In een van de eerste versies van mijn roman Wildevrouw gebruikte ik het zestiende-eeuwse woord 'vliegmare' om de haverklap. Ik was dol op dat woord, maar kreeg van de tekstredactie te horen dat ik het wellicht wat te enthousiast had gebruikt. Een vliegmare is een verhaal dat de ronde doet waarbij niemand de moeite neemt om na te gaan of het een belangrijk stuk informatie is of een gerucht. In de kronieken uit die tijd duikt het weleens op. Dan wordt er bijvoorbeeld verteld dat de vliegmare gaat dat de Turken aan de poorten van de stad Antwerpen staan. Binnen de context van de Spaanse Nederlanden was dat een vrij waanzinnige gedachte, en toch werd ze wellicht serieus genomen of minstens overwogen als een mogelijkheid. Ik vraag me dan af of iemand die deze vliegmare vernam zich de moeite zou hebben getroost om naar de stadsomwalling te gaan. Zou iemand nagaan of die dekselse Turken na een meer dan heroïsche tocht van een paar duizend kilometer door overwegend vijandelijk terrein daadwerkelijk daar stonden te grijnzen, klaar voor een aanval op de stad? Journalistiek bestond toen nog niet. Niemand werd uitgezonden om wat ook na te gaan.
...

In een van de eerste versies van mijn roman Wildevrouw gebruikte ik het zestiende-eeuwse woord 'vliegmare' om de haverklap. Ik was dol op dat woord, maar kreeg van de tekstredactie te horen dat ik het wellicht wat te enthousiast had gebruikt. Een vliegmare is een verhaal dat de ronde doet waarbij niemand de moeite neemt om na te gaan of het een belangrijk stuk informatie is of een gerucht. In de kronieken uit die tijd duikt het weleens op. Dan wordt er bijvoorbeeld verteld dat de vliegmare gaat dat de Turken aan de poorten van de stad Antwerpen staan. Binnen de context van de Spaanse Nederlanden was dat een vrij waanzinnige gedachte, en toch werd ze wellicht serieus genomen of minstens overwogen als een mogelijkheid. Ik vraag me dan af of iemand die deze vliegmare vernam zich de moeite zou hebben getroost om naar de stadsomwalling te gaan. Zou iemand nagaan of die dekselse Turken na een meer dan heroïsche tocht van een paar duizend kilometer door overwegend vijandelijk terrein daadwerkelijk daar stonden te grijnzen, klaar voor een aanval op de stad? Journalistiek bestond toen nog niet. Niemand werd uitgezonden om wat ook na te gaan. Hoe moeten we ons 'nieuws' voorstellen in het Antwerpen van de zestiende eeuw? Hoe werd een objectieve waarheid afgetoetst? Elk bericht dat werd verspreid kon een amalgaam zijn van feiten, halve waarheden, stemmingmakerij of simpelweg onzin. Voor de komst van de boekdrukkunst zou je kunnen stellen dat de macht, dat wil zeggen de Kerk en het bestuur, de centrale nieuwsbron vormde. Maar in de zestiende eeuw werd Antwerpen een walhalla voor drukkers die zo veel boeken drukten dat de inquisitie nauwelijks kon volgen. Handel laat zich niet graag beperken. Wie werd gepakt op het drukken van godslasterlijke of ketterse boeken had niettemin brute pech. Zelfs Plantijn is ooit moeten vluchten naar Parijs toen de grond in Antwerpen hem wat te heet onder de voeten werd. Maar de boeken- en informatiestroom die dagelijks in Antwerpen werd gedrukt was onmogelijk om onder controle te krijgen. Het was het einde van een tijdperk. Het Antwerpse stadsbestuur probeerde te doen aan wat men nu 'perceptiemanagement' noemt, door astrologische almanakken en jaarlijkse 'prognosticaties' te laten drukken. Hun nieuwswaarde kwam erop neer dat de planeten goed stonden zolang het volk gehoorzaam bleef en zich hield aan de directieven van de macht. Maar dat was een achterhoedegevecht. We noemen deze periode het begin van de Moderne Tijd omdat we een rechtstreekse lijn van deze samenleving zien lopen naar de onze. Ik denk dat die rode draad met emancipatie heeft te maken; emancipatie ten opzichte van een centraal gezag met behulp van nieuwe technologie. Nieuws heeft altijd met technologie te maken en vooral met toegang tot technologie. Nieuws en macht gaan samen wanneer de toegang tot de productie van nieuws beperkt is. Nieuws heeft de neiging om zich te centraliseren, waarna nieuwe technologie haar opwachting maakt die door een grotere groep kan worden gebruikt en waardoor het nieuws of ons idee van nieuws plots uit elkaar lijkt te spatten. Ik ben nu 53 jaar en heb de regeringsmededelingen nog meegemaakt op de toenmalige BRT die zich in schijn voordeden als een interview met een minister of een premier. Op geen enkele manier deed zo'n bewindsmens de moeite om sympathiek of gewoon wat menselijk over te komen bij zijn publiek. Het was een zeer gecentraliseerde monocultuur wat nieuws betrof. Natuurlijk was er weleens een kritische reportage, maar wie echt te ver ging volgens de normen van toen werd als journalist op een zijspoor gezet. Het nieuws werd 'beheerd' en het leek altijd wel met macht te maken te hebben. Ik wil nu niet aanstellerig klinken als iemand die een totalitair regime heeft meegemaakt. Er waren kranten en tijdschriften die meestal een 'kant' kozen waardoor de verzuiling bestendigd bleef. 'Links' en 'rechts' en 'centrum' hadden allemaal een vrij uitgelijnde betekenis. Alles leek overigens vastgelegd. Er leek geen beweging in te komen. Ik herinner me weerman Armand Pien die de nucleaire ramp in Tsjernobyl nauwelijks fatsoenlijk aan bod kon laten komen tijdens zijn weerpraatje. De ramp was te groot om te negeren, maar de mensen moesten wel te allen tijde worden gerustgesteld. Aan die monocultuur kwam een definitief einde door de komst van VTM in 1989, hoewel de vrije radio's de hegemonie van de openbare omroep al hadden doorbroken. Door de keuzemogelijkheid werd de Vlaming een klant wat nieuws betrof. Mijn generatie heeft de ontzuiling meegemaakt en vaak ook mee op gang gebracht. Maar daarna hebben we toegekeken hoe grote mediaspelers de taart weer onder elkaar verdeelden. Vervolgens gooide nieuwe technologie opnieuw roet in het eten. De kracht van het internet en de opkomst van sociale media hebben ongetwijfeld een even grote revolutie veroorzaakt als de boekdrukkunst. Vooral sociale media hebben een emancipatiegolf op gang gebracht ten opzichte van het nieuws en de nieuwsverslaggeving. Ik zit op Facebook sinds 2008, het jaar waarin een groot aantal mensen dat medium hebben ontdekt. Voor mij was Facebook een platform waarbij ik mezelf als schrijver kon emanciperen ten opzichte van het beeld dat de klassieke media van mij aan hun publiek offreerden. Ik constateerde dat ik telkens weer bij elk interview in het scenario van een ander figureerde. Het hangt af van de aard van het medium of je dat beeld kunt bijsturen of controleren, maar in de spots van een televisiestudio is dat uiteraard onmogelijk. In een paar minuten tijd kun je door je eigen verbale onhandigheid dik in de shit terechtkomen. En dat is dan nog het beste scenario, want ik zag de aandacht voor literatuur en cultuur wegslinken bij kranten, tijdschriften en alle klassieke media. Ik ging in 2008 uit van het slechtste geval, wat betekende dat ik volledig op mezelf zou zijn aangewezen om mijn leespubliek te bereiken en te vergroten, om met andere woorden mijn lezersbasis van 'content' te voorzien. Mijn autonomie is uiteraard schijn op Facebook: alles wat ik erop plaats wordt eigendom van het gelijknamige technologiebedrijf. Maar soms is een illusie genoeg om je geëmancipeerd te voelen of je autonoom te weten. Ik beheerde nu zelf 'Jeroen Olyslaegers'. Maar tegelijk begon ik zelf ook nieuws te beheren, aangezien ik het niet alleen maar over mijn schrijven wilde hebben, maar ook nieuwslinks ging delen over onderwerpen die me interesseerden en waarover ik een mening had. Er zijn nu rond de twintigduizend mensen die me 'volgen' en commentaar leveren op wat ik daar verkondig en deel. Ik word tegengesproken, aangemoedigd of in twijfel getrokken. Ik word ook weleens op de vingers getikt wat de informatie betreft die ik deel. Soms verwijder ik het bericht omdat de site waarvan ik het deel bij nader inzien niet koosjer is of omdat ik per ongeluk een bericht heb gedeeld dat al een paar jaar oud is. Normaal gezien zou geen enkele eindredacteur op een nieuwsdienst mijn gedrag verantwoord vinden. Maar ik zie ook de professionele nieuwssites van eigen bodem fouten maken of slordig te werk gaan. Ik zeg niet dat het de norm is geworden, maar het valt wel op. Mediakritiek heb ik altijd essentieel gevonden voor een democratische samenleving. Tijdens de jaren negentig maakte ik deel uit van de redactie van AS-Andere Sinema, een cinefiel tijdschrift voor misschien duizend lezers dat in die periode steeds meer samenleving en media onder de loep nam. We publiceerden stukken over de culturele identiteitspolitiek van de toenmalige Vlaamse minister-president Luc Van den Brande of we besteedden aandacht aan VTM en mediapolitiek. Samengevat en veel te kort door de bocht hadden wij wijsneuzen argwaan ten opzichte van de manier waarop ons verhalen werden voorgehouden. We wilden deze berichten decoderen voor onze schaarse lezers en het machtsmechanisme achter het verhaal tonen. Nieuws is macht! Klinkt dat bekend? Dat is exact wat er nu gebeurt wanneer het gaat over nieuws. Iedereen lijkt wel een mediacriticus geworden en veel nieuwszenders worden openlijk gewantrouwd als machtsbastion. Maar opgepast: dat kan ook schijn zijn. Een VRT-medewerker liet me weten dat het tevredenheidsgehalte van het nieuwsjournaal nog altijd vrij hoog ligt. Helaas heb ik geen grafieken om dat aan te tonen, noch inzage in een rapport dat dat zou staven. Beschouw het als een vliegmare. Feit is dat er nu een perceptie rondwaart over nieuwskanalen waarbij geen ervan ten gronde nog kan worden vertrouwd. Dat wantrouwen lijkt op sociale media spectaculair te zijn gestegen sinds de komst van de pandemie. Maar in feite begon het al onder het bewind van president Donald Trump die de term 'fake news' al in het begin van zijn presidentschap gebruikte om kritische journalisten in een verdomhoek te plaatsen. Ik ben een schrijver en besef dat alles een verhaal is of een verhaal kan zijn. Nieuws moet ook worden verteld en de manier waarop je dat doet bepaalt mee dat nieuws. Je kunt in je mediakritiek zo ver gaan dat we allemaal onbetrouwbare vertellers worden: niet alleen wijzelf, maar alle nieuwskanalen. Zeker, alles is perceptie. Intellectueel valt dat te verdedigen. Maar heel die lijn van totale argwaan doortrekken met behulp van technologie waarbij ik bijvoorbeeld twintigduizend mensen bereik binnen enkele seconden is een heilloos pad. Ik begrijp dat veel mensen de al dan niet verborgen agenda van nieuwskanalen wantrouwen, maar dat betekent niet dat alles een leugen is geworden of dat objectiviteit schijn is. Officiële nieuwskanalen afdoen als propaganda en vervolgens obscure sites die jou in de eerste plaats gelijk geven beschouwen als orakels van waarheid is geen teken van kritisch inzicht. Wanneer iemand het woord 'Lügenpresse' gebruikt om in zijn ogen het 'journaille' te beschrijven, dan denk ik automatisch aan nazipropaganda en beschouw ik de mensen die deze woorden gebruiken als gemanipuleerd door extreemrechts. Uiteraard beschouwt zo iemand mij op zijn beurt als een koelie van een neoliberaal bewind. Voor je het weet zit je met elkaar opgesloten in een spiegelpaleis waar vliegmaren worden verspreid, gecontesteerd, uitgelachen of gebruikt als wapen en wordt paranoia in dit gesloten systeem zeer besmettelijk. Maar het kan gezelliger en vooral ruimhartiger. Soms is Facebook net zo goed een van de verhaalsituaties uit de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon waarin de auteur vermomd als 'Boontje' heerlijke of soms kregelige gesprekken voert met zijn vrienden, waarbij ze het nieuws van de dag herkauwen, hun leven ermee verweven, bij elkaar komen buurten. Ik vind het interessant om na te gaan hoe mensen het nieuws verwerken in het openbaar, hoe ze met elkaar daarover praten en wat voor een opluchting er vaak heerst wanneer de gesprekken relatief beschaafd verlopen. Het schelden en het daarmee verbonden besef van het grote gelijk is immers simpelweg stresserend voor aardig wat mensen. Evenzeer is het mogelijk dat nieuws zo, net door die interactie van verschillende mensen die het niet noodzakelijk met elkaar eens zijn, beter of breder wordt begrepen. Net door mijn intense gebruik van Facebook ben ik de laatste om dit medium te idealiseren, maar ik zie nog altijd de mogelijkheden voor een open groepsgesprek, het verwerven van inzichten op basis van collectieve kracht, en het vormen van een tijdelijke gemeenschap rond zelfs één gedeeld bericht. Misschien is het woord 'gemeenschap', ondanks wat we nu de 'polarisering' noemen (alsof het een natuurramp betreft), wel het sleutelwoord voor de traditionele media. Ik denk dat er een gemeenschap kan worden gevormd rond kwaliteitsvol nieuws, zowel het brengen als de analyse ervan. In deze tijden van toenemende leesblindheid, de verwarring tussen feiten en meningen, fake news, QAnon-aanhangers, en de perceptie van de grote samenzwering, is kwaliteitsjournalistiek brengen niet meer een vanzelfsprekendheid, maar een stellingname ten opzichte van de informatiestroom die ons dagelijks overspoelt. Dat vertaalt zich niet alleen in de stukken die worden gebracht, maar door de kwaliteit van het geschrevene en een goede eindredactie die alles nagaat en dubbelcheckt. Rond die kern van kwaliteit komt, als bij een warm vuur, vanzelf een groep mensen staan die deze zorg om goede journalistiek delen. Dat heeft overigens niet noodzakelijk met macht te maken, maar wel altijd met zorg. Want nieuws is ook een gesprek dat wordt afgetoetst door mensen die naar de stadspoorten gaan en verslag uitbrengen over wie al dan niet aan de poorten staat. Nieuws betekent ook zorgen voor een ander.