten in perifere maar ook universitaire ziekenhuizen op assistenten, omdat dat relatief goedkope werkkrachten zijn. Maar na een paar jaar is hun opleiding klaar, waardoor die assistenten op de markt komen en de ziekenhuizen nieuwe assistenten moeten zoeken. Er is dus een continue aanvoer nodig. Daardoor leiden sommige diensten veel te veel mensen op, wat dan weer een overaanbod creëert van specialisten die later geen werk vinden. Dat is een pervers systeem: je hebt al die mensen nodig om het systeem te doen draaien. U wilt dat systeem van prestatiegeneeskunde aanpakken. Hoe dan? Bafort: Nu moet ik mijn woorden beginnen te wikken en wegen, want dit is wel explosieve materie. Net als onze huidige economie dwingt de prestatiegeneeskunde - waarbij artsen betaald worden per prestatie - altijd tot meer en meer. De geneeskunde van vandaag is een oude woning die men maar blijft verbouwen en waaraan men koterijen blijft toevoegen tot er geen plaats meer is. Dat moet u toch even toelichten. Bafort: Herinner u het rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), waaruit bleek dat bepaalde artsen zeven keer meer verdienen dan andere. Dat verschil is gigantisch. Hoe lost men dat op? Door ziekenhuizen doelbewust te onderfinancieren, waardoor ze hun personeel niet kunnen betalen. Een ziekenhuis dat te weinig geld heeft om zijn taak te vervullen, mag van de wetgever daarvoor geld recupereren op de artsenhonoraria. Dus gaan ziekenhuizen geld halen bij de hoogste inkomens om die scheefgetrokken verhouding tussen artsen te normaliseren. Die oplossing is een koterij op een koterij, die voor heel veel stress en problemen zorgt. Want hoe proberen een aantal diensten dat te compenseren? Door het werkvolume op te drijven. Wat tot de bekende overconsumptie leidt. Bafort: Ja. Onlangs bleek nog dat hier 201 CT-scans per 1000 inwoners worden gemaakt. Dat is meer dan dubbel zoveel als in Nederland. Zijn wij dan zoveel zieker dat we twee keer meer radiologie nodig hebben? Niet echt. Waarom is het dan zo hoog? Omdat van de kostprijs van elke foto die genomen wordt 80 procent in de kas van het ziekenhuis verdwijnt. Het hele systeem duwt in de richting van overconsumptie, maar eigenlijk ook van slechte geneeskunde. Het KCE-rapport gaf aan dat de hoogste lonen vooral zitten bij de technische disciplines, maar die zijn ook almaar meer geautomatiseerd. De prestatiegeneeskunde kampt met een historisch probleem: de nomenclatuur - een lijst met medische handelingen en hun vergoeding - is ontstaan in de jaren zestig, maar nooit gecorrigeerd. Een nierspecialist deed vroeger één dialyse op een halve dag, nu superviseert hij in die tijd een geautomatiseerd systeem voor twintig patiënten. Zijn inkomen is vertwintigvoudigd omdat hij nog altijd betaald wordt zoals in de jaren zestig. Het probleem van die overconsumptie en excessieve lonen is al langer bekend. Hebt u signalen opgevangen dat er iets zal veranderen? Bafort: Dit systeem is onbetaalbaar geworden, er is geen geld om het verder te laten ontsporen. Artsen moeten correct worden bezoldigd, maar de excessen moeten eruit. Wat beschouwt u zelf als een exces? Bafort: Ik ken een arts die het met een parttimejob klaar speelt om na afdracht aan het ziekenhuis met 1 miljoen euro bruto naar huis te gaan. Dat is een uitzondering, maar er zijn meerdere artsen die 600.000 à 700.000 euro per jaar verdienen. Daarnaast heb je artsen zoals oncologen, geriaters of gynaecologen die 140.000 euro bruto verdienen. Dat is nog altijd een goed inkomen, maar wel veel minder. Wat is uw oplossing: artsen een vast salaris geven, zoals Dirk Van Duppen ook al voorstelde? Bafort: Dat is een mogelijk deel van de oplossing. Maar dan moet er eerst een knip komen tussen de inkomsten van artsen en de inkomsten van ziekenhuizen. Dat betekent dat je de ziekenhuizen meer zult moeten betalen, zodat ze hun personeel kunnen vergoeden. En dan zul je sowieso geld moeten halen bij artsen dat ze nu toch al moeten afgeven aan het ziekenhuis. De kans dat artsen daar wél mee instemmen, lijkt me klein. Bafort: De oplossing heeft meerdere fases. Door die knip vallen al die eindeloze en erg belastende discussies over centen met de directies weg, waardoor artsen méér vrije tijd krijgen. Dat is ook van belang. Bovendien valt de druk bij artsen dan weg om almaar meer prestaties te verrichten, waardoor ook de overconsumptie daalt. In de tweede fase moet je de lonen herschikken op basis van opleiding, zwaarte van de wachtdiensten of het risico. En daarna moet je nog een aantal systeemfouten in de huidige prestatiegeneeskunde wegwerken. Zoals chirurgen die tot 's morgens vroeg geopereerd hebben, maar de volgende ochtend weer paraat moeten zijn omdat het operatiekwartier volgeboekt is. Ik wil dan niet de patiënt zijn die 's namiddags wordt geopereerd. Dan is het risico op fouten het grootst, zeker als iemand moe is. Maar een chirurg zal die operaties niet afstaan, want zijn inkomen hangt ervan af. Het is dus een vicieuze cirkel. Die kan alleen doorbroken worden als je overschakelt van een prestatiegeneeskunde naar een loongeneeskunde. Die bestaat al in universitaire of OCMW-ziekenhuizen. Zijn ze daar ongelukkiger? Misschien niet, maar ze klagen wel vaak dat ze elders meer kunnen verdienen en vertrekken daarom soms ook. Bafort: Universitaire ziekenhuizen kampen inderdaad met een verloop van topartsen die voor de centen kiezen in een perifeer ziekenhuis. Dat is wraakroepend. Topartsen moeten blijven op de plaats waar de meest bijzondere casussen behandeld worden, daarom is een correcte bezoldiging nodig. Ik pleit dan ook voor een billijk salaris. Wat noemt u een billijk salaris? Bafort: Laat ik eerst uitleggen hoe we al ver van het prestatiesysteem weg zijn geëvolueerd. De opleiding tot arts wordt in ons land grotendeels door de samenleving betaald. We werken in ziekenhuizen die voor het grootste deel door de overheid worden betaald. Prestaties worden hoofdzakelijk betaald via de ziekenfondsen, die een doorgeefluik van belastinggeld zijn. Bovendien kun je je afvragen of artsen in een ziekenhuis geen schijnzelfstandigen zijn. We worden gecontracteerd voor zoveel uur op die dagen op die plek, werken binnen een hiërarchie, moeten een reglement volgen. Er hangt alleen nog net geen prikklok. We zijn dus geen echte zelfstandigen, maar eerder ambtenaren. En wat is de best betaalde job als ambtenaar? Die van de minister-president. Ik reken even: 10.000 euro maal dertien maanden, en nog eens maal twee omdat we 50 procent belastingen betalen. Dat geeft een brutosalaris van ongeveer 250.000 euro. Dat lijkt me erg billijk. Je kunt elke arts-specialist toch niet het loon van een minister-president geven? Dat is toch evengoed onbetaalbaar? Bafort: Dat is dan ook het maximum, he. Het ligt ver boven het gemiddelde loon van de toch ook vrij hoogopgeleide Belg. Bafort: Ik geef toe dat het nog wat nattevingerwerk is. Dat is het brutobedrag als zelfstandige, waarmee je dan ook een pensioen zou moeten betalen en je eigen ziekteverlof. Je moet dat omrekenen naar het bedrag van een loontrekkende. Dan benader je het voorstel dat Dirk Van Duppen lanceerde na het KCE-rapport: geef artsen het salaris van een hoogleraar (dat ging om 7000 tot 12.000 euro bruto per maand, nvdr). Als je die hoge bedragen hoort, ontstaat toch de indruk dat artsen niet goed beseffen hoeveel een gemiddeld loon vandaag de dag bedraagt. Bafort: Dat klopt misschien wel. Ik ken mensen met lonen van 700.000 euro bruto per jaar die zeggen dat ze niet met minder kunnen. Natuurlijk kan dat wel. Ooit zal het debat toch gevoerd moeten worden en het belooft pittig te zijn. Zelf was ik het na de zoveelste discussie over lonen eens zo beu dat collega's volhielden dat ze niet konden inleveren, dat ik hen mijn aanslagbiljet heb doorgestuurd met de vraag om eindelijk eens eerlijk te zijn. Als ze niet reageerden, zou dat betekenen dat ze meer verdienden dan ik. Niemand heeft gereageerd. Ik ben ervan overtuigd dat we met dit systeem op een eindpunt zitten, al denken veel collega's dat het hun tijd nog wel zal duren. Dit najaar pleitte u voor een veilig kanaal waarin artsen medische fouten kunnen melden. Vanwaar dat idee? Bafort: Het Riziv had ons gevraagd na te gaan wat er precies scheelde bij de artsen in nood die we hielpen. De druk van een juridische procedure bleek een kantelpunt te zijn. Daarna ontdekte ik dat er veel meer medische incidenten zijn dan ik zelf dacht. Het is de vierde belangrijkste doodsoorzaak in Europa, wereldwijd zijn er 400.000 vermijdbare sterfgevallen per jaar. Maar medische incidenten zijn een taboe onder artsen. Ze durven er niet over te spreken, uit angst voor een sanctie. De helft ervan zijn systeemfouten, incidenten die vroeg of laat sowieso zouden gebeuren omdat er iets fout zit in je organisatie. Waarover spreken we dan? Bafort: Soms zijn dat kleinere fouten. Zoals een suikerklontje dat per ongeluk aan een diabetespatiënt wordt gegeven omdat de doos suikerklontjes en de doos stevia naast elkaar staan. De ernstigere systeemfouten zijn moeilijker op te lossen: zoals de chirurg die na een hele nacht doorwerken de volgende dag een foutje begaat door vermoeidheid. Dokters zijn ook maar mensen. Een kleine fout kan dan grote gevolgen hebben. Maar je kunt veel fouten ook voorkomen. Door naast het interne meldingssysteem dat veel ziekenhuizen al hebben een nationaal meldpunt voor medische incidenten te installeren - een Hoge Raad voor Medische Veiligheid - zodat ziekenhuizen uit elkaars incidenten kunnen leren. Daarnaast moeten artsen in een afgeschermd kanaal open kunnen bespreken wat is misgelopen tijdens een behandeling. Collega's kunnen daaruit leren, waardoor de kwaliteit van de zorg stijgt. Nu is er een omerta om over incidenten te spreken. Dat extra meldkanaal kan dan ook alleen werken als artsen zich veilig voelen om er fouten te melden. Dat kon enkel als ze geen risico lopen op een sanctie via dat kanaal, stelde u voor. Maar échte fouten kunnen toch niet ongestraft blijven? Bafort: Nee, zeker niet. Een patiënt behoudt het recht op een schadevergoeding bij een medische fout. De huidige systemen blijven bestaan: een medisch dossier met het volledige verloop van een medische behandeling is verplicht, de onderzoeksrechter kan nog altijd het medisch dossier in beslag nemen, hij kan ook nog altijd artsen verhoren en onderzoeksdaden stellen. Hij kan alleen de informatie in dat extra afgeschermd kanaal niet gebruiken. Hoever staat uw voorstel nu? Bafort: Toen ik het lanceerde, kreeg ik van advocaten en magistraten te horen dat het nooit kon lukken. Maar nu ik het heb uitgewerkt in een artikel in het Tijdschrift voor Geneeskunde, zijn de reacties al veel positiever. Een advocatenkantoor dat eerst erg kritisch was, acht het nu wel haalbaar. Voor magistraten blijft het moeilijk omdat er veel wetgeving voor aangepast zou moeten worden. Maar ik heb net gehoord dat zo'n systeem in Denemarken al bestaat. Het aantal medische fouten is daar drastisch teruggelopen. Het zal niet eenvoudig zijn, maar u weet intussen dat bij mij geldt: moeilijk gaat ook.