Philip Aguirre y Otegui - beeldhouwer, schilder en tekenaar met Baskische roots - is niet de man van weidse gebaren en ronkende statements. Het liefst laat hij zijn beelden spreken. Aguirre is een kunstenaar die een groot humanistisch engagement koppelt aan verstilling, sensuele eenvoud en ruwe schoonheid, en die zijn liefde voor Afrika vermengt met een tikje surrealisme. Zijn gevoeligheid voor thema's als migratie en vervolging kun je, net als zijn pleidooi voor menselijke waardigheid, niet los zien van zijn afkomst: zijn voorvaderen zijn aan het eind van de jaren 1930 tijdens de Spaanse Burgeroorlog weggevlucht uit Baskenland. Na het nazibombardement op Guernica.
...

Philip Aguirre y Otegui - beeldhouwer, schilder en tekenaar met Baskische roots - is niet de man van weidse gebaren en ronkende statements. Het liefst laat hij zijn beelden spreken. Aguirre is een kunstenaar die een groot humanistisch engagement koppelt aan verstilling, sensuele eenvoud en ruwe schoonheid, en die zijn liefde voor Afrika vermengt met een tikje surrealisme. Zijn gevoeligheid voor thema's als migratie en vervolging kun je, net als zijn pleidooi voor menselijke waardigheid, niet los zien van zijn afkomst: zijn voorvaderen zijn aan het eind van de jaren 1930 tijdens de Spaanse Burgeroorlog weggevlucht uit Baskenland. Na het nazibombardement op Guernica. Aguirre maakt kleine, intimistische sculpturen maar evengoed monumentaal werk dat op nogal wat publieke plaatsen staat in binnen- en buitenland. Voor Kazerne Dossin in Mechelen maakte hij een sculptuur van een Joods gezin - man, vrouw en kind - dat onder een schaars gedekte tafel ligt: hun handen verstrengeld met elkaar. De titel, 15 augustus 1942, Lange Kievitstraat Antwerpen, verwijst naar de Jodenrazzia's tijdens de Tweede Wereldoorlog. De tafel is hun schuilplaats en tegelijk hun graf. Sinds vorig jaar staat - of beter: ligt - op de campus van de Vrije Universiteit Brussel zijn Monument van Troost naast het Rectoraatsgebouw van architect Renaat Braem. De VUB wil met dat beeld een plaats geven aan rouw en medeleven en zo een stilteplek creëren om overleden studenten te herdenken. Het is een sculptuur die Aguirre, zijn aanpak en zijn filosofie perfect illustreert. 'Iedereen passeert daar. Mijn beeld maakt blijkbaar nogal wat emoties los. Daarvoor doe ik het als kunstenaar', vertelt hij. 'Of mijn kunst humanistisch is? Alle goede kunst is humanistisch. Ik denk na over mijn rol en taak. Ik sta niet los van de maatschappij. Ik vraag me af wat mij ontroert en hoe ik dat kan overbrengen met mijn werk. Mijn kunst gaat over mensen.' Aguirre vertrok, zoals wel vaker, van een foto die hem was opgevallen in de krant. 'Een Spaanse politieagent tracht een zwarte drenkeling op het strand van Algeciras, in Andalusië, warm te houden. En hem zo van de verdrinkingsdood of ten minste van onderkoeling te redden. Hij ondersteunt met zijn hand het hoofd van de drenkeling: dat gebaar is zo menselijk en tegelijk zo mooi. Een teder gebaar van een politieagent, iemand die vaak met een harde aanpak geassocieerd wordt.' Hij begon meteen te boetseren. Eerst een klein model in klei, vervolgens een groter model dat in brons gegoten is. Doordat de kunstenaar vereenvoudigt en stileert, krijgt het beeld van de twee mannen op het strand van Algeciras een universele betekenis: zorg, mededogen en troost. De voorbije maanden heeft Philip Aguirre hard gewerkt aan andere projecten, hoewel het geen gemakkelijke tijd was Philip Aguirre: 'De kunstbeurs Art Brussels viel weg, terwijl dat een belangrijk moment is om als kunstenaar naar buiten te komen. Ook de groepstentoonstelling Art Autun werd uitgesteld. Bovendien waren tijdens de lockdown onze twee kinderen thuis, jongens van vijf en zeven jaar, terwijl ik het gewend ben om de hele dag alleen te zijn. Ik heb stilte en concentratie nodig om te creëren.' Maar de lockdown had ook zijn positieve kanten. Net daarvoor, begin februari, ben ik beginnen te bouwen aan een monumentaal werk, een opdracht van de gemeente Knokke- Heist voor basisschool De Pluim. Eén jonge metselaar, een uitstekende vakman, heeft in z'n eentje aan de toren kunnen doorwerken. Het baksteenpatroon is zo mooi dat we besloten om het zo te laten en de bakstenen niet te betegelen. Ik ben gelukkig vaak kunnen gaan kijken om de voortgang op te volgen. In april was alles klaar, maar een feestelijke oplevering is er nog niet geweest. (lacht)Wat voor opdracht was het precies? Philip Aguirre: Ze paste in een wedstrijd voor kunstintegratie. Omdat ik een functioneel kunstwerk wilde maken, ben ik eerst gaan praten met leerlingen, leraren en het oudercomité. Daaruit bleek dat er behoefte was aan een kleinere ruimte waarin je je kunt terugtrekken, een stilteruimte, een plek voor kleine theateropvoeringen enzovoort. Ik heb een enquête opgesteld, waarin ik suggesties deed. Kijk, ik heb geen zin om iets te maken waarin je op afstand al de stempel van de kunstenaar herkent: 'Weer een beeld van die kunstenaar, wat doet dat hier in de polders?' Excuseer me, maar je ziet toch vaak dat een kunstwerk zomaar ergens neergepoot is. U overlegt wel vaker met de gebruikers. Het doet me denken aan uw monumentale Théâtre Source, een combinatie van waterbron, wasplaats, ontmoetingsplek en theater die u samen met de bewoners van een sloppenwijk in Douala, Kameroen hebt gebouwd. Aguirre: Wel, ik heb voor de wedstrijd in Knokke dan ook geen ontwerp voorgesteld maar een manier van werken. Zo heb ik de wedstrijd gewonnen. Nu is mijn ontwerp gedragen door iedereen: dat is voor mij echte kunstintegratie. De vorm hebt u uiteindelijk zelf gekozen? De sculptuur doet mij aan een kalkoven denken. Aguirre: Ik heb zulke ovens al in verschillende culturen gezien - van Midden-Afrika tot in Zuid-Europa. Ik gebruik dus een traditionele vorm, die ik naar mijn hand heb gezet en een andere functie heb gegeven. Nu is het een refuge, een grot, een kamp... Ik heb het aan de leerlingen verkocht als een tipi, een indianentent. (lacht) De toren heeft een doorsnede van vijf meter en is tien meter hoog. Je kan er met twintig mensen in zitten, er een verjaardagsfeest in houden en zelfs een barbecue, want de bovenkant is open. Eigenlijk is het een schouw. Ze hadden me gevraagd om iets met de natuur te doen: welnu, er komt daglicht naar binnen, en ook wind en regen. In Knokke-Heist staan op de Zeedijk en het Van Bunnenplein nog eens drie sculpturen van uw hand. Eén ervan is een kariatide. Wat stelt die voor? Aguirre: Een vrouw draagt een man op haar hoofd. Of die man dood is of niet, laat ik in het midden. Het is een verwijzing, zeker, naar Afrika, waar ik al vaak heb mogen werken. Vrouwen dragen daar alles op hun hoofd: jerrycans met water, was, fruitmanden, noem maar op. Als beeldhouwer werk ik met de zwaartekracht en met de zuilen uit de architectuur. Verticalen en horizontalen zijn oervormen en archetypische elementen: 'dragen' en 'ondersteunen' maakt deel uit van mijn sculpturen. Is het niet vreemd om zo'n kariatide op de Zeedijk van Knokke te zetten? Aguirre: Tijdens de lockdown heb ik ten volle beseft wat een ongelooflijke troef het is om beelden te maken die je buiten, in de openlucht kunt tonen. Als er iets is dat een kunstenaar wil, is het toch zichtbaarheid. Dat hoort bij je taak, bij je verantwoordelijkheid. Op het Van Bunnenplein hebt u Poort en Kolom geplaatst. Waarnaar verwijzen die beelden? Aguirre:Poort bestaat uit twee figuren, een man en een vrouw, die elkaar zo bij de armen nemen en ondersteunen dat ze een poort vormen - naar de zee én naar de stad. Het kan een poort van de liefde of van de troost zijn. Het origineel is een klein beeldje van 12 centimeter hoog. Maar ik heb altijd het idee gehad om het uit te vergroten. Nu is de poort 3 meter hoog en 3 meter breed. Het beeld staat op een betonnen sokkel om het te beschermen tegen vandalisme, maar idealiter had je er echt onderdoor kunnen wandelen. Kolom is helemaal anders. Aguirre: Ik ben al lang gefascineerd door een ogenschijnlijk eenvoudige tekening van Francis Picabia. Het is een tekening van een boorelement dat je plaatst in een boormachine, een doodgewoon voorwerp waar je normaal niet bij stilstaat. Ik wilde die getekende houtboor boetseren, maar dat bleek veel moeilijker dan ik dacht. Onderweg is het dan iets anders geworden, zoals zo vaak gebeurt bij mij. Ik moest ook denken aan die gedraaide zuilen in barokkerken, zoals Bernini die in Rome maakte en zoals ze in de Sint-Carolus Borromeuskerk in Antwerpen te zien zijn. (lacht)Als sokkel voor die boor gebruikte ik de voet van een kapot champagneglas, gebroken op een aperitiefje bij vrienden. Zo werk ik associatief, ik puzzel en maak een soort sculpture automatique. Het beeld bezit voor mij iets animistisch omdat het bestaat uit objecten die een leven hebben geleid en een geschiedenis hebben, zoals dat kapotte champagneglas. Daar zit een verhaal achter, hoe klein ook. Ik boetseer puur intuïtief. Voor mij is dat erotiek: het plezier van de vorm. Ik laat het gewoon gebeuren en ik laat alle invloeden binnenkomen: Brancusi, Bernini, Giacometti, de Etrusken,... Computerkunst is niets voor mij: ik wil beeldhouwen, kneden en schilderen. Dat zijn erotische, zeer lijfelijke bezigheden. Gezien uw affiniteit met Afrika dringt de vraag zich ook in dit gesprek op: wat moeten we met de standbeelden van Leopold II doen? Aguirre:(na een lange stilte) Het antwoord daarop kan alleen maar genuanceerd zijn. Ik heb zelf al in 2005 een Leopold II geboetseerd die van zijn sokkel is gevallen of getrokken. Maar Fallen Dictator is natuurlijk een beeld op zich, en als beelden mensen beledigen moet je ernstig beginnen na te denken. Toch vind ik het een vergissing dat ze in het AfricaMuseum in Tervuren de historische zaal hebben aangepast waar het Verdrag van Berlijn uit 1885 ligt, de tekst waarin Leopold II belooft de slavernij te zullen afschaffen. Uitgerekend die zaal toont het cynisme van het kolonialisme. Ze is één grote leugen. Dat is misschien confronterend, keihard en schrijnend, maar dat moeten ze dan maar duiden en uitleggen. Ook de standbeelden in de steden moet je minstens duiden. Of je kunt er een ander beeld tegenover plaatsen. Verwijderen is niet altijd de goede reactie. Soms is het niet slecht dat mensen kwaad kunnen worden op standbeelden. Het ergste is dat het kolonialisme gewoon voortgaat, en dat dat nauwelijks aan bod komt in de pers. Het is bijna schrijnender dan in de tijd van Leopold II. Kolonialisme is nu in handen van de grote multinationals, van voedselproducenten tot oliemaatschappijen. We beseffen dat vaak niet eens, het is minder zichtbaar. Daarom toon ik in Galerie Geukens & De Vil onder meer mijn beeld van een geboetseerde stad boven op een olievat. De kinderarbeid is ook niet verdwenen, hè? Het Westen en China roven Afrika verder leeg, zonder compassie, en er komt niets in de plaats.