In onze geglobaliseerde wereld zijn alledaagse producten als wasmachines, smartphones, tandenborstels en fietszadels, het resultaat van een complexe aaneenschakeling van productieprocessen van over de hele wereld. Waar grote multinationals als Apple zich in toenemende mate zijn gaan toeleggen op winstgevende activiteiten als productontwikkeling en branding, is de meer arbeidsintensieve productie verschoven naar lageloonlanden. Zo wordt het gros van de iPhones geassembleerd in de Chinese fabrieken van het Taiwanese bedrijf Foxconn. Deze iPhones vinden vervolgens hun weg naar Amerikaanse en Europese, maar in toenemende mate ook naar Aziatische consumenten.

Vorige week besliste Foxconn om, bovenop de maatregelen van de Chinese overheid, haar arbeiders twee weken in quarantaine te plaatsen. Dit is een logische beslissing, aangezien het in vele gevallen gaat om arbeidsmigranten uit nabijgelegen provincies, waaronder Hubei. Ook bij vele toeleveranciers van Foxconn ligt de productie momenteel stil. Dit baart beleggers en IPhone-adepten zorgen, omdat het de lancering van de langverwachte IPhone SE2 dreigt te vertragen. Deze iPhone SE2 moet het sluitstuk worden van Apple's nieuwe en budgetvriendelijke productlijn, die haar marktaandeel in groeilanden moet vergroten.

Werkomstandigheden in globale productieketens

De voorbije jaren haalde Foxconn meermaals het nieuws omwille van heel andere redenen. Werknemers zouden er tot 100 uur per week repetitief en gevaarlijk werk uitvoeren tegen lage lonen, en het bedrijf zou veelvuldig gebruik maken van flexibele contracten en goedkope migranten- en studentenarbeid. Hoewel Foxconn onder druk van Apple stappen heeft gezet om de situatie van haar arbeiders te verbeteren, blijven er verderop in de keten grote problemen bestaan. Zo worden vele iPhone-componenten in vaak erbarmelijke omstandigheden geproduceerd in kleine ateliers in China, maar in toenemende mate ook in landen als Vietnam en Thailand. Ook onderaan de keten, bij de ontginning van de vele mineralen die verwerkt zitten in de iPhones, zijn er grote problemen. Zo werd Apple onlangs (via het Belgische Umicore) gelinkt aan kinderarbeid in Congolese kobaltmijnen.

De logica van goedkope arbeid

Ondanks een toenemend aantal initiatieven om werkomstandigheden in globale productieketens te verbeteren (denk maar aan Fairtrade of aan de vele initiatieven die bedrijven nemen onder de noemer van 'Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen'), zien we op het terrein weinig structurele verbetering. Zo heeft de toegenomen druk vanuit Apple weliswaar de werkomstandigheden bij Foxconn (licht) verbeterd, maar zet Foxconn op haar beurt haar eigen leveranciers onder druk, in een poging om haar beperkte winstmarges (ongeveer 10%, vergeleken met ongeveer 40% bij Apple) veilig te stellen.

Deze leveranciers gaan op hun beurt hun werknemers en leveranciers onder druk zetten. Globaal genomen geldt dat hoe verder we kijken in de productieketen, hoe groter de problemen worden, en hoe lastiger het wordt om te controleren. Onderaan de keten toont ons eigen onderzoek aan dat ook pogingen om illegaal en/of met kinderarbeid gewonnen mineralen te bannen uit de toeleveringsketen van grote bedrijven ongewenste effecten hebben, doordat ze de mijnbouwers nog verder in de illegaliteit duwen.

Het probleem met vele bestaande initiatieven is dat ze uitdagingen als kinderarbeid en uitbuiting zien als 'uitwassen' van de globalisering, die als dusdanig bestreden kunnen worden. Flexibele en goedkope arbeid zorgen er echter voor dat grote bedrijven als Apple, via hun productieketen, snel kunnen inspelen op een volatiele markt, en gigantische winsten kunnen opstrijken.

Het zorgt er tegelijk voor dat wij, als consumenten, kunnen blijven genieten van innovatieve en betaalbare producten. Als dusdanig is goedkope arbeid een cruciale grondstof voor de wereldeconomie. Zolang we weigeren om dit te erkennen en de nodige maatregelen te nemen, zullen goedbedoelde initiatieven om de werkomstandigheden in deze of gene fabriek of mijn te verbeteren, niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden.

Boris Verbrugge is onderzoeker aan het onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) en het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (IOB) van de Univeriteit Antwerpen.

Sara Geenen is onderzoeker aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid van de Univeristeit Antwerpen.

In onze geglobaliseerde wereld zijn alledaagse producten als wasmachines, smartphones, tandenborstels en fietszadels, het resultaat van een complexe aaneenschakeling van productieprocessen van over de hele wereld. Waar grote multinationals als Apple zich in toenemende mate zijn gaan toeleggen op winstgevende activiteiten als productontwikkeling en branding, is de meer arbeidsintensieve productie verschoven naar lageloonlanden. Zo wordt het gros van de iPhones geassembleerd in de Chinese fabrieken van het Taiwanese bedrijf Foxconn. Deze iPhones vinden vervolgens hun weg naar Amerikaanse en Europese, maar in toenemende mate ook naar Aziatische consumenten.Vorige week besliste Foxconn om, bovenop de maatregelen van de Chinese overheid, haar arbeiders twee weken in quarantaine te plaatsen. Dit is een logische beslissing, aangezien het in vele gevallen gaat om arbeidsmigranten uit nabijgelegen provincies, waaronder Hubei. Ook bij vele toeleveranciers van Foxconn ligt de productie momenteel stil. Dit baart beleggers en IPhone-adepten zorgen, omdat het de lancering van de langverwachte IPhone SE2 dreigt te vertragen. Deze iPhone SE2 moet het sluitstuk worden van Apple's nieuwe en budgetvriendelijke productlijn, die haar marktaandeel in groeilanden moet vergroten.De voorbije jaren haalde Foxconn meermaals het nieuws omwille van heel andere redenen. Werknemers zouden er tot 100 uur per week repetitief en gevaarlijk werk uitvoeren tegen lage lonen, en het bedrijf zou veelvuldig gebruik maken van flexibele contracten en goedkope migranten- en studentenarbeid. Hoewel Foxconn onder druk van Apple stappen heeft gezet om de situatie van haar arbeiders te verbeteren, blijven er verderop in de keten grote problemen bestaan. Zo worden vele iPhone-componenten in vaak erbarmelijke omstandigheden geproduceerd in kleine ateliers in China, maar in toenemende mate ook in landen als Vietnam en Thailand. Ook onderaan de keten, bij de ontginning van de vele mineralen die verwerkt zitten in de iPhones, zijn er grote problemen. Zo werd Apple onlangs (via het Belgische Umicore) gelinkt aan kinderarbeid in Congolese kobaltmijnen. Ondanks een toenemend aantal initiatieven om werkomstandigheden in globale productieketens te verbeteren (denk maar aan Fairtrade of aan de vele initiatieven die bedrijven nemen onder de noemer van 'Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen'), zien we op het terrein weinig structurele verbetering. Zo heeft de toegenomen druk vanuit Apple weliswaar de werkomstandigheden bij Foxconn (licht) verbeterd, maar zet Foxconn op haar beurt haar eigen leveranciers onder druk, in een poging om haar beperkte winstmarges (ongeveer 10%, vergeleken met ongeveer 40% bij Apple) veilig te stellen. Deze leveranciers gaan op hun beurt hun werknemers en leveranciers onder druk zetten. Globaal genomen geldt dat hoe verder we kijken in de productieketen, hoe groter de problemen worden, en hoe lastiger het wordt om te controleren. Onderaan de keten toont ons eigen onderzoek aan dat ook pogingen om illegaal en/of met kinderarbeid gewonnen mineralen te bannen uit de toeleveringsketen van grote bedrijven ongewenste effecten hebben, doordat ze de mijnbouwers nog verder in de illegaliteit duwen. Het probleem met vele bestaande initiatieven is dat ze uitdagingen als kinderarbeid en uitbuiting zien als 'uitwassen' van de globalisering, die als dusdanig bestreden kunnen worden. Flexibele en goedkope arbeid zorgen er echter voor dat grote bedrijven als Apple, via hun productieketen, snel kunnen inspelen op een volatiele markt, en gigantische winsten kunnen opstrijken. Het zorgt er tegelijk voor dat wij, als consumenten, kunnen blijven genieten van innovatieve en betaalbare producten. Als dusdanig is goedkope arbeid een cruciale grondstof voor de wereldeconomie. Zolang we weigeren om dit te erkennen en de nodige maatregelen te nemen, zullen goedbedoelde initiatieven om de werkomstandigheden in deze of gene fabriek of mijn te verbeteren, niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden.Boris Verbrugge is onderzoeker aan het onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) en het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (IOB) van de Univeriteit Antwerpen. Sara Geenen is onderzoeker aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid van de Univeristeit Antwerpen.