Iedereen lijkt het erover eens dat de toekomst van de maatschappij en de economie digitaal zal zijn. Elke dag worden we overspoeld met een nieuw technisch-economisch jargon dat ons aanspoort om een nieuwe 'creatieve vernietiging' te verwelkomen, naar het model van wat bedrijven als Google, Amazon, Uber of AirBnb in Silicon Valley doen. Wilt u een voorbeeld?

'We moeten onze comfortzone verlaten en ons lot in eigen handen nemen. Ons land krioelt van de talenten die we in innovatieve, flexibele ecosystemen moeten begeleiden, om de durvende start-ups van Industrie 4.0 te boosten en de geest van de digitale disruptie te vatten.'

Deze gewichtig klinkende maar holle en ontmenselijkte tekst is verzonnen, maar had van om het even welke innovatiekampioen kunnen komen. Er is vaak sprake van een boot die we vooral niet mogen missen 'voor het te laat' is, als we geen digitale kolonie willen worden, een deel van de wereld dat de voordelen van de mondiale innovatie-economie aan zich laat voorbijgaan.

Er is nood aan een politiek debat over alle digitale innovaties die op ons afkomen.

Men zegt dat er geen alternatief is. De digitalisering en alles wat ermee samenhangt, algoritmen en kunstmatige intelligentie, vormen nu de kern van een collectief project dat zin en richting moet geven aan politieke programma's en gemeenschappen. Het probleem is dat de voorwaarden van die zingeving en haar uitdagingen veel vragen oproepen en zonder een echte democratische controle niet kritisch beoordeeld kunnen worden. Er leeft een sterke sociaal-liberale consensus over het idee dat we een nieuwe industrie nodig hebben, met de digitale start-ups als model. De media reageren veelal positief op dat idee. De overtuiging dat we onze maatschappij en onze economie op deze funderingen moeten bouwen, is zo krachtig dat ze elke tegenspraak monddood maakt.

Dergelijke betogen met universele aanspraken leiden tot een innovatiebeleid dat wordt gekenmerkt door wat de Franse filosoof en schrijver Éric Sadin de 'silikolonisatie van de wereld' noemt. Anders dan de kolonisatie, een geweld dat men ondergaat, zien we hier een vrijwillige en zelfs enthousiaste onderwerping door mensen die vurig uitkijken naar een nieuwe economische en culturele orde in een door de digitale innovatie gemodelleerde wereld.

De verbeelding van Silicon Valley werkt als een ijkpunt en een politiek instrument om een gemeenschap te omschrijven die een gezamenlijke (en hopelijk betere) toekomst deelt en die via de digitale innovatie tot stand zal komen. Maar hoe ziet die toekomst eruit? Men wil creatieve vernietiging, maar wat zal vernietigd worden en wat gecreëerd? Wie zullen de winnaars zijn en wie de verliezers? Beseffen we in welke wereld we zullen leven wanneer morgen informatiesystemen al ons doen en laten registreren en exploiteren? Of wanneer machines uit eigen beweging meer en meer taken van ons overnemen? Beseffen we dat en vooral, willen we het?

We hebben dringend behoefte aan een pluralistisch innovatiebeleid dat minder wordt gemonopoliseerd door dit unieke model en meer openstaat voor alternatieve benaderingen van de digitale toekomst waarin wij willen leven. De huidige machtsverhoudingen maken dat doel erg moeilijk bereikbaar, want de beloften van competitiviteit en banen rechtvaardigen de stelling dat we al onze verschillen opzij moeten zetten opdat de digitale transitie zou slagen. Om in te gaan tegen die stelling moet de digitale innovatie het voorwerp worden van een politiek debat waarin we onze verschillen benutten om ander digitale toekomstmogelijkheden te bedenken.

Dat debat mag niet zoals nu beperkt blijven tot de ministerkabinetten. Het moet in de parlementen plaatsvinden, die het nog altijd links laten liggen, maar ook grootschaliger, in het middenveld. In hun streven om de sociale en economische orde te veranderen, mogen de sociale bewegingen het vraagstuk van de digitale innovatie niet negeren, want die innovatie heeft al veel veranderingen tot stand gebracht die botsen met onze subjectieve beleving van welvaart, burgerschap, valorisatie, ontneming, identiteit of het idee zelf van menselijkheid. Samen de hegemonische norm van Silicon Valley verbeteren om hem rechtvaardiger, sociaal sterker, economisch eerlijker en ecologisch duurzamer te maken: dat is de grote politieke uitdaging van de volgende jaren.

Pierre Delvenne is als professor aan de de faculteit politieke en sociale wetenschappen van de Université de Liège (Ulg) . Hij is co-directeur onderzoekscentrum SPIRAL, en als onderzoeker verbonden aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.