In de nasleep van de controverse rond het verbod van het Antwerpse stadsbestuur voor loketmederwerkers om een regenboogpin te dragen omwille van 'neutraliteit', rezen er stemmen op - o.m. uit de LGBT-gemeenschap - die het symbool probeerden te onderscheiden van religieuze verwanten. Zo zei Marcia Poelman van het holebi-informatiepunt 'het Roze Huis' dat je wel van mensen kan eisen dat ze hun politieke of levensbeschouwelijke overtuiging verbergen, maar niet hun geaardheid, omdat dit laatste onvervormbaar is .

Dit verraadt een diep onbegrip van de morele kwesties die spelen rond homoseksualiteit, en getuigt tevens van bijzonder weinig solidariteit jegens de moslimgemeenschap, omdat het een kunstmatige kloof tracht te scheppen tussen onze strijd en die van de LGBT-gemeenschap. Wat onze onderlinge ethische verschillen ook mogen zijn, in het verwerven en verdedigen van liberale burgerrechten zijn we bondgenoten.

Het fundamentele probleem in deze kwestie is niet zozeer de interpretatie van 'neutraliteit', maar het feit dat neutraliteit helemaal geen legitieme doelstelling is in een vrije samenleving als ze ten koste gaat van individuele rechten.

'Er is geen verschil tussen een hoofddoek en een regenboogpin'

De neutraliteit van de staat is een verlengstuk van haar liberalisme. Omdat een moderne liberale staat het recht van haar burgers erkent om een eigen wereldbeeld en levensstijl erop na te houden, verbindt ze zich ertoe geen enkel moreel stelsel tegenover een ander te bevoorrechten. De staat is met andere woorden agnostisch wanneer het op morele kwesties aankomt: ze kiest geen kant en heeft zelf geen opvatting, maar ziet er louter op toe dat de verschillende disputanten zich houden aan de spelregels, te weten het schadebeginsel: men is vrij te doen en vinden wat men wil zolang men geen objectieve schade veroorzaakt jegens iemand anders.

Nu is homoseksualiteit aangeboren, en bijgevolg op zich geen morele kwestie, evenmin als haar-, oog- of huidskleur dat is. Het onderhouden van actieve homoseksuele betrekkingen kan wel echter wél gezien worden als een keuze, een die men juist of fout kan vinden. De grote wereldreligies bevinden zich op dit punt in het tweede kamp: ze schrijven voor dat mensen met een homoseksuele aanleg, net als ongetrouwde heteroseksuelen, celibatair blijven.

Dit onderscheid tussen aanleg en daden is volgens mij geen wanhopige poging van moderne gelovigen om hun religie te verzoenen met wetenschappelijke inzichten, ze is aanwezig in de bronteksten zelf. Zo was er in het Romeinse Rijk waarin Sint-Paulus leefde en werkte geen sprake van 'seksuele identiteit', waarbij mensen zich naargelang hun voorkeuren in verschillende categorieën indeelden, hoewel homoseksuele betrekkingen, zeker tussen mannen, wijdverspreid waren. Paulus kon het dus vanuit zijn referentiekader dus enkel over daden hebben, niet geaardheid.

LGBT-symboliek zoals regenboogvlaggen en -pinnen kan dus wel degelijk gezien worden als moreel geladen. Het is niet louter een symbool van mensenrechten en het vrijheidsstreven van een sociale beweging, zoals sommigen beweren, evenmin als de hoofddoek louter symbool staat voor de strijd voor vestimentaire en religieuze vrijheid. De regenboogpin heeft een inhoud, namelijk dat homoseksuele activiteit goed is, of tenminste niet moreel laakbaar. Dat is een levensbeschouwelijk oordeel waar velen het niet mee eens zijn.

Neutraliteit: legitiem doel?

Het hart van de kwestie ligt niet besloten in een vermeend onderscheid tussen regenboogpinnen en hoofddoeken, maar in de fundamenten van het neutraliteitsbeleid in ons land. Deze zijn volledig inconsistent en onlogisch. Zo is er blijkbaar geen sprake van inbreuk op de neutraliteit als de stad Antwerpen een campagne voert, gefinancierd met belastingsgeld, voor de morele aanvaarding van homoseksuele betrekkingen - een kwestie waarrond ethisch pluralisme bestaat. De neutraliteit wordt blijkbaar ook niet geschonden als de regenboogvlag boven alle gemeentehuizen wappert op de Internationale Dag tegen de Homofobie. Of als staatsscholen kinderen leren dat homoseksuele betrekkingen moreel goed zijn.

Als neutraliteit echter iets betekent, dan is het toch wel dat staatsinstellingen geen stelling mogen nemen over morele aangelegenheden. Waar de controverse ontstaat, is in hoeverre individuele medewerkers beknot mogen worden in hun fundamentele vrijheid, teneinde uiting te geven aan die neutraliteit. Maar als het eerste al niet in acht wordt genomen, is het tweede volledig betekenisloos. Waarom zouden medewerkers 'neutraal' moeten overkomen als de instellingen die ze vertegenwoordigen dat überhaupt niet zijn?

Er is hier dus sprake van inconsequentie en hypocrisie. Maar zelfs indien deze er niet zou zijn, dus als staatsinstellingen zich als geheel steeds neutraal zouden opstellen, dan nog zouden de neutraliteitsvoorschriften voor medewerkers illegitiem zijn. Overheidsmedewerkers zijn ook burgers, en in een liberale samenleving kan de vrijheid van burgers slechts om één reden beperkt worden, namelijk om de vrijheid van anderen te beschermen en waarborgen. Dit weerspiegelt het heilige en onvervreemdbare karakter van die fundamentele vrijheid.

Als we andere doelen toelaten die vrijheidbeknotting rechtvaardigen, zoals 'neutraliteit' - wat momenteel de houding is van het EHRM - dan worden we onmiddellijk geconfronteerd met het probleem van willekeur. Wie bepaalt er welke doelen legitiem zijn? De bevolking? Maar dat ondermijnt het hele idee van fundamentele rechten, die immuun horen te zijn voor democratische meerderheden. Als een meerderheid een doel kan aanduiden dat het rechtvaardigt om de fundamentele vrijheden van burgers te beknotten, dan heeft deze meerderheid de facto de mogelijkheid om elke vrijheid af te schaffen.

Een voorbeeld om dit te illustreren. In 1990 won het Front Islamique du Salut (FIS), een islamistische partij, op democratische wijze de lokale verkiezingen in Algerije. De partij was trouwens ook goed onderweg om de parlementaire verkiezingen van 1992 te winnen indien het leger niet via een coup een militaire dictatuur had geïnstalleerd. Meteen na hun overwinning begon het FIS op lokaal niveau een dresscode te implementeren in overheidsinstellingen waarbij de hijab verplicht was voor vrouwelijke medewerkers. Dit werd gesteund door een aanzienlijke meerderheid van bevolking, volgens dewelke het een legitiem doel diende, namelijk het vermijden van seksuele spanning.

Een liberale samenleving laat de vrijheid van zijn burgers niet afhangen van de wispelturigheden van de meerderheid.

Dit lijkt prima facie niet onredelijk, zeker niet meer of minder dan 'neutraliteit'. We aanvaarden echter niet dat een land dat het eerste principe implementeert vrij genoemd kan worden, omdat we erkennen dat de individuele vrijheid verheven is boven dergelijke beschouwingen. Wat maakt echter dat 'het vermijden van seksuele spanning' geen legitiem doel is, en 'neutraliteit' wel? Dat is volkomen arbitrair. In onze contreien is er toevallig een meerderheid en een culturele achtergrond die zich niet stoort aan (de consequenties van) neutraliteit, maar wel aan preutsheid. Dat vooroordeel sijpelt dan door naar de basisdocumenten en werking van het juridische apparaat, zowel op nationaal en Europees niveau.

Een liberale samenleving laat de vrijheid van zijn burgers echter niet afhangen van de wispelturigheden van de meerderheid. Dat is het fundamentele probleem met de toepassing van het neutraliteitsprincipe op overheidswerknemers: het berooft hen op onrechtmatige wijze van hun vrijheid. Tot we dat erkennen, en een beter begrip hebben van de overwegingen die spelen bij de discussie rond neutraliteit, zijn we gedoemd om dit soort relletjes te blijven herhalen. Terwijl ondertussen de rechten van een immens deel van de Vlamingen systematisch geschonden worden.

In de nasleep van de controverse rond het verbod van het Antwerpse stadsbestuur voor loketmederwerkers om een regenboogpin te dragen omwille van 'neutraliteit', rezen er stemmen op - o.m. uit de LGBT-gemeenschap - die het symbool probeerden te onderscheiden van religieuze verwanten. Zo zei Marcia Poelman van het holebi-informatiepunt 'het Roze Huis' dat je wel van mensen kan eisen dat ze hun politieke of levensbeschouwelijke overtuiging verbergen, maar niet hun geaardheid, omdat dit laatste onvervormbaar is .Dit verraadt een diep onbegrip van de morele kwesties die spelen rond homoseksualiteit, en getuigt tevens van bijzonder weinig solidariteit jegens de moslimgemeenschap, omdat het een kunstmatige kloof tracht te scheppen tussen onze strijd en die van de LGBT-gemeenschap. Wat onze onderlinge ethische verschillen ook mogen zijn, in het verwerven en verdedigen van liberale burgerrechten zijn we bondgenoten. Het fundamentele probleem in deze kwestie is niet zozeer de interpretatie van 'neutraliteit', maar het feit dat neutraliteit helemaal geen legitieme doelstelling is in een vrije samenleving als ze ten koste gaat van individuele rechten.De neutraliteit van de staat is een verlengstuk van haar liberalisme. Omdat een moderne liberale staat het recht van haar burgers erkent om een eigen wereldbeeld en levensstijl erop na te houden, verbindt ze zich ertoe geen enkel moreel stelsel tegenover een ander te bevoorrechten. De staat is met andere woorden agnostisch wanneer het op morele kwesties aankomt: ze kiest geen kant en heeft zelf geen opvatting, maar ziet er louter op toe dat de verschillende disputanten zich houden aan de spelregels, te weten het schadebeginsel: men is vrij te doen en vinden wat men wil zolang men geen objectieve schade veroorzaakt jegens iemand anders.Nu is homoseksualiteit aangeboren, en bijgevolg op zich geen morele kwestie, evenmin als haar-, oog- of huidskleur dat is. Het onderhouden van actieve homoseksuele betrekkingen kan wel echter wél gezien worden als een keuze, een die men juist of fout kan vinden. De grote wereldreligies bevinden zich op dit punt in het tweede kamp: ze schrijven voor dat mensen met een homoseksuele aanleg, net als ongetrouwde heteroseksuelen, celibatair blijven. Dit onderscheid tussen aanleg en daden is volgens mij geen wanhopige poging van moderne gelovigen om hun religie te verzoenen met wetenschappelijke inzichten, ze is aanwezig in de bronteksten zelf. Zo was er in het Romeinse Rijk waarin Sint-Paulus leefde en werkte geen sprake van 'seksuele identiteit', waarbij mensen zich naargelang hun voorkeuren in verschillende categorieën indeelden, hoewel homoseksuele betrekkingen, zeker tussen mannen, wijdverspreid waren. Paulus kon het dus vanuit zijn referentiekader dus enkel over daden hebben, niet geaardheid.LGBT-symboliek zoals regenboogvlaggen en -pinnen kan dus wel degelijk gezien worden als moreel geladen. Het is niet louter een symbool van mensenrechten en het vrijheidsstreven van een sociale beweging, zoals sommigen beweren, evenmin als de hoofddoek louter symbool staat voor de strijd voor vestimentaire en religieuze vrijheid. De regenboogpin heeft een inhoud, namelijk dat homoseksuele activiteit goed is, of tenminste niet moreel laakbaar. Dat is een levensbeschouwelijk oordeel waar velen het niet mee eens zijn.Neutraliteit: legitiem doel?Het hart van de kwestie ligt niet besloten in een vermeend onderscheid tussen regenboogpinnen en hoofddoeken, maar in de fundamenten van het neutraliteitsbeleid in ons land. Deze zijn volledig inconsistent en onlogisch. Zo is er blijkbaar geen sprake van inbreuk op de neutraliteit als de stad Antwerpen een campagne voert, gefinancierd met belastingsgeld, voor de morele aanvaarding van homoseksuele betrekkingen - een kwestie waarrond ethisch pluralisme bestaat. De neutraliteit wordt blijkbaar ook niet geschonden als de regenboogvlag boven alle gemeentehuizen wappert op de Internationale Dag tegen de Homofobie. Of als staatsscholen kinderen leren dat homoseksuele betrekkingen moreel goed zijn.Als neutraliteit echter iets betekent, dan is het toch wel dat staatsinstellingen geen stelling mogen nemen over morele aangelegenheden. Waar de controverse ontstaat, is in hoeverre individuele medewerkers beknot mogen worden in hun fundamentele vrijheid, teneinde uiting te geven aan die neutraliteit. Maar als het eerste al niet in acht wordt genomen, is het tweede volledig betekenisloos. Waarom zouden medewerkers 'neutraal' moeten overkomen als de instellingen die ze vertegenwoordigen dat überhaupt niet zijn? Er is hier dus sprake van inconsequentie en hypocrisie. Maar zelfs indien deze er niet zou zijn, dus als staatsinstellingen zich als geheel steeds neutraal zouden opstellen, dan nog zouden de neutraliteitsvoorschriften voor medewerkers illegitiem zijn. Overheidsmedewerkers zijn ook burgers, en in een liberale samenleving kan de vrijheid van burgers slechts om één reden beperkt worden, namelijk om de vrijheid van anderen te beschermen en waarborgen. Dit weerspiegelt het heilige en onvervreemdbare karakter van die fundamentele vrijheid.Als we andere doelen toelaten die vrijheidbeknotting rechtvaardigen, zoals 'neutraliteit' - wat momenteel de houding is van het EHRM - dan worden we onmiddellijk geconfronteerd met het probleem van willekeur. Wie bepaalt er welke doelen legitiem zijn? De bevolking? Maar dat ondermijnt het hele idee van fundamentele rechten, die immuun horen te zijn voor democratische meerderheden. Als een meerderheid een doel kan aanduiden dat het rechtvaardigt om de fundamentele vrijheden van burgers te beknotten, dan heeft deze meerderheid de facto de mogelijkheid om elke vrijheid af te schaffen.Een voorbeeld om dit te illustreren. In 1990 won het Front Islamique du Salut (FIS), een islamistische partij, op democratische wijze de lokale verkiezingen in Algerije. De partij was trouwens ook goed onderweg om de parlementaire verkiezingen van 1992 te winnen indien het leger niet via een coup een militaire dictatuur had geïnstalleerd. Meteen na hun overwinning begon het FIS op lokaal niveau een dresscode te implementeren in overheidsinstellingen waarbij de hijab verplicht was voor vrouwelijke medewerkers. Dit werd gesteund door een aanzienlijke meerderheid van bevolking, volgens dewelke het een legitiem doel diende, namelijk het vermijden van seksuele spanning. Dit lijkt prima facie niet onredelijk, zeker niet meer of minder dan 'neutraliteit'. We aanvaarden echter niet dat een land dat het eerste principe implementeert vrij genoemd kan worden, omdat we erkennen dat de individuele vrijheid verheven is boven dergelijke beschouwingen. Wat maakt echter dat 'het vermijden van seksuele spanning' geen legitiem doel is, en 'neutraliteit' wel? Dat is volkomen arbitrair. In onze contreien is er toevallig een meerderheid en een culturele achtergrond die zich niet stoort aan (de consequenties van) neutraliteit, maar wel aan preutsheid. Dat vooroordeel sijpelt dan door naar de basisdocumenten en werking van het juridische apparaat, zowel op nationaal en Europees niveau.Een liberale samenleving laat de vrijheid van zijn burgers echter niet afhangen van de wispelturigheden van de meerderheid. Dat is het fundamentele probleem met de toepassing van het neutraliteitsprincipe op overheidswerknemers: het berooft hen op onrechtmatige wijze van hun vrijheid. Tot we dat erkennen, en een beter begrip hebben van de overwegingen die spelen bij de discussie rond neutraliteit, zijn we gedoemd om dit soort relletjes te blijven herhalen. Terwijl ondertussen de rechten van een immens deel van de Vlamingen systematisch geschonden worden.