De Belgische Magnum-fotograaf Harry Gruyaert (Mortsel, 1941) raakte geobsedeerd door kleuren nadat hij een reis had gemaakt naar Marokko in 1969. De felle zon en de daarbij horende contrasten op het plaatselijk leven sloegen bij hem in als een spreekwoordelijke bliksem. Uit die shock ontsproot een persoonlijke manier van fotograferen die hij niet meer achter zich zou laten.
...

De Belgische Magnum-fotograaf Harry Gruyaert (Mortsel, 1941) raakte geobsedeerd door kleuren nadat hij een reis had gemaakt naar Marokko in 1969. De felle zon en de daarbij horende contrasten op het plaatselijk leven sloegen bij hem in als een spreekwoordelijke bliksem. Uit die shock ontsproot een persoonlijke manier van fotograferen die hij niet meer achter zich zou laten. Zijn manier om met kleur om te gaan en ze een hoofdbestanddeel van zijn werk te maken, is zo persoonlijk dat men een beeld van hem uit duizenden kan herkennen. De meeste van zijn foto's zijn scherp contrasterend, soms hard, niet door de onderwerpkeuze maar door de kleurcontrasten. Hij wil daarmee de nadruk leggen op het spel van licht en schaduw waardoor het beeld de aandacht van de toeschouwer trekt naar elementen die hem normaal zouden ontgaan. Dat is zo in zijn "reportages" die hij in vele landen, binnen en buiten Europa, maakte en ook vreemd genoeg in België waar het felle zonlicht een niet evident verschijnsel is.Het is niet alleen Marokko dat hem de kleur liet ontdekken. Toen hij naar New York reisde kwam hij in contact met de Popkunstenaars Roy Lichtenstein en Robert Rauschenberg die hem andere inzichten gaven op het gebruik van kleur, zij het dan in de schilderkunst. In de fotografie ontdekte hij, ook in New York, het werk van William Eggleston. Al die indrukken samen kristalliseerden zich in zijn geest en zijn oog. En wat zijn onderwerpkeuze betreft, is hij sterk beïnvloed door de film en specifiek door bepaalde Italiaanse regisseurs. Het is dat amalgaam van invloeden dat zich, met de jaren, heeft samengebald in zijn fotografisch oeuvre. Zijn aandacht voor kleurcontrasten, zijn beeldcompositie maken er een fundamenteel deel van uit.Harry Gruyaert is geen straatfotograaf, geen louter documentair fotograaf, hij is geen verteller. Hij is een waarnemer, een attent kijker, zoekend, als een dier naar zijn prooi, naar een moment waarop zich een onderwerp aandient, een momentopname, een fractie van een seconde waarop het leven stilstaat. Zijn foto's zijn nooit banaal al tonen zij vaak dat banale. Maar door zijn invalshoek te kiezen, het juiste lichtmoment af te wachten en een zekere achteloosheid te fingeren slaagt hij er in unieke beelden vast te leggen. Er is nu een kleine tentoonstelling te zien in een Antwerpse galerie die gefocust is op beelden waarop een auto te zien is samen met, in een aangrenzende ruimte, autofoto's van Lee Friendlander. Die laatsten zijn in zwart-wit en hebben gediend om een automerk te promoten. Verder is er geen verband, integendeel zelfs. Een galerie is geen museum en het staat ze vrij combinaties te maken die, in dit geval, een verkeerd beeld zouden kunnen geven van zowel de ene als de andere kunstenaar. Wat Gruyaert betreft werd er geplukt uit zijn bestaande collectie om tot een thema te komen. Het doet geen afbreuk aan de totaliteit van zijn oeuvre omdat de foto's die geëxposeerd worden moeten worden gezien als fragmenten uit een totaalpakket dat later in het FoMu te zien zal zijn. Laten we stellen dat dit een voorsmaakje is dat naar meer doet verlangen.