Alle partijen debiteren verlanglijstjes. Ze dreinen hun strafste ideeën als een mantra met hoogstens drie strofes. Want communicatiegoeroes disciplineerden hen tot repetitieve gierigheid. Immers, bij te veel woorden, zeker nuances, dwaalt het kiesvee naar graziger weiden.

U zal niet of nooit, ook niet bij enkele wat meer diepgaande interviews, één jota over cultuur vinden. Zelfs niet toen de Zevende Dag de vrolijke tandem Crevits - De Wever ruim een halfuur speeltijd gunde. Even opende het onderwijsdebat zich naar belendende sectoren. Maa na een blik op het bedrijfsleven en welzijn, sloot de deur meteen.

Er is in deze campagne geen enkele partij die volop op cultuur durft in te zetten.

Dit alles verrast amper. De tijd dat vanop alle politieke kansels hooggestemde cultuurredes galmden ligt ver achter ons. Zelfs bij een bijna overheersend volksnationalisme lijkt cultuur vooral een scheldwoord om linksige, wereldvreemde en irrelevante potverteerders in de marge te drukken. Enkel als de vrije markt er sappige brokken ontdekt, popt de belangstelling even op. Neem nu de tax shelter, een handig instrument om middelen voor cultuur uit het bedrijfsleven te activeren. Hiphoera, zo juichen velen, zeker vanop de liberale banken. Eindelijk vindt cultuur zijn liaison met de privat profit. Welke zielenpoot zal hierover klagen? En toch. De essentie van deze marktkneep zit niet zozeer in meer ademruimte voor cultuur. Die is er wel degelijk, maar alleen voor diegenen die al aan de top van de voedselketen staan, namelijk de grote kunsthuizen en sappige films. Risicovol, kritisch en grensverleggende cultuur moet hier niet komen schooien.

Veel belangrijker is de 'return on investment', want weinig investeringen leveren een hogere rente dan een lekkere tax shelter. Het belastingvoordeel zalft de aandeelhouders met een zoete balsem, temeer omdat geen dossier wordt aanvaard zonder gewaarborgde winst. Kortom, een win-win? Tja, behalve voor onze overheidsfinanciën die hierdoor belangrijke inkomsten, zijnde belastingen derven. Dan is er nog het detail van dat de cultuurspelers die van tax shelter genieten, geen kwaliteitstoets ondergaan. Behoudens de economische.

De bevoegdheid cultuur scoort steeds lager op de politieke hitlijst. Enkel jeugd lijkt nog minder populair.

De Vlaamse regering bejubelt de vrije markt. De cultuurminister beklemtoont aanvullende financiering en meer 'ondernemerschap' bij alle cultuurspelers. Daarmee suggereert hij dat de culturele sector uitmunt falende zakelijkheid. Zo wringt het bekende vooroordeel zich op het voortoneel: subsidies bepamperen, ze maken culturo's vadsig terwijl ze gulzig sabbelen van gemeenschapsmiddelen. Hoewel ontkend, grijnst een nieuw aanpak, namelijk de geleidelijke afbouw van de cultuursubsidies in het voordeel van private financiering... of van recht naar gunst. Het mag de lezer opvallen hoe de terminologie lijzig mee verandert. De cultuursector wordt herleid tot een economisch referentiekader, het jargon van new public management: de Cultuurbank (microkredieten voor risicofinanciering), de kunstkoopregeling, de kunstenaarstoelage (een lening, geen subsidie). Wat te denken over de nieuwe regeling voor meer eigen opbrengsten in de kunstensector.

Vorige herfst verhoogde minister Gatz de minima, zonder enig overleg met de sector. Waarschijnlijk uit schrik voor virulente reacties, want het minimum eigen inkomsten steeg van 12,5% naar 20%. Het imperatief van de vrije markt ondergraaft, erodeert de subsidierelatie. Stelt u zich even de vraag hoe de weinig commerciële, eerder experimentele of initiatieven voor specifieke (kansen)groepen zich in deze logica voelen.

De bevoegdheid cultuur scoort steeds lager op de politieke hitlijst. Enkel jeugd lijkt nog minder populair. Hoe komt dat? Waarschijnlijk omdat het hier over grote armoezaaiers gaat, niet zelden zonder politieke of economische relevantie. De foute plaatsen voor netwerkrecepties, m'a tu vu en bedrijfsuitstappen.

Ontegensprekelijk krompen de budgetten voor cultuur in het voorbije decennium. Terwijl de vragen, noden en vooral ambities van de cultuurspelers exponentieel groeiden. De bescheiden financies illustreren pijnlijk het gebrek aan politieke relevantie.

De rijkdom van het Vlaamse cultuurlandschap zit vervat in zowel de breedte ervan als de diepgang.

Geen partij die volop op cultuur durft inzetten. Uit schrik om - zoals cultuur - naar de irrelevantie te worden verdreven. Toch weten we allemaal hoe diep we wortelen, wriemelen en wroeten in zoveel en uiteenlopende cultuurpraktijken. Overal. Bijna altijd. De rijkdom van het Vlaamse cultuurlandschap zit vervat in zowel de breedte ervan als de diepgang. Van sociaal-cultureel werk, over erfgoed tot aan de amateur- en professionele kunsten... Ze vormen een beweeglijk decor waarin honderdduizenden hun habitat vinden. Vrijwilligers, professionals in alle maten en gewichten. Het gaat hier over de smakers én de makers. De krekels en de mieren, die gezamenlijk fabelachtig acteren, dansen, zingen, schrijven. Vooral spelen. Van de buurt tot op de meest verheven internationale podia.

Al deze superlatieven ondanks een slabakkend cultuurbeleid? Een troostprijs voor politici (regering en parlement) uit het B-elftal? Wellicht nemen we onze rijkdom, gedragen door zoveel cultuurmakende en -minnende mensen, voor vanzelfsprekend. Misschien worden we straks wakker in een hopeloos verschraald landschap, waar enkel de commercieel leefbare cultuur ons een duurbetaald aanbod biedt. Waar de tegenkracht, het balorige en vooral onnoemelijk speels uit het maatschappelijke deeg is verdwenen. Weg de gist. Weg de geest.

Bart Caron en Guy Redig zijn auteurs van het boek 'Vanop de Frontlijn, Reflecties op het Vlaamse Cultuurbeleid' (Uitgeverij Vrijdag).