'Stel je een gevaarlijk kruispunt voor. Telkens opnieuw botsen auto's, vallen fietsers, worden voetgangers aangereden. De mensen stappen na het ongeval verdwaasd weg. Er komt geen ambulance, niemand geeft verzorging of troost. "Waarom doen jullie niets?", roep je geschokt. "Dat klopt helemaal niet", antwoordt iemand en wijst enkele spandoeken aan. "We eisen dat het kruispunt veiliger wordt. We sensibiliseren automobilisten om voorzichtiger te zijn. Alleen zo kunnen we het probleem structureel oplossen."'

Het blijft een vreemde vaststelling. Er is heel wat maatschappelijk debat over racisme en discriminatie, en nog meer over het ruimere thema van samenleven met mensen met uiteenlopende achtergronden. Er is best wel wat aandacht voor het stimuleren van openheid voor diversiteit bij kinderen, bijvoorbeeld onder de noemer 'wereldburgerschapseducatie'. Maar wie erop let, merkt dat er amper aandacht is voor de ondersteuning van de slachtoffers van racisme.

Ik zocht op talrijke websites naar antwoorden op de vraag hoe je kinderen kan ondersteunen in het omgaan met racisme. Op websites over opvoeden of (geestelijke) gezondheid leverden zoektermen als 'racisme' of 'discriminatie' in de meeste gevallen geen enkel zoekresultaat op. Ik vond soms wel rubrieken over diversiteit, maar ook daar kwam deze invalshoek niet aan bod.

Op andere websites vond ik wel tips over reageren op racistische uitspraken, meer bepaald tips voor leerkrachten of welzijnswerkers. Die tips geven de professionals advies hoe ze moeten omspringen met kinderen of ouders die een racistische uitspraak doen. Het slachtoffer blijft daarbij onzichtbaar. Het kan bijvoorbeeld de professional zelf zijn.

Het opvallendste is dat professionals die met kinderen werken geen advies krijgen over hoe ze het kind - tegen wie het racisme is gericht - moeten opvangen. Zijn er redenen om ervan uit te gaan dat ze dat wel weten? Nee, ik vrees van niet. Het gebrek aan voeling van die professionals met de leefwereld van mensen met een migratieachtergrond wordt immers vaak aangehaald als een pijnpunt.

Hoe meer ik zocht, hoe duidelijker het werd dat de zorg voor slachtoffers een blinde vlek is in onze omgang met racisme. Nochtans spreken onderzoekers over 'een overvloed' aan studies die aantonen dat discriminatie samenhangt met gezondheidsrisico's zoals depressie en fysieke gezondheidsproblemen. Het is helder dat racisme, discriminatie en vooroordelen leiden tot pijnlijke, soms ronduit nare ervaringen, ervaringen die zeker voor kinderen ontwrichtend kunnen zijn. In onderstaand citaat, gebaseerd op een bericht van een jongere aan Awel, lees je hoe stereotypering leidt tot gevoelens van verdriet en kwaadheid, schaamte en schuld, gevoelens die samenkomen in een cocktail van verwarring:[1]

'Sinds de aanslagen schaam ik me en voel ik me schuldig voor alle ellende waarin we momenteel leven. Hierdoor ben ik GEEN moslim gebleven. Ook schaam ik me heel hard om een Marokkaan te zijn. Van binnen voel ik me heel verdrietig als ik zie hoe mensen mij aankijken (alsof ik de dader ben die de terreur maakt). Toch ben ik iemand die er van droomt dat er ooit VREDE op aarde zal ontstaan. Bovendien zou ik graag in een ander land leven, want hier zijn we helemaal niet goed gezien en we zijn hier vooral zwaar GESTIGMATISEERD door die media en al die shit. Ik ben het kotsbeu. Ik ben niet racistisch of zo tegen mijn eigen landgenoten, integendeel maar mensen zien mij als die typische 'Marokkaanse delinquent' en dat terwijl dat dat helemaal niet het geval is. Dus ja ... bye Marokkanen, Belgen en vooral bye islam (ik word bovendien atheïst). Nog het laatste van allemaal: sorry Europa voor die aanslagen, ik word er zelf erg droevig van, echt waar een dikke sorry. Ik hoop dat die aanslagen ooit op een dag stoppen.'

Ondanks deze en andere duidelijke noodsignalen, zien organisaties in het werkveld het omgaan met racisme blijkbaar niet als een hulpvraag. Wellicht formuleren jongeren, ouders en volwassenen hun noden op dat vlak inderdaad niet als een hulpvraag, maar veeleer als een aanklacht. Veel slachtoffers staan er niet bij stil dat achter hun noodsignaal een hulpvraag schuilgaat, met andere woorden dat naast een aanpak van de maatschappelijke problematiek ook een helpend antwoord mogelijk is voor hun individuele nood. Maar zelfs als de slachtoffers het niet zo formuleren, kun je van professionals in opvoeding, opvoedingsondersteuning of gezondheid verwachten dat ze de impliciete hulpvraag opmerken en er een helpend aanbod voor ontwikkelen.

Hoe komt het dat de bevoegde professionals de hulpvraag niet zien, niet herkennen, niet erkennen? Het valt mij op dat het ondersteuningsaanbod dat te maken heeft met diversiteit heel sterk is ingebed in een logica van cultureel verschil. Opvoedingsondersteuning bij ouders met een migratieachtergrond focust dan op opvoeden 'tussen twee culturen' en niet op opvoeden in een context van racisme en maatschappelijke uitsluiting. Ook aandacht voor de identiteitsontwikkeling van kinderen en jongeren - als die er al is - gaat over 'opgroeien tussen twee culturen' en niet over opgroeien in een samenleving die je soms als vijandig ervaart. Die redenering zet zich verder in de manier waarop de aandacht voor diversiteit in de hulpverlening wordt ingevuld: hulpverleners moeten aandacht hebben voor cultuurverschillen bij hun cliënten en er rekening mee houden. De hulpverlening moet dus 'cultuursensitief' zijn. Deze invalshoek die focust op de culturele verschillen is niet fout, maar hij is onvolledig. Door zijn dominantie verdringt hij andere relevante invalshoeken zoals die van de blessures door racisme.

De hulpverlening aan vluchtelingen erkent wel het belang van psychische schade en trauma. Maar dat beperkt zich tot ervaringen in het land van herkomst en op de vluchtroute. Hoe ingrijpend die ook zijn, ze beletten niet dat gevoelens van vijandigheid en onveiligheid in ons land vluchtelingen bijkomende schade berokkenen of op zijn minst een hinderpaal zijn voor herstel.

In de informatie over internationale adoptie ligt de klemtoon dan weer op hoe kinderen en jongeren omgaan met hun adoptieverhaal. Problemen in de identiteitsontwikkeling worden in dit licht benaderd. Dat ook racisme een stoorzender kan zijn, blijft onderbelicht of zelfs onvermeld.

Organisaties en mensen die strijden tegen racisme wijzen wel op de pijn die racisme veroorzaakt. Dit gegeven krijgt groeiende aandacht. Maar veelal gaan activisten daarna snel over naar de politieke actie die nodig is om racisme terug te dringen. Het kwetsen is in de eerste plaats een argument om racisme harder aan te pakken en concrete eisen voor het beleid kracht bij te zetten. Dat is en blijft natuurlijk relevant. Zoals de aangehaalde metafoor het al stelde: de enige structurele aanpak is het kruispunt zelf veiliger maken.

Toch moeten mensen intussen dat kruispunt gebruiken, ze kunnen en willen zich niet afzijdig houden van de samenleving. Moeten de mensen die vallen, zonder meer opstaan en verdergaan? Is zelfs een fietshelm opzetten overbodig? Het lijkt of mensen met een migratieachtergrond ervan uitgaan dat racisme hen en hun kinderen niet mag deren. Wellicht is die houding hen lang ingepeperd.

Maar er is een prille en groeiende aandacht voor het onderwerp. Ouders zoeken informatie om hun kinderen zo goed mogelijk te ondersteunen in de confrontatie met racisme. Jongeren willen de dingen die ze meemaken een plaats geven. Ter illustratie: toen de Hogeschool Utrecht in Nederland via mail studenten zocht voor een training 'reageren op discriminatie' hadden ze binnen de dag dertig inschrijvingen en moesten ze de rekrutering vroegtijdig stoppen.[2] Ook in Vlaanderen beginnen organisaties zoals het jeugdwelzijnswerk te experimenteren met een aanbod.

Nood aan zorg

Met het boek wil ik een bijdrage leveren om de blinde vlek in racismebestrijding, namelijk de zorg voor slachtoffers, weg te werken. Er is niet minder, maar juist méér 'slachtoffercultuur' nodig: de volwaardige erkenning van de pijn die mensen ervaren in de confrontatie met racisme en een volwaardig antwoord daarop. Door de pijn te ontkennen en er niets aan te doen, wordt het risico op verbittering, afhaken en vijandigheid net groter.

Het boek richt zich dan ook tot verschillende groepen. Ik hoop dat mensen die zelf het slachtoffer zijn van racisme, er steun in vinden én inspiratie om beter voor zichzelf te zorgen. Het boek richt zich tot volwassenen, maar besteedt veel aandacht aan racisme tijdens de kindertijd en adolescentie. Racisme in die periode heeft een grote impact omdat kinderen en jongeren extra gevoelig zijn voor racisme. De gevolgen laten zich niet zelden nog voelen op volwassen leeftijd.

In de gepaste begeleiding voor kinderen spelen volwassenen een doorslaggevende rol. Maar volwassenen kunnen zelf ook steun uit hun omgeving gebruiken. Het boek richt zich daarom ook tot mensen in de omgeving van diegenen die gekwetst worden door racisme. Zowel het persoonlijke netwerk als de professionals. Denk aan familieleden: partner, ouders, zussen en broers, ooms en tantes enzovoort. Denk aan vrienden, collega's en goede kennissen. Voor kinderen en jongeren betreft het vooral mensen in een opvoedersrol. Naast ouders - ook pleeg- of adoptieouders - zijn dat bijvoorbeeld leerkrachten, jeugdwerkers en opvoeders in de jeugdhulp. Andere professionals zijn onder meer mensen uit de gezondheidszorg of het sociaal werk. In bredere zin kan elke toevallige voorbijganger op een bepaald moment getuige zijn van een racistisch voorval en hierin een betekenisvolle rol spelen.

Veel mensen met een migratieachtergrond zijn betrokken in een dubbele rol: ze zijn zelf slachtoffer van racisme en ze kennen kinderen, jongeren en volwassen die erdoor getroffen worden. Maar ook mensen zonder migratieachtergrond kunnen leerkracht, vriend, dokter, partner of ouder zijn van iemand met een buitenlandse afkomst.

Het boek beoogt ook impact te hebben op zaken die het persoonlijke leven van de lezers overstijgen. Op dit structurele niveau richt ik me tot alle mensen en organisaties met een stimulerende of ondersteunende rol: beleidsmakers, koepelorganisaties en steunpunten, organisatoren van vorming en ontwikkelaars van methodieken, onderzoekers en fondsen. Het stemt me hoopvol dat veel mensen die ik over dit onderwerp aanspreek een grote openheid vertonen. Ze ervaren mijn verhaal als een eyeopener en veel van hen willen bekijken wat ze in hun job met het onderwerp kunnen doen. Ze missen weliswaar de informatie om ermee aan de slag te gaan. Ik hoop dan ook dat het boek de verschillende spelers op het veld stimuleert om concrete acties te ondernemen waarvan we de komende jaren de vruchten zullen plukken.

Politieke boodschap

Op het eerste gezicht is het geen politiek boek. De focus ligt op de zorg voor en zelfontwikkeling van mensen die te maken krijgen met racisme, de nadruk ligt niet op hoe we racisme uit de samenleving bannen. De indruk kan misschien ontstaan dat ik de verantwoordelijkheid voor racisme verschuif van de samenleving en haar politieke vertegenwoordigers naar de slachtoffers en hun naasten. Dat ik racisme ontdoe van zijn politieke dimensie door er een verhaal van (zelf)zorg van te maken. Dat is een misverstand dat ik met klem wil tegenspreken. De zorg voor slachtoffers impliceert nooit het goedkeuren of aanvaarden van wat hen overkomt. Verkeersslachtoffers worden opgevangen, we leren kinderen verkeersvaardigheden én we dringen aan op veiliger verkeer. De eerste twee worden niet overbodig omdat we het laatste doen. Het bieden van zorg impliceert zelfs automatisch de erkenning van de blessures en dus de problematisering van de oorzaak.

We leven in een maatschappelijke en politieke context waarin racisme op grote schaal wordt geminimaliseerd en zelfs ontkend. De impact ervan op de slachtoffers wordt onderschat of genegeerd. Het is in deze context politiek relevant om de schijnwerpers te richten op de persoonlijke schade die racisme aanricht. Door die schade te omschrijven en haar omvang duidelijker te maken, hoop ik de aanklacht tegen racisme te versterken. Het gaat met andere woorden niet alleen om het recht op zorg en zelfontwikkeling van de racismeslachtoffers, maar ook om het versterken van hun strijd voor gelijkheid.

[1] Getuigenis van januari 2017, geslacht en leeftijd onbekend. Bron: Elke Denys (2018), Identiteit in de aanslag, Awel onderzoeksrapport. Brussel: Awel. Getuigenis openomen in het persbericht van Awel over het onderzoek.

[2] Jurriaan Omlo (2017), 'Evaluatie training 'Reageren op discrimineren.'' Online publicatie: Bureau Omlo in opdracht van Expertise-unit Sociale Stabiliteit Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Nederland).

Naima Charkaoui, Racisme: over wonden en veerkracht, Epo, 208 blz., 20 euro.

Lees ook een interview met Naima Charkaoui: 'Ik wil méér slachtoffercultuur'

Het blijft een vreemde vaststelling. Er is heel wat maatschappelijk debat over racisme en discriminatie, en nog meer over het ruimere thema van samenleven met mensen met uiteenlopende achtergronden. Er is best wel wat aandacht voor het stimuleren van openheid voor diversiteit bij kinderen, bijvoorbeeld onder de noemer 'wereldburgerschapseducatie'. Maar wie erop let, merkt dat er amper aandacht is voor de ondersteuning van de slachtoffers van racisme. Ik zocht op talrijke websites naar antwoorden op de vraag hoe je kinderen kan ondersteunen in het omgaan met racisme. Op websites over opvoeden of (geestelijke) gezondheid leverden zoektermen als 'racisme' of 'discriminatie' in de meeste gevallen geen enkel zoekresultaat op. Ik vond soms wel rubrieken over diversiteit, maar ook daar kwam deze invalshoek niet aan bod.Op andere websites vond ik wel tips over reageren op racistische uitspraken, meer bepaald tips voor leerkrachten of welzijnswerkers. Die tips geven de professionals advies hoe ze moeten omspringen met kinderen of ouders die een racistische uitspraak doen. Het slachtoffer blijft daarbij onzichtbaar. Het kan bijvoorbeeld de professional zelf zijn.Het opvallendste is dat professionals die met kinderen werken geen advies krijgen over hoe ze het kind - tegen wie het racisme is gericht - moeten opvangen. Zijn er redenen om ervan uit te gaan dat ze dat wel weten? Nee, ik vrees van niet. Het gebrek aan voeling van die professionals met de leefwereld van mensen met een migratieachtergrond wordt immers vaak aangehaald als een pijnpunt. Hoe meer ik zocht, hoe duidelijker het werd dat de zorg voor slachtoffers een blinde vlek is in onze omgang met racisme. Nochtans spreken onderzoekers over 'een overvloed' aan studies die aantonen dat discriminatie samenhangt met gezondheidsrisico's zoals depressie en fysieke gezondheidsproblemen. Het is helder dat racisme, discriminatie en vooroordelen leiden tot pijnlijke, soms ronduit nare ervaringen, ervaringen die zeker voor kinderen ontwrichtend kunnen zijn. In onderstaand citaat, gebaseerd op een bericht van een jongere aan Awel, lees je hoe stereotypering leidt tot gevoelens van verdriet en kwaadheid, schaamte en schuld, gevoelens die samenkomen in een cocktail van verwarring:[1]Ondanks deze en andere duidelijke noodsignalen, zien organisaties in het werkveld het omgaan met racisme blijkbaar niet als een hulpvraag. Wellicht formuleren jongeren, ouders en volwassenen hun noden op dat vlak inderdaad niet als een hulpvraag, maar veeleer als een aanklacht. Veel slachtoffers staan er niet bij stil dat achter hun noodsignaal een hulpvraag schuilgaat, met andere woorden dat naast een aanpak van de maatschappelijke problematiek ook een helpend antwoord mogelijk is voor hun individuele nood. Maar zelfs als de slachtoffers het niet zo formuleren, kun je van professionals in opvoeding, opvoedingsondersteuning of gezondheid verwachten dat ze de impliciete hulpvraag opmerken en er een helpend aanbod voor ontwikkelen.Hoe komt het dat de bevoegde professionals de hulpvraag niet zien, niet herkennen, niet erkennen? Het valt mij op dat het ondersteuningsaanbod dat te maken heeft met diversiteit heel sterk is ingebed in een logica van cultureel verschil. Opvoedingsondersteuning bij ouders met een migratieachtergrond focust dan op opvoeden 'tussen twee culturen' en niet op opvoeden in een context van racisme en maatschappelijke uitsluiting. Ook aandacht voor de identiteitsontwikkeling van kinderen en jongeren - als die er al is - gaat over 'opgroeien tussen twee culturen' en niet over opgroeien in een samenleving die je soms als vijandig ervaart. Die redenering zet zich verder in de manier waarop de aandacht voor diversiteit in de hulpverlening wordt ingevuld: hulpverleners moeten aandacht hebben voor cultuurverschillen bij hun cliënten en er rekening mee houden. De hulpverlening moet dus 'cultuursensitief' zijn. Deze invalshoek die focust op de culturele verschillen is niet fout, maar hij is onvolledig. Door zijn dominantie verdringt hij andere relevante invalshoeken zoals die van de blessures door racisme.De hulpverlening aan vluchtelingen erkent wel het belang van psychische schade en trauma. Maar dat beperkt zich tot ervaringen in het land van herkomst en op de vluchtroute. Hoe ingrijpend die ook zijn, ze beletten niet dat gevoelens van vijandigheid en onveiligheid in ons land vluchtelingen bijkomende schade berokkenen of op zijn minst een hinderpaal zijn voor herstel. In de informatie over internationale adoptie ligt de klemtoon dan weer op hoe kinderen en jongeren omgaan met hun adoptieverhaal. Problemen in de identiteitsontwikkeling worden in dit licht benaderd. Dat ook racisme een stoorzender kan zijn, blijft onderbelicht of zelfs onvermeld.Organisaties en mensen die strijden tegen racisme wijzen wel op de pijn die racisme veroorzaakt. Dit gegeven krijgt groeiende aandacht. Maar veelal gaan activisten daarna snel over naar de politieke actie die nodig is om racisme terug te dringen. Het kwetsen is in de eerste plaats een argument om racisme harder aan te pakken en concrete eisen voor het beleid kracht bij te zetten. Dat is en blijft natuurlijk relevant. Zoals de aangehaalde metafoor het al stelde: de enige structurele aanpak is het kruispunt zelf veiliger maken.Toch moeten mensen intussen dat kruispunt gebruiken, ze kunnen en willen zich niet afzijdig houden van de samenleving. Moeten de mensen die vallen, zonder meer opstaan en verdergaan? Is zelfs een fietshelm opzetten overbodig? Het lijkt of mensen met een migratieachtergrond ervan uitgaan dat racisme hen en hun kinderen niet mag deren. Wellicht is die houding hen lang ingepeperd.Maar er is een prille en groeiende aandacht voor het onderwerp. Ouders zoeken informatie om hun kinderen zo goed mogelijk te ondersteunen in de confrontatie met racisme. Jongeren willen de dingen die ze meemaken een plaats geven. Ter illustratie: toen de Hogeschool Utrecht in Nederland via mail studenten zocht voor een training 'reageren op discriminatie' hadden ze binnen de dag dertig inschrijvingen en moesten ze de rekrutering vroegtijdig stoppen.[2] Ook in Vlaanderen beginnen organisaties zoals het jeugdwelzijnswerk te experimenteren met een aanbod.Met het boek wil ik een bijdrage leveren om de blinde vlek in racismebestrijding, namelijk de zorg voor slachtoffers, weg te werken. Er is niet minder, maar juist méér 'slachtoffercultuur' nodig: de volwaardige erkenning van de pijn die mensen ervaren in de confrontatie met racisme en een volwaardig antwoord daarop. Door de pijn te ontkennen en er niets aan te doen, wordt het risico op verbittering, afhaken en vijandigheid net groter. Het boek richt zich dan ook tot verschillende groepen. Ik hoop dat mensen die zelf het slachtoffer zijn van racisme, er steun in vinden én inspiratie om beter voor zichzelf te zorgen. Het boek richt zich tot volwassenen, maar besteedt veel aandacht aan racisme tijdens de kindertijd en adolescentie. Racisme in die periode heeft een grote impact omdat kinderen en jongeren extra gevoelig zijn voor racisme. De gevolgen laten zich niet zelden nog voelen op volwassen leeftijd.In de gepaste begeleiding voor kinderen spelen volwassenen een doorslaggevende rol. Maar volwassenen kunnen zelf ook steun uit hun omgeving gebruiken. Het boek richt zich daarom ook tot mensen in de omgeving van diegenen die gekwetst worden door racisme. Zowel het persoonlijke netwerk als de professionals. Denk aan familieleden: partner, ouders, zussen en broers, ooms en tantes enzovoort. Denk aan vrienden, collega's en goede kennissen. Voor kinderen en jongeren betreft het vooral mensen in een opvoedersrol. Naast ouders - ook pleeg- of adoptieouders - zijn dat bijvoorbeeld leerkrachten, jeugdwerkers en opvoeders in de jeugdhulp. Andere professionals zijn onder meer mensen uit de gezondheidszorg of het sociaal werk. In bredere zin kan elke toevallige voorbijganger op een bepaald moment getuige zijn van een racistisch voorval en hierin een betekenisvolle rol spelen.Veel mensen met een migratieachtergrond zijn betrokken in een dubbele rol: ze zijn zelf slachtoffer van racisme en ze kennen kinderen, jongeren en volwassen die erdoor getroffen worden. Maar ook mensen zonder migratieachtergrond kunnen leerkracht, vriend, dokter, partner of ouder zijn van iemand met een buitenlandse afkomst.Het boek beoogt ook impact te hebben op zaken die het persoonlijke leven van de lezers overstijgen. Op dit structurele niveau richt ik me tot alle mensen en organisaties met een stimulerende of ondersteunende rol: beleidsmakers, koepelorganisaties en steunpunten, organisatoren van vorming en ontwikkelaars van methodieken, onderzoekers en fondsen. Het stemt me hoopvol dat veel mensen die ik over dit onderwerp aanspreek een grote openheid vertonen. Ze ervaren mijn verhaal als een eyeopener en veel van hen willen bekijken wat ze in hun job met het onderwerp kunnen doen. Ze missen weliswaar de informatie om ermee aan de slag te gaan. Ik hoop dan ook dat het boek de verschillende spelers op het veld stimuleert om concrete acties te ondernemen waarvan we de komende jaren de vruchten zullen plukken.Op het eerste gezicht is het geen politiek boek. De focus ligt op de zorg voor en zelfontwikkeling van mensen die te maken krijgen met racisme, de nadruk ligt niet op hoe we racisme uit de samenleving bannen. De indruk kan misschien ontstaan dat ik de verantwoordelijkheid voor racisme verschuif van de samenleving en haar politieke vertegenwoordigers naar de slachtoffers en hun naasten. Dat ik racisme ontdoe van zijn politieke dimensie door er een verhaal van (zelf)zorg van te maken. Dat is een misverstand dat ik met klem wil tegenspreken. De zorg voor slachtoffers impliceert nooit het goedkeuren of aanvaarden van wat hen overkomt. Verkeersslachtoffers worden opgevangen, we leren kinderen verkeersvaardigheden én we dringen aan op veiliger verkeer. De eerste twee worden niet overbodig omdat we het laatste doen. Het bieden van zorg impliceert zelfs automatisch de erkenning van de blessures en dus de problematisering van de oorzaak.We leven in een maatschappelijke en politieke context waarin racisme op grote schaal wordt geminimaliseerd en zelfs ontkend. De impact ervan op de slachtoffers wordt onderschat of genegeerd. Het is in deze context politiek relevant om de schijnwerpers te richten op de persoonlijke schade die racisme aanricht. Door die schade te omschrijven en haar omvang duidelijker te maken, hoop ik de aanklacht tegen racisme te versterken. Het gaat met andere woorden niet alleen om het recht op zorg en zelfontwikkeling van de racismeslachtoffers, maar ook om het versterken van hun strijd voor gelijkheid. [1] Getuigenis van januari 2017, geslacht en leeftijd onbekend. Bron: Elke Denys (2018), Identiteit in de aanslag, Awel onderzoeksrapport. Brussel: Awel. Getuigenis openomen in het persbericht van Awel over het onderzoek.[2] Jurriaan Omlo (2017), 'Evaluatie training 'Reageren op discrimineren.'' Online publicatie: Bureau Omlo in opdracht van Expertise-unit Sociale Stabiliteit Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Nederland).Naima Charkaoui, Racisme: over wonden en veerkracht, Epo, 208 blz., 20 euro.