In 2017 werd 22,5 procent van de bevolking van de Europese Unie bedreigd door armoede of sociale uitsluiting. Terwijl het cijfer tussen 2008 en 2012 nog steeg tot 25 procent, daalt het vanaf 2012 jaar na jaar. Ook in ons land is daalde het aantal mensen dat in armoede leefde van 20,8 procent in 2008 tot 20,3 procent vorig jaar.

We scoren dus beter dan het Europese gemiddelde, maar onze buurlanden doen het wel beter. In Nederland gaat het om een percentage van 17 procent, tegenover 17,1 procent in Frankrijk, 19 procent in Duitsland en 21,5 procent in Luxemburg.

Iemand die in armoede leeft wordt door minstens een van de volgende voorwaarden getroffen: risico op armoede na sociale overdrachten (monetaire armoede), leven met een ernstig tekort aan middelen en in een gezin wonen met een lage arbeidsintensiteit.

In die laatste categorie doet ons land het met 13,5 procent opvallend slechter dan het Europese gemiddelde van 9,3 procent. Enkel Ierland (18,2 procent) en Griekenland (15,6 procent gaan ons voor). Dat is bovendien een stijging tegenover 2008, toen het om 11,7 procent ging.