Er hangt een bedrieglijke rust over de Blandijnberg. Nog enkele dagen en de faculteit Letteren en Wijsbegeerte in de schaduw van de Gentse Boekentoren wordt door een nieuwe lichting bestormd. Zouden de studenten die straks in Auditorium Jaap Kruithof hun laptops openklappen enig idee hebben waaraan de man die eer te danken heeft?
...

Er hangt een bedrieglijke rust over de Blandijnberg. Nog enkele dagen en de faculteit Letteren en Wijsbegeerte in de schaduw van de Gentse Boekentoren wordt door een nieuwe lichting bestormd. Zouden de studenten die straks in Auditorium Jaap Kruithof hun laptops openklappen enig idee hebben waaraan de man die eer te danken heeft? Misschien gaat er wel een belletje rinkelen. Jaap Kruithof is alweer tien jaar dood, maar zijn naam werd de voorbije weken meermaals opgerakeld. Aanleiding was het overlijden op 29 augustus van de 91-jarige Duits-Belgische filosoof Rudolf Boehm, een afscheid dat links en rechts als het einde van een tijdperk werd geduid. Terecht, want ruim een half jaar nadat Etienne Vermeersch voor euthanasie had gekozen, viel met Boehms dood het doek over de 'Grote Vier van de Blandijnberg', zoals de aartsvaders van de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap gemeenzaam werden genoemd. Dat de recente overlijdens nog niet in de naamgeving op de Blandijnberg zijn doorgedrongen, mag geen wonder heten. Verbazingwekkend is wel het ontbreken van Leo Apostel, de man die in weerwil van zijn naam zelf school heeft gemaakt. Apostel, zo zullen alle ingewijden bevestigen, was de centrale figuur binnen het kwartet. Niet dat hij een kwarteeuw na zijn dood helemaal vergeten is: hij gaf zijn naam aan een centrum voor interdisciplinair onderzoek - weliswaar aan de Brusselse VUB. Voor Luc Devoldere hoort het kwartet bij de Vlaamse canon, waar sinds de startnota van Bart De Wever (N-VA) zo veel over te doen is. De hoofdredacteur en gedelegeerd bestuurder van de Vlaams-Nederlandse cultuurstichting Ons Erfdeel is een voorwaardelijk pleitbezorger van het concept. 'Er moet uiteraard goed over de samenstelling worden nagedacht. Maar als de canon er ooit komt, moeten de Grote Vier van de Gentse vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap er zeker in. Ik wil ze niet op een hoopje gooien, het ging om vier heel verschillende intellectuelen die vaak grondig met elkaar van mening verschilden. De ego's botsten, maar ze bleven in een soort latrelatie samenwonen op de Blandijnberg, van waaruit ze een diep spoor in de Vlaamse samenleving hebben getrokken. Vooral in de jaren zeventig en tachtig was de vakgroep een links, seculier baken in een Vlaanderen dat zich nog volop aan de kerk ontworstelde. Hoeveel duizenden studenten werden niet door Kruithof en Vermeersch ingewijd in de beginselen van de de ethiek en de filosofie? Alleen al daardoor hebben ze een stempel gedrukt op verschillende generaties van Vlaamse intellectuelen.' Devoldere, een alumnus van de KU Leuven, waar hij klassieke talen en filosofie studeerde, waagt zich liever niet aan een hiërarchie. 'Vermeersch was uiteraard de bekendste naam met de grootste impact', zegt hij. 'De paarse regeringen-Verhofstadt hebben weinig klaargemaakt, behalve dan de zeer progressieve wetgeving over abortus en euthanasie. Daarin herken je duidelijk de hand van Vermeersch, een verlichtingsfundamentalist die zich ook in ethische kwesties ultrarationalistisch opstelde. Kruithof had een andere stijl, hij was meer het enfant terrible met controversiële meningen over thema's zoals seksuele emancipatie en ecologie. Boehm, die in de traditie van de Duitse fenomenologie stond, was discreter. Zijn filosofie was te moeilijk voor een breed publiek, maar ik vind hem nog altijd de meest relevante van het viertal. Boehm ging in zijn denken altijd naar het fundament. Zijn kritiek op het kapitalisme, waarin hij ook het marxisme betrok, blijft bijzonder pertinent.' Leo Apostel situeren is een heikele opdracht, een beetje zoals een uitputtende boedelbeschrijving maken van een doe-het-zelfsupermarkt. Om met zijn fin de carrière te beginnen: Apostel schreef in 1990 het veelbesproken boek Atheïstische spiritualiteit. Geen verrassing voor intimi die hem al langer kenden als fervent beoefenaar van zenmeditatie, wel een schok voor veel vrijzinnigen die Apostel vooral als vooraanstaand vrijmetselaar kenden, de medestichter nota bene van het Vlaams Humanistisch Verbond. 'Ik heb hem ooit in gesprek zien gaan met theoloog Edward Schillebeeckx', zegt Devoldere. 'Die twee zaten helemaal op dezelfde golflengte, alleen benaderde Apostel transcenderen niet vanuit een theïstisch perspectief.' Als logicus was hij een wereldautoriteit, maar Apostel publiceerde met evenveel gemak over epistemologie, wetenschapsfilosofie, politieke wijsbegeerte, ethiek en esthetica. Jean-Paul Van Bendegem, die na een studie wiskunde aan de Gentse universiteit filosofie ging studeren, houdt goede herinneringen aan hem over. 'Zijn eruditie was legendarisch', zegt hij. 'Advies vragen over een logisch of filosofisch probleem was altijd een dubbeltje op zijn kant. Als Apostel reageerde met "Hmm, interessant", dan wist je dat je A4'tje waardeloos was. Maar als je op het goede spoor zat, stuurde hij je weg met een karrenvracht leestips.' Leo Apostel legde in 1957 de basis voor de vakgroep. De aan de Franstalige ULB opgeleide Antwerpenaar had in Zwitserland en de Verenigde Staten het logisch empirisme en de kennistheorie bestudeerd. Een internationale carrière wenkte, maar hij gaf de voorkeur aan het najagen van zijn ideaal: het integreren van de Europese continentale filosofie en de analytische Angelsaksische wijsbegeerte in een allesomvattende, multidisciplinaire benadering. De toenmalige Rijksuniversiteit Gent, waar de richting filosofie op dat moment weinig om het lijf had, bleek een dankbare proeftuin. Het toeval stak een handje toe: een schielijk overlijden bracht een benoemingscarrousel op gang, waardoor Apostel al in 1958 versterking kreeg van een tweede beeldenstormer. De 29-jarige Jaap Kruithof, van opleiding historicus, was pas gepromoveerd met een doctoraat over hegeliaanse ontologie. Samen tekenden ze voor het afsplitsen van moraalwetenschappen als een volwaardige afstudeerrichting naast filosofie - een unicum in de Europese academische wereld dat alleen in Brussel navolging zou krijgen. De bedoeling was in te spelen op de grote vraag naar leerkrachten zedenleer, een knelpuntberoep dat in het leven werd geroepen door de Schoolpactwet van 1959. De ambitie was niet gering: experts opleiden die ethische kwesties niet op een religieuze maar op een wetenschappelijke, multidisciplinaire manier zouden onderzoeken. Etienne Vermeersch zou snel een derde hoofdrol opeisen. Na zijn uittreden uit het jezuïetenklooster in 1958 was hij achtereenvolgens klassieke filologie en wijsbegeerte gaan studeren, met een doctoraat bij Leo Apostel als opstap naar een lange carrière als professor. Vermeersch, die in zijn lange loopbaan naar schatting 40.000 studenten heeft onderwezen, deelde met zijn mentor een encyclopedische belangstelling en onstilbare kennishonger. Van Shakespeare via thermodynamica, biologie, antropologie en computerwetenschappen tot architectuur en musicologie: er vallen weinig onderwerpen te bedenken waarover hij geen met feiten onderbouwde uitleg en mening kon verkopen. 'Ik heb hem beter leren kennen toen ik mijn burgerdienst sleet op zijn seminarie', zegt Van Bendegem. 'Van Etienne heb ik leren spreken voor een publiek. Hij bezat de gave om in één minuut de meeste complexe problemen glashelder uiteen te zetten. Vermeersch was overtuigd van zijn eigen gelijk, dat klopt. Pedant, volgens sommigen, maar de realiteit is dat hij zijn gelijk altijd met argumenten kon onderbouwen. Een anekdote. Op een keer, toen Vermeersch al een publieke intellectueel was, had iemand hem in een publicatie verkeerd geciteerd. Vermeersch heeft dat in een lezersbrief rechtgezet, met een omstandige uitleg waarom de schrijver hem verkeerd begrepen en geciteerd had. Als slotzin gaf hij een argument dat alle voorgaande in feite overbodig maakte: ik kan dat niet gezegd hebben, want de aan mij toegeschreven bewering klopt niet. Typisch Etienne. Die lezersbrief heeft jarenlang in de gangen van de Blandijnberg uitgehangen.' Rudolf Boehm was de vreemde eend in de bijt. Hij was in 1927 in Berlijn geboren, in 1943 door de nazi's opgeëist voor dienst bij de luchtafweer. In een retrospectief interview met Knack legde hij enkele jaren geleden uit hoe daar al de basis van zijn filosofische denken werd gelegd. Het knaagde dat het ultieme kwaad zich in een hoogontwikkelde maatschappij kon nestelen. Boehm, zoon van een hoogleraar scheikunde, begon zich metavragen over kennis en wetenschap te stellen. Is dit wel de kennis die we nodig hebben? Het leidde hem tot het inzicht dat niet het vinden van antwoorden belangrijk is, wel het stellen van de juiste vragen. Boehm, die een aanbod had afgewezen om privéassistent van Martin Heidegger te worden, verhuisde in 1952 naar Leuven om zich er te ontfermen over het archief van Edmund Husserl. De joodse grondlegger van de fenomenologie, mentor overigens van Heidegger, had van de nazi's een beroepsverbod gekregen. Over de redding van zijn met vernietiging bedreigde archief schreef journalist Toon Horsten het zeer lezenswaardige boek De pater en de filosoof. 'Het was Apostels idee om Boehm vanuit Leuven naar Gent te halen', zegt Van Bendegem. 'Boehm was een van oorsprong protestantse kenner van de Duitse fenomenologie. Zo'n profiel paste in de plannen om de Gentse filosofie op een pluralistische en multidisciplinaire leest te schoeien.' Luc Devoldere formuleerde het anders: de transfer van een topfenomenoloog moest een tegenwicht bieden voor het neopositivisme dat Gent domineerde met sterke figuren zoals Etienne Vermeersch en Hugo Van den Enden. Het oecumenische ideaal waarin filosofische stromingen en methodologieën vruchtbaar zouden coëxisteren, bleek echter te hoog gegrepen. Met de komst van Boehm in 1967 opende een barst, die mettertijd tot een kloof zou uitgroeien. 'Je kreeg als student een stempel', zegt Van Bendegem. 'Ofwel was je een logisch-positivistische aposteliaan, ofwel een fenomenologische boehmiaan. Zelf had ik niks te kiezen, met mijn wiskundige achtergrond werd ik automatisch bij de Apostelboys gerekend. Niet tegen mijn zin, overigens, in die tijd vond ik een probleem alleen interessant als het met wiskunde of logica kon worden beschreven. Het is niet dat de twee kampen elkaar uit de weg gingen, maar we hadden de grootste moeite om elkaar te begrijpen, alsof we verschillende talen spraken.' Gertrudis Van de Vijver belandde in het tegenkamp. 'Een bewuste keuze', zegt de huidige voorzitster van de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap. 'Ik voelde me aangesproken door Boehms kritische houding tegenover wetenschap en kennis. Hij werd vaak afgeschilderd als hermetisch of wereldvreemd, maar niets is minder waar. Boehm was erg geëngageerd. Tijdens de legendarische bezetting van de Blandijnberg in 1969 stond hij als een van de weinige proffen aan de kant van de studenten, zozeer zelfs dat hij hun zijn eigen bureau ter beschikking stelde. Ook Kruithof steunde de bezetting, terwijl Vermeersch die in de Academieraad veroordeelde.' Even later, in het lokaal van collega-professor Freddy Mortier, zou Knack over dat stemgedrag een nuance vernemen. Ook Vermeersch had sympathie voor de bezetting, die op gang was gekomen nadat de Gentse rector een als pornografisch bestempelde vertoning had verboden. Alleen vond de filosoof de gangen van de Blandijn niet geschikt voor de massaproductie van molotovcocktails om rijkswachters mee te bestoken. Dat Boehm en Vermeersch niet door één deur konden, moeten we volgens Van de Vijver niet letterlijk nemen. 'Maar tot een samenwerking is het nooit gekomen', zegt ze. 'Terwijl ze vaak dezelfde thema's bestudeerden, zoals het milieu en de uitputting van de aarde. De Grote Vier waren zonder uitzondering sterke persoonlijkheden, maar hun erfenis heeft verdeeldheid gezaaid, vooral onder hun opvolgers. Kruithof, bijvoorbeeld, vond geschiedenis totaal overbodig, studenten konden beter de krant lezen en over actuele onderwerpen nadenken. Een keuze voor maatschappelijke relevantie dus, maar op de duur kenden onze studenten zelfs het abc van de filosofie niet meer. Zelf geneerde ik me soms voor bepaalde opinies die onwillekeurig met onze vakgroep werden geassocieerd. Vermeersch' standpunten over geboortebeperking door gedwongen sterilisatie vond ik bijvoorbeeld verschrikkelijk.' Van de Vijver, behalve als hoogleraar ook actief als pyschoanalytica, loopt niet hoog op met het concept van 'publieksfilosofen'. Een filosoof moet vertragen in plaats van snelle meningen spuien, klinkt het. Toch trok ze in 2015 samen met onder anderen Ariane Bazan, ULB-professor klinische psychologie en psychoanalyse, van leer tegen een geesteskind van Etienne Vermeersch. Euthanasie bij psychisch lijden moet verboden worden, zo stond in een open brief. 'Daar is veel reactie op gekomen', zegt ze. 'Ook binnenshuis. Vooral het feit dat het standpunt kwam van twee professoren zonder enige link met de katholieke kerk sloeg velen met stomheid. De georganiseerde vrijzinnigheid, daar kan ik een boekje over opendoen. In België betekent vrijzinnig zijn dat je je tegen elke vorm van geloof moet afzetten. In onze buurlanden is dat heel anders. Ik heb in Frankrijk gestudeerd, daar kijken ze helemaal niet op van katholieke maçons. ' Freddy Mortier, openlijk lid van de loge, haalt de schouders op. 'Dé vrijzinnigheid bestaat hier niet', zegt de gewezen vicerector. 'Kruithof, Vermeersch en Van den Ende waren militante vrijzinnigen, maar van de loge wilden ze niks weten. Apostel, met zijn interesse voor spiritualiteit, zat dan weer wel bij de loge.' Mortier relativeert meteen ook de kloof binnen de vakgroep. 'Boehm en Vermeersch waren geen vrienden, maar het is nu ook niet zo dat ze met getrokken messen tegenover elkaar stonden.' Dat er bijwijlen stevig ruzie werd gemaakt onder professoren had volgens hem niks te maken met de tegenstelling tussen fenomenologen en positivisten. Zelf schoot hij met scherp op Etienne Vermeersch toen die na de dood van de Nigeriaanse asielzoekster Semira Adamu het voorzitterschap van een parlementaire onderzoekscommissie opnam. Het eindrapport van de commissie-Vermeersch, waarin het gedwongen uitwijzen van afgewezen asielzoekers werd goedgekeurd, viel als een splinterbom op de Blandijnberg. Twee kampen bestookten elkaar via opiniepagina's in de kranten. Ronald Commers, de opvolger van Jaap Kruithof, verweet Vermeersch dat hij achter de kont van de politici aanliep. De belaagde emeritus werd ook verdedigd, onder meer door zijn eigen opvolger Johan Braeckman en door zijn boezemvriend Hugo Van den Ende. Freddy Mortier zat die keer in het tegenkamp. 'Het stoorde me vooral dat het onderzoek van de commissie als wetenschappelijk gefundeerd werd voorgesteld', zegt hij. 'Etienne was zelf in een vliegtuig gaan zitten met een pleister op zijn mond. Je kunt dat een experiment noemen, maar geen wetenschappelijk experiment. Ik heb hem dat ook gezegd tijdens een debat op de radio. Die openheid kon hij wel appreciëren, er is tussen ons niks blijven hangen, terwijl hij op anderen wel boos is gebleven. Ach ja, meningsverschillen. Vermeersch en Kruithof hadden het grootste respect voor elkaar, maar over de Golfoorlog kregen ze gloeiende ruzie. Dat koelde zonder blazen, de buitenwereld maakte daar meer van dan wijzelf.' We mogen volgens Mortier vooral niet vergeten de emanciperende rol van Jaap Kruithof te memoreren. Zijn pleidooi voor voorhuwelijkse 'betrekkingen' in het praatprogramma van BRT-icoon Paula Semer joeg in 1967 een schok door het preutse Vlaanderen. Kruithof, bijgestaan door briljante assistenten zoals Bob Carlier en Jos Van Ussel, streed al voor homorechten toen anderen dat woord niet zonder blozen over hun lippen kregen. Dolle Mina's, Rooie Vlinders, activistische minderheden konden altijd bij hem terecht. Kruithof paarde extreemlinkse politiek-economische opvattingen aan een even radicale milieuvisie, het ecocentrisme dat niet de mens maar de hele natuur centraal plaatst. Zo stond hij aan de wieg van de dierenrechtenbeweging Gaia, samen met zijn pupil Michel Vandenbosch. 'Hij was ook een pionier van het andersglobalisme in Vlaanderen', zegt Mortier. 'Voor Kruithof bestond er geen vrijblijvende filosofie, je moest in het midden van het maatschappelijke debat gaan staan.' Precies die eigenschap maakt de Blandijnbergschool uniek. Vooral Vermeersch en Kruithof hebben een generatie gevormd die zich niet in een ivoren toren liet opsluiten. Ethische commissies, opiniepagina's, debatavonden, overal hadden ze een luide stem in het kapittel. De fakkel werd al meermaals doorgegeven, eerst aan de generatie van Freddy Mortier, Rik Pinxten, Ronald Commers, Johan Braeckman en Koen Raes. Intussen wordt hij gedragen door dertigers en veertigers zoals Alicija Gescinska, Ignaas Devisch en Maarten Boudry, een compromisloze positivist met provocerende meningen die sinds vorige week de nieuwe leerstoel Etienne Vermeersch bekleedt. Zelfs VUB-alumna en Knack-columniste Tinneke Beeckman is schatplichtig. Jean-Paul Van Bendegem heeft naar eigen zeggen het Blandijnberg-DNA naar Brussel geëxporteerd. Dat deed ook Patrick Loobuyck toen hij dik tien jaar geleden aan de Universiteit Antwerpen ging doceren. Zelf kreeg hij het DNA toegediend toen hij na studies godsdienstwetenschappen aan de KU Leuven in 1996 naar Gent verkaste om er zich in moraalwetenchappen te verdiepen. 'Het verschil was enorm', zegt hij. 'In de Leuvense filosofie lag de nadruk op geschiedenis en exegese. In Gent moest ik me meteen inlezen in een waaier van actuele onderwerpen - zo heb ik onder meer Steven Pinker ontdekt. De Blandijnberg stond bekend als een bolwerk van sciëntisme, maar het was allesbehalve een monoliet. De subjectivistische stroming à la Boehm stond haaks op het wetenschappelijk fundamentalisme van Vermeersch, de enige van de Grote Vier die toen nog lesgaf.' Loobuyck, die had gedoctoreerd bij de jong gestorven Koen Raes, was ooggetuige bij de stammenoorlog die na de dood van Semira Adamu uitbrak. 'De rol van Vermeersch in de parlementaire onderzoekscommissie stelde de zaak scherp', zegt hij. 'Hoever moet een intellectueel zijn nek uitsteken, was de vraag. Vermeersch is zijn nek blijven uitsteken, tot de laatste snik. Het is een publiek geheim dat hij de inspirator was voor Theo Franckens nieuwkomersverklaring.' Misschien zullen we daarover meer vernemen wanneer volgende maand de nagelaten geschriften van Etienne Vermeersch verschijnen, in een redactie van Dirk Verhofstadt en Johan Braeckman. Beiden zijn oud-studenten die intieme vrienden werden, Braeckman mag zich zelfs Vermeersch' dauphin noemen. De erfenis van de Grote Vier? 'Dat onze vakgroep een prikkelende omgeving blijft om aan filosofisch onderzoek te doen', zegt Braeckman. 'Wie hier filosofie of moraalwetenschappen komt studeren, moet vooral geen pensée unique verwachten. Ik heb zelf les gekregen van Kruithof, Boehm en Vermeersch. Apostel was al met emeritaat, hem heb ik leren kennen toen ik als assistent zijn filosofische leesclub bezocht. Ik vond ze alle vier inspirerend, ook Rudolf Boehm. De tegenstellingen waar iedereen het over heeft, zie ik vooral als een verrijking. Kijk naar onze output na vijftig jaar: we hebben duizenden studenten opgeleid, doceren tal van vakken in andere faculteiten, onze professoren, onderzoekers en oud-studenten zijn prominent aanwezig in het maatschappelijke debat. Met Griet Vermassen, Stefaan Blancke en Stijn Breurs staat alweer een volgende lichting klaar. Geef toe, zo'n krabbenmand zal het hier wel niet zijn.'