Elke week vraagt Knack aan ondernemende Belgen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

Wat te doen bij de confrontatie met een kudde zwarte schapen, twintig dieren sterk, onbeweeglijk voor je neus? Stephan Vanfleteren weet het wel: je gaat zachtjes door de knieën, maakt de leiband van je hond vast, een bordercollie met knikkers van ogen, en fluistert: 'Hij ziet er braaf uit, maar het is en blijft een herdershond. Je weet maar nooit.' We staan in 'het bos van de vallende bomen', zoals Vanfleteren dit natuurgebied aan de kust noemt. 'Bij iedere storm valt er wel één om.' Hij komt hier graag wandelen, met Kosmos als vaste gezel. De stilte in het bos brengt inzicht: veel van zijn teksten in Present, zijn nieuwe boek bij de gelijknamige overzichtstentoonstelling in het Fotomuseum Antwerpen, zijn hier ontstaan. Als kind al dwaalde Vanfleteren lustig door de duinen. Hij groeide op in Oostduinkerke en waande zich een verkenner in het leger. Altijd op de loer, af en toe een brandje stichtend. Nu hij vijftig is geworden, blikt hij voor het eerst terug. Present is het verslag van een verkenner, van een duinenkind dat ging loeren in New York en Nederland, Afghanistan en Kosovo, Japan en Dampremy. In het bos van de vallende bomen draaien we urenlang rondjes. Met elk rondje graven we ons dieper in Vanfleterens leven en werk in, zoals hij zich de voorbije negen maanden ingroef in zijn geheugen en archief. Uw vrouw liet me enkele weken geleden weten: 'Stephan leeft momenteel in een kelder zonder daglicht tussen zijn beelden. Zijn lichaam is door dit werk niet echt meer in beweging. Maar zijn geest is in volle vorm.' Stephan Vanfleteren: Ik heb me negen maanden in de kelder opgesloten, om er in alle stilte door mijn werk en mijn leven te bladeren. Mijn brein raasde op volle toeren, maar mijn lichaam vertoont stilaan wat sporen van slijtage, inderdaad. Mijn ogen zijn mijn grootste zorg. Ze gaan al tien jaar achteruit en ik durf me nog niet te laten opereren. En lenzen kan ik niet verdragen. Praat met mij over mijn ogen en na een kwartier val ik gegarandeerd flauw. Ik ben dus afhankelijk van die bril. Als ik hem niet bij me heb, voel ik me op een rare manier onrustig. Ik heb nooit gerookt, ik heb geen drankprobleem, geen koffieverslaving, ik ben altijd heel onafhankelijk geweest. Nu niet meer, en dat leidt tot onzekerheid. Tijdens het fotograferen moet ik ook steeds vaker mijn bril op- en afzetten, en die handeling doorbreekt mijn flow. Bij het portretteren van de dode dieren, die op het einde van het boek staan, maakte dat gelukkig niet veel uit. (lacht)Moet ik doorgaan? Ik ging nog vragen of u niet wat jong bent voor een retrospectieve. Vanfleteren: Ik heb al jaren last van het carpaletunnelsyndroom, waardoor ik tintelingen in mijn linkerpols heb. Ik klik gelukkig rechts, maar mijn fijne motoriek is aan het verdwijnen. Binnenkort laat ik me eraan opereren. Nekpijn: altijd en overal. En sinds anderhalf jaar heb ik last van oorsuizingen, door de stress. Ik hoop dat ze straks weer weggaan. 'De huisarts vreest voor mijn gezondheid en mijn yogalerares raadt me aan om trager te ademen', schrijft u in Present. 'Maar het is verdomd moeilijk om dit leven niet gulzig te omarmen.' Vanfleteren: Ik aanvaard de fysieke prijs die ik betaal, omdat het leven zo ongelooflijk fantastisch is. Of ik nu een portret aan het maken ben, met mijn dochters in de zee zwem of met mijn vrouw een dagje vakantie neem in Malo-les-Bains, hier net over de grens: altijd heb ik dezelfde overgave. Ik kan mezelf goed wijsmaken dat wat ik aan het doen ben het allerbelangrijkste van de hele wereld is. Dat prachtige zelfbedrog maakt me gelukkig, en productief. Collega's benijden me soms om de vrijheid waarin ik kan werken, maar ze vergeten welke risico's ik de voorbije jaren heb genomen en hoe hard ik werk. Ik heb grote offers gebracht, ik ben soms té ondernemend. Je moet wel: wie in deze tijden wacht tot zijn telefoon overgaat, is een vogel voor de kat. Maar u doet dus aan yoga? Vanfleteren: Af en toe, ja, met mijn vrouw. Op ons tapijt in de woonkamer. Soms komt er een yogalerares langs, die raar opkijkt als we na anderhalf uur yoga niet voldaan in de zetel ploffen maar weer naar beneden hollen om snelsnel verder te werken. Zelfs op een zondagavond. Het doet me telkens goed, maar ik heb er weinig talent voor, vrees ik. Het is zelfs zo erg dat ik soms vriendelijk word uitgelachen door mijn yogalerares. Als ik weer eens denk dat ik in een of andere vreemde houding totaal zen ben, is zij bang voor een liesbreuk. (lacht) Andere keren val ik gewoon in slaap. Afgaande op uw teksten in Present lijkt het soms alsof u graag een zwarte man was geweest. Vanfleteren: Ik ben altijd onder de indruk van zwarte mannen, dat klopt. Van hun kracht, hun trots, hun lichaam. De worstelaars die ik in Senegal geportretteerd heb, waren daar het summum van, ze maakten me heel nederig. Ik voelde me ineens nog maar een kleine, blanke scheet. Ik was aan het zweten en het puffen, mijn ballen plakten tegen mijn broek, maar zij bleven onbewogen voor mijn lens staan. Met het ouder worden heb ik meer en meer bewondering gekregen voor de atleet, de danser, de worstelaar, de surfer. Hoe slechter het met mij gaat, lichamelijk dan, hoe meer ik de schoonheid inzie van iemand die in balans is, die een gladde huid en een stevige hals heeft, die evenwichtig is opgebouwd, als een beeldhouwwerk bijna. De fotograaf en het model zijn als twee communicerende vaten? Vanfleteren: Blijkbaar wel, ja. Hoe gezonder ik was, hoe meer ik op zoek ging naar het verval, het conflict, de kwetsuur. Hoe meer ik zelf in het verval ga, hoe meer ik speur naar schoonheid en balans. Nog een citaat uit Present: 'Deze stilstand, deze terugblik was niet mijn gelukkigste jaar.' Vanfleteren: Onvermijdelijk word je tijdens zo'n terugblik geconfronteerd met je slechte foto's, met niet-gemaakte beelden, met je eigen onkunde. Ik maakte ook geen nieuw werk meer, ik was niet meer in beweging. Eén keer zat ik tegen mijn limiet aan, op het einde van de zomer. Ik kon niet meer, ik was op. Mijn vrouw was op dat moment met vakantie in Frankrijk en ik ben haar achternagereisd. Zij is mijn muze, maar ook mijn strengste recensente. Die twee dagen met haar in Vaison-la-Romaine hebben me erdoorheen geholpen. Ook daarom heb ik deze terugblik nu al ondernomen, en niet pas over twintig jaar, zoals het gewoonlijk gaat. Op mijn zeventigste zou ik dit mentaal niet gekund hebben. Ik zou er de kracht niet meer voor hebben, als ik er tegen dan nog ben. Maandenlang hing u boven uw ziel. Wat hebt u gezien? Vanfleteren: Dat weet ik nog niet. Daar is het nog te vroeg voor, denk ik. In elk geval is Present geen retrospectie, maar introspectie. Dat klinkt als een citaat dat je zo in een talkshow kunt gebruiken, ik weet het, maar het voelt niet hol aan als ik dat nu tegen jou zeg. Ik wilde nadenken over de keuzes die ik gemaakt en niet gemaakt heb, over wie ik ben, hoe ik geëvolueerd ben tot op de dag van vandaag. In een mens schuilen vele mensen, schrijft u ergens. Vanfleteren: Dat geloof ik echt. We zijn allemaal constant in beweging, in evolutie. Identiteit is iets zeer flous in mijn ogen, het past zich de hele tijd aan de omstandigheden aan. Wie zou ik zijn als ik een andere vrouw had, of geen vrouw? Als ik acht jaar geleden niet was verhuisd van Brussel naar Veurne? Als ik indertijd door De Standaard was opgepikt en niet door De Morgen, en zo weer andere vriendschappen had aangegaan? Misschien was ik dan wel sportfotograaf geworden, of oorlogsfotograaf, of was ik al lang gestopt? Present is dus allesbehalve een best of. Het is een poging om te tonen hoe een leven zich kan ontwikkelen, en hoe je in het leven kunt staan. Kunt, niet moet. Het is geen handleiding. En misschien wil ik met dit project ook het beeld van 'Stephan Vanfleteren, de melancholische fotograaf' wat bijstellen. Ik heb niet alleen maar oude mensen met een verrimpeld gezicht gefotografeerd, mijn werk gaat ook om mooie vrouwen, om lachende kinderen, om een dansende Stromae. Wanneer hebt u zelf voor het laatst gedanst? Vanfleteren: Af en toe dansen mijn vrouw en ik wel eens in de keuken, maar echt wild dansen op een dansvloer is ondertussen al een tijdje geleden. (denkt na) Vorig jaar op het filmfestival in Oostende was het nog eens à fond. Half kreupel door het dansen en zwaar beschonken door de drank klom ik op de achterbank van een Mercedes voor mijn langste taxirit naar huis. Bij de opening in Antwerpen zal ik me straks nog eens helemaal laten gaan. Dan mag het beest in me nog eens los. Ze zijn gewaarschuwd: er zit een wildeman in mij. Zelfs de allergrootste kunstenaars worden vroeg of laat herleid tot één werk. Edward Hopper is Nighthawks, Giovanni Pergolesi Stabat Mater, Marcel Proust À la recherche du temps perdu. Om welk werk zult u herinnerd worden? Vanfleteren: Dat weet niemand. Ergens heb ik wel iets nagelaten de afgelopen decennia. Maar misschien zal mijn werk versnipperd zijn. Mijn foto's zullen wellicht naar boven komen als het gaat om andere mensen. Mijn portret van de oude Hugo Claus, bijvoorbeeld, of dat van de jonge Stromae vlak voor zijn malaria-aanval. Mijn fotografie zal eerder een vlek zijn dan een punt. Of misschien ben ik straks weer helemaal vergeten, dat kan ook. Dat heb ik ook geleerd door in mijn negatieven te kijken: van veel mensen die op die dag heel belangrijk bleken, wist ik bij God niet meer wie ze waren. Wat veel mensen vergeten, is dat u vaak in conflictgebieden hebt gewerkt. Sinds uw reis naar Rwanda, vlak na de genocide, hebt u geen banaan meer gegeten. Vanfleteren: Ik was nog zeer jong toen, en ik had nog geen kinderen. Wat ik daar gezien heb, grijpt me nog altijd enorm aan. Bij de film Hotel Rwanda, de theatervoorstelling Missie en de televisiereeks Terug naar Rwanda heb ik telkens zitten janken als een kind. Daar zit ergens een luikje naar een verdriet dat me niet belemmert in mijn dagelijkse leven, maar dat gemakkelijk op te roepen valt en nooit zal weggaan. Voor het eerst in tien jaar hebt u de foto bekeken die u van uw vader hebt gemaakt vlak nadat hij was gestorven. Met een bang hart? Vanfleteren: Met nieuwsgierigheid, eerder. Het was heel raar om eindelijk dat mapje met die droge naam te openen: 'vader_dood'. Mijn vader is in mijn armen gestorven, en een paar uur na zijn dood heb ik hem gefotografeerd. Ik heb het nooit aan mijn moeder en mijn broer verteld, al hadden ze wel een vermoeden. Mijn moeder wilde de foto liever niet in het boek, en ik kreeg hem er ook moeilijk ingepast. Op de expo zal hij wel te zien zijn. Telkens wanneer u over de IJzer rijdt, klopt u op het stuur van uw auto en denkt u aan uw vader. Wat was de laatste herinnering die u hebt opgehaald? Vanfleteren: Dat hij nooit mijn doorbraak naar het grote publiek meegemaakt heeft. Hij is gestorven vlak voor Belgicum verscheen, in 2007, net voor het boek in druk ging. Ik heb hem nog bezocht op de palliatieve zorgen met de geprinte bladen onder mijn arm, in de hoop er met hem nog over te praten, maar dat is er niet meer van gekomen. Ik zit vandaag weer op hetzelfde punt als toen. Present voelt voor mij even belangrijk aan als Belgicum indertijd. Het wordt steeds moeilijker om nieuwe herinneringen aan mijn vader op te halen, mijn geheugen raakt uitgeput. Dat is confronterend, dat er zelfs van je vader niet meer overblijft dan - wat zal het zijn? - tweehonderd herinneringen. Lijkt u op hem? Vanfleteren: Van hem heb ik geleerd om zacht te zijn voor goede mensen en van mijn moeder om hard te zijn voor slechte mensen. Ik ben zacht van inborst, maar ik kan ook heel hard zijn. Als mensen tegen mijn kar rijden, onthou ik dat. Ik investeer geen tijd meer in mensen die me op een of andere manier gekwetst hebben, daar ben ik nogal resoluut in. Uw ouders hadden een tennisclub. Uw broer ging naar de sportschool, u naar de kunstacademie. De camera lag u beter in de hand dan het tennisracket? Vanfleteren: Ik vond het niet erg om glansrijk te verliezen. Ik verloor liever met twee keer 6-7 na een geweldige wedstrijd dan met de vingers in de neus te winnen met 6-2, 6-1. Mijn broer was een killer, ik niet. Mijn backhand was ook een probleem, ik kon dat niet wegmoffelen. Dat is het voordeel van fotografie: je mag heel veel zwakke punten hebben, je hoeft maar één ding goed te kunnen en dat dan uitpuren. U hebt dyslexie. Voelt dit boek, met de lange teksten die u hebt geschreven, als een revanche aan? Vanfleteren: De onmacht die ik als kind voelde was groot, de dansende letters maakten me kwaad. Het boek voelt toch een beetje als een overwinning aan. Op mezelf en het onderwijs van weleer. Over mijn teksten ben ik wel veel onzekerder dan over mijn foto's. Het had me veel tijd en twijfels kunnen besparen als ik iemand anders gevraagd had om een tekst te schrijven, maar dan was dit project veel minder introspectief geweest. Schrijven dwong me tot stilstand, tot nadenken. Het was bovendien een handige manier om te compenseren voor nooit-gemaakte foto's: bij een herinnering waarbij ik geen beelden gemaakt had, kon ik toch nog iets vertellen. En de tijd dat men fotografen als dwazen bekeek, is gelukkig ook voorbij. We moeten niet langer alleen foto's maken, we mogen ook al eens iets zeggen. Of schrijven.