Keppekientje, kepkeutel, febbekakje, kakkenestje. Het feit dat in Vlaanderen zo veel dialectwoorden bestaan voor het lievelingskind van de familie, wijst wellicht op een wijdverspreid fenomeen. Ook de Google-test staaft dat trouwens. Als u daar 'lievelingskind' intikt, krijgt u zomaar eventjes 17.000 resultaten. Met als een van de toppers een artikel uit Cosmopolitan over signalen die erop zouden wijzen dat je níét het favoriete kind van je ouders bent. Zo mogen de alarmbellen afgaan als in je ouderlijk huis nauwelijks kinderfoto's van jou te vinden zijn, terwijl broer of zus wél staat te pronken op de schouw. Of als je moeder de geboortedatum van broer- of zusterlief heeft gekozen als pincode voor haar gsm.
...

Keppekientje, kepkeutel, febbekakje, kakkenestje. Het feit dat in Vlaanderen zo veel dialectwoorden bestaan voor het lievelingskind van de familie, wijst wellicht op een wijdverspreid fenomeen. Ook de Google-test staaft dat trouwens. Als u daar 'lievelingskind' intikt, krijgt u zomaar eventjes 17.000 resultaten. Met als een van de toppers een artikel uit Cosmopolitan over signalen die erop zouden wijzen dat je níét het favoriete kind van je ouders bent. Zo mogen de alarmbellen afgaan als in je ouderlijk huis nauwelijks kinderfoto's van jou te vinden zijn, terwijl broer of zus wél staat te pronken op de schouw. Of als je moeder de geboortedatum van broer- of zusterlief heeft gekozen als pincode voor haar gsm. Ouders geven vrij makkelijk te kennen dat ze soms wat andere accenten leggen in de opvoeding van hun verschillende kinderen. Maar onverbloemd toegeven dat ze een favoriet kind hebben, ligt moeilijk. In de westerse cultuur geldt een sociale norm die stelt dat je al je kinderen gelijk moet behandelen, vertelt Karla Van Leeuwen, professor gezinspedagogiek aan de KU Leuven. 'Nochtans is dat in de praktijk niet altijd het geval. In de wetenschappelijke literatuur hebben we het over "differentieel opvoeden": ouders behandelen hun kinderen soms op een andere manier en dat kan door de kinderen als oneerlijk of onrechtvaardig worden gezien. Veel heeft dus met perceptie te maken. Daarom is het moeilijk om exacte cijfers te geven over hoeveel ouders een lievelingskind hebben. In ons onderzoek bij Vlaamse gezinnen hebben we gepeild naar uitingen van zogenaamd favoritisme. We vroegen aan ouders met minstens twee kinderen tussen 8 en 13 jaar of ze beter met één kind overeenkwamen, en ongeveer 13 procent gaf dat toe. Ongeveer 5 procent van de ouders zei dat ze zich hechter voelden met een van hun kinderen.' Een deel van de ouders heeft dus een keppekientje in huis. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, legt Van Leeuwen uit. 'De leeftijd of geboorteorde kunnen meespelen. Sommige ouders besteden meer aandacht aan hun jongste kind, of voelen meer verbinding met hun oudste. Ook het geslacht kan een rol spelen. Er zijn mensen die altijd al droomden van een zoon of een dochter en dat kind in kwestie later ook meer privileges - of minder straf - geven. Maar vaak heeft het ook met soortgelijke karakters of interesses te maken. Als je zelf voetbalt, is het verleidelijk om vol overgave te supporteren voor je voetballende oogappel, terwijl je soms wat te weinig aandacht hebt voor je minder sportieve kind. En een dochter die net als haar vader actief is en openstaat voor nieuwe ervaringen, krijgt misschien wat meer aandacht dan haar broer die sneller huilt en zeurt.' Het klinkt allemaal logisch en natuurlijk, maar toch voelen de meeste ouders zich schuldig over dit soort gevoelens. 'Nochtans ben je niet per definitie een slechte ouder omdat je een lichte voorkeur hebt voor een van je kinderen', sust Van Leeuwen. 'De vraag is wat je met die voorkeur doet. Als de verschillen zeer uitgesproken zijn, wordt het toch tijd voor wat zelfreflectie. Misschien is het waardevol om eens een leuke activiteit te ondernemen met je niet-favoriete kind, zodat je hem of haar ook beter kunt leren kennen?' Want anders bestaat de kans dat u - nu of later - de frustraties van uw kinderen op uw bord krijgt. In haar onderzoek bevroeg Van Leeuwen ook de kinderen zelf. Tien procent vond dat er in hun gezin sprake was van favoritisme. 'En uit studies blijkt dat die gevoelens best negatief kunnen uitdraaien. Zo kan jaloezie en rivaliteit tussen de kinderen onderling ontstaan, of kunnen kinderen die zich benadeeld voelen een minder positief zelfbeeld krijgen. Al hoeft het niet altijd zo te gaan. Soms vinden kinderen de ongelijke behandeling wél eerlijk of rechtvaardig. Stel dat hun broer of zus ernstig ziek is, of een uitgesproken talent heeft, dan is er meestal wel begrip. Omgekeerd zien we trouwens ook onverwachte effecten: de favoriete kinderen zijn niet altijd blij met hun rol. Soms voelen ze zich schuldig ten opzichte van hun broers of zussen, of krijgen ze bijvoorbeeld het gevoel dat ze extra moeten presteren om hun favorietenrol zeker te behouden.'