'Ik ben bang om na dit interview als een vreselijke moraalridder te worden afgeschilderd', zegt Frank Vande Veire in de helft van ons gesprek. 'Dat zou ik echt afschuwelijk vinden.' Terecht zou het ook niet zijn, maar evengoed weer niet helemaal onvoorstelbaar. Vande Veire wil dat politici de mensen, en dus hun kiezers, strenger toespreken als het over onderwerpen als pornografie en geluidsoverlast gaat. Maar daarover later dus meer.
...

'Ik ben bang om na dit interview als een vreselijke moraalridder te worden afgeschilderd', zegt Frank Vande Veire in de helft van ons gesprek. 'Dat zou ik echt afschuwelijk vinden.' Terecht zou het ook niet zijn, maar evengoed weer niet helemaal onvoorstelbaar. Vande Veire wil dat politici de mensen, en dus hun kiezers, strenger toespreken als het over onderwerpen als pornografie en geluidsoverlast gaat. Maar daarover later dus meer. Vande Veire is cultuurfilosoof en docent in Gent. Hij werd enkele jaren geleden nog 'een van de intelligentste en grappigste filosofen van Vlaanderen' genoemd, hoewel hij de laatste tijd niet meer veel van zich liet horen. Met Bloeiende Agatha schreef hij in 2013 nog een roman over een man die zich overgeeft aan zijn seksuele en sadistische obsessies, maar Vande Veire is allicht bekender om zijn essays over kunst, cultuur en onvermijdelijk ook politiek. Zijn bekendste wapenfeit is I Love Art, You Love Art, We All Love Art, This Is Love, een pamflet waarmee hij in 2003 wild om zich heen trapte. Kunstenaars hadden geen boodschap meer, alles wat ze maakten was saai en voorspelbaar. Grote namen als Jan Fabre moesten er daarom aan geloven. De filosoof kwam even in het oog van een stormpje te staan. Vande Veire is een dwarse stem die zich evenzeer ergert aan spot met minderheidsgroepen als aan de wildgroei van het politiek correcte denken. Daarom nam hij onlangs in De Standaard de maat van Theo Francken die zich op Facebook vrolijk had gemaakt over mannenlingerie, en hekelde hij in een ander opiniestuk het verbod dat sommige weldenkenden hebben uitgevaardigd tegen het woord 'blank'. Vande Veire: 'Conservatieven kijken vandaag op mensen neer, maken minderheden belachelijk op een soms ranzige manier en kunnen heel goed uitleggen wat ze níét zijn. Als je hen vraagt wat de Vlaamse identiteit dan wél inhoudt, vallen ze stil. Wat kan dat ook nog betekenen? We hebben allemaal over de hele wereld the American way of life omarmd.' De meeste conservatieven verwijzen vandaag naar de waarden van de Europese verlichting. Frank Vande Veire: Terwijl dat uiteraard absoluut niet de essentie is van het conservatisme. Oervader Edmund Burke verzette zich net tegen de excessen van de verlichting, zoals de Franse Revolutie. Nu liberalen en socialisten er, na een lange strijd, in geslaagd zijn om die waarden van vrijheid en gelijkheid, of toch gelijkwaardigheid, te realiseren, hebben conservatieven ze ook omarmd. Ze zetten ze in tegen de demonische anderen - de moslims - die nog niet zo verlicht zijn als wij. Oud-kardinaal Godfried Danneels heeft eens gezegd dat de islam een Franse Revolutie nodig had. Uit de mond van een katholiek klinkt dat op zijn minst ironisch. De eerste katholieke conservatieven verzetten zich juist tegen de decadente liberalen en goddeloze socialisten. Het conservatisme is in oorsprong reactionair. Conservatieven zijn geobsedeerd door de vijand, en hollen daarvoor hun eigen ideologie helemaal uit. Zit er in uw ergernissen een verlangen naar een positiever conservatisme? Vande Veire: Ik beschouw mezelf absoluut niet als conservatief, nee. Ik ben links. Maar er is inderdaad een politieke agenda die misschien wel overlapt. Het ideaal van de meeste mensen vandaag is om zo lang mogelijk gezond te leven en zo veel mogelijk te genieten. Ik kan me voorstellen dat zowel conservatieven als socialisten dat redelijk nihilistisch vinden. Socialisten zouden liever zien dat mensen zich meer inzetten voor de maatschappij waarin ze leven, en conservatieven moeten zich toch ook ergeren aan die consumptiecultuur. Om zo'n ergernis te noemen die wij ondertussen allemaal normaal vinden: het lawaai in de openbare ruimte. Ik kan geen straat in een stadscentrum doorwandelen, en al helemaal geen winkel binnenstappen zonder overal eenzelfde, drammerige dreun te horen. Van zulke vormen van verloedering zouden conservatieven en socialisten wakker moeten liggen. U had het in de krant ook al over pornografie. Is dat nog iets waar politici van wakker moeten liggen? Vande Veire: Ja. Ik begrijp dat het moeilijk is om daarover te spreken, want heel veel mensen kijken daarnaar. Negentig procent van de mannen consumeert regelmatig pornografie. Maar worden zij daar gelukkig van? Het is volkomen steriel, en het zwengelt het verlangen alleen maar verder aan. Net zoals Coca-Cola bedoeld is om mensen meer dorst te bezorgen, is pornografie een consumptiegoed dat geen enkele behoefte echt bevredigt. Ik denk dat veel mannen graag zouden hebben dat porno niet bestaat, zoals rokers het liefst hebben dat er nergens meer sigaretten te vinden zijn. Ze zouden twee weken onrustig rondlopen, maar daarna zijn ze van hun verslaving af. Wat zouden politici dan over porno moeten zeggen? Vande Veire: Ze moeten de juiste toon vinden. Maar ze verschuilen zich liever achter een expert, die hen dan zegt dat porno ook positieve effecten heeft, en zelfs gebruikt kan worden in therapieën. Ik heb begrepen dat de jongens van Schild&Vrienden ook tegen pornografie zijn, maar ik kreeg tijdens de Pano-uitzending meer de indruk dat zij daar net grote consumenten van zijn. (lacht)Politici doen nog maar zelden uitspraken over privékwesties. Vande Veire: Partijen doen inderdaad niet meer aan volksopvoeding. Vroeger organiseerden ze studiedagen en lezingen voor hun leden, waar altijd een morele ondertoon in zat. Vandaag zijn wij allemaal radicale liberalen. Iedereen moet doen waar hij zin in heeft, zolang hij daarmee niemand anders lastig valt of schaadt. Dat is het absolute minimum voor een moraal. Ik denk dat politici nochtans wel een taak hebben om mensen op te voeden, en niet enkel met technische zaken bezig moeten zijn als de economie of een begroting in evenwicht. Er zijn nog maar heel weinig andere zaken die de politieke agenda halen. Moeten mensen dan strenger worden toegesproken? Vande Veire: Ik vind van wel, ja. U bent echt conservatief. U durft het misschien alleen niet aan uzelf toe te geven. Vande Veire: Nee hoor. Waaraan wijten conservatieven de verloedering van de samenleving? In hun ogen is dat de schuld van links. Het is zogezegd allemaal begonnen met mei '68, en het cultuurrelativisme dat daarna volgens hen is ontstaan. Ik ben het daar helemaal niet mee eens. Het zijn niet filosofen als Sartre en Marcuse die ons die ellende hebben bezorgd. Nee, dat is uiteraard de schuld van het kapitalisme. Het kapitalisme is perfect in staat om al onze verlangens, aspiraties en dromen om te zetten in koopwaar. Karl Marx wees al op die nihilistische kern. Niets is nog heilig, en voor alles wat de mens verlangt, heb je een consumptieartikel. Dat is het verschrikkelijke relativisme waar wij onder lijden. Het conservatisme kiest compleet de verkeerde vijand. Strikt genomen zijn het socialisten die authentiek conservatief zijn en de echte waarde van veel zaken nog weten te vatten. Want wie belichaamt er eigenlijk de naderende ondergang van het Avondland, waar de zogenaamde conservatieven zo bevreesd voor zijn? De cultuurmarxisten? Of een rechtse borderline narcist als Donald Trump die helemaal thuis is in de wereld van de pornografie en reality-tv? Milo Rau, de nieuwe artistiek directeur van NTGent, gebruikt zijn werk om op een morele manier aan politiek te doen. Toch hebt u hem onlangs in De Standaard gekapitteld .Vande Veire: Die tien geboden voor het theater die hij heeft opgesteld gaan er ver over. Wat Karl Marx over filosofie beweerde, poneerde Rau daar voor theater: het is niet bedoeld om de wereld voor te stellen maar om hem te veranderen. (schudt het hoofd) Theater gaat echt de wereld niet veranderen. Het is ongelooflijk naïef om dat te denken, maar die visie drukt hij overal door in NTGent. Dat is de reden waarom een onopvallend kunstwerk als Choruschorachorum van Honoré d'O per se uit de hal moet verdwijnen. Dat werk stelt theater voor als een spel, als iets fictiefs, wat het altijd is geweest. Rau wil enkel de realiteit op de scène brengen, en dan ook nog eens altijd vanuit het standpunt van slachtoffers die onderdrukt worden. Maar wat is dan de inzet van politieke kunst, als ze niet mag proberen om de wereld te veranderen? Vande Veire: De dilemma's tonen waar mensen in de politiek mee worstelen. Het klassieke voorbeeld daarvan zijn de koningsdrama's van Shakespeare, die de zelfdestructieve waanzin van de macht hebben blootgelegd. Die zijn vandaag nog altijd relevant. Dat is dan misschien wel mijn conservatieve kant, maar de mens zal altijd iets hopeloos onverbeterlijks hebben. Net als Tsjechov en Beckett toont Shakespeare mooi de tragiek van al wat menselijk is. De progressieve jongens en meisjes die vandaag theater maken begrijpen dat niet meer, maar theater is net een vrijplaats waar die onaangename en demonische kant van de mens getoond kan worden. Op een gesublimeerde manier kunnen we daar in het theater zelfs van genieten. Is de mens dan altijd slecht? Vande Veire: Sofokles zei het al: er is veel schrikwekkends in de wereld, maar het schrikwekkendst blijft toch de mens. Links denkt dat de mens slecht is geworden door systemen als het kapitalisme of het christendom. Alle schuld ligt bij die grote structuren, terwijl het natuurlijk wel de mens is die die heeft bedacht. Daar gaan naïevelingen het liefst aan voorbij. Ze denken dat Het slot en Het proces van Kafka simplistische kritieken zijn op de onmenselijke bureaucratie, terwijl Kafka in zijn dagboeken schrijft dat de mens op een ondoordringbare manier verweven is met de bureaucratie. De mens heeft de neiging om systemen op te zetten waar hij vervolgens zelf in verstrikt raakt. Maar links - en daarmee ook veel theatermakers - bedwelmt zichzelf liever met de eigen goede bedoelingen. Ze zijn verliefd op hun eigen gelijk, ook al is dat volstrekt krachteloos. Dat is zoals het ACOD dat tegen Schild&Vrienden ging betogen. Wat bereik je daarmee? In 2003 schreef u een pamflet over de beeldende kunsten en was u al niet veel positiever. Vande Veire: Dat was de afsluiter van mijn tijd in de kunstwereld. Ik was het aan mezelf verplicht om dat te schrijven. Ik ergerde mij vooral aan de onmondigheid van kunstenaars. Dat is nog altijd hetzelfde. Ik ga soms nog wel naar hedendaagse kunst kijken, en daar zie ik nog altijd dezelfde mensen lopen. Ze begrijpen geen jota van wat ze zien, en ze voelen er zelfs helemaal niets bij. Het is een religieus ritueel dat zich afspeelt rond objecten waarvan de betekenis duister blijft. Er is een soort van stilzwijgende verstandhouding tussen de toeschouwers. Ze verzwijgen elkaar dat ze er weinig van begrijpen. Indertijd viel het me op dat de regelmatige bezoekers het zelden over de inhoud van een werk hadden. Ze hadden het over hoe de curator die kunstwerken had opgesteld. Dat klonk heel highbrow, alsof je simpel was als je iets over de werken zelf wilde zeggen. Wat vertelt dat over die werken? Vande Veire: Die zijn vaak heel gespecialiseerd en ingewikkeld. Of gebakken lucht natuurlijk, dat kan ook. Wie zal het zeggen? (lacht)