Het grote gelijk wil ons uit onze filterbubbel halen en blootstellen aan iemand met een andere kijk op de wereld. Erg plezierig is die stap wellicht niet, maar nuttig zeker wel, als we hem ook politiek kunnen vertalen.

Een goedwerkende democratie is meer dan een choc des idées.

Vorige week schoot Het grote gelijk uit de startblokken, opgezet door een aantal media waaronder Knack. Lezers worden uitgedaagd om toch ook maar eens die 'andere mening' te aanhoren. Het initiatief wil ons bewust maken van onze bubbel, 'Niet om het eens te worden. Maar voor het plezier om... van mening te verschillen' (De Standaard, 5 maart).

Leuk. Maar is een 'democratie' enkel maar een feest van meningsverschillen waarin ten langen leste de grootste bubbel het primaat van de politiek mag opeisen? Of leidt het georganiseerde meningsverschil ook tot een betere besluitvorming? Is het effectief zo dat 'du choc des idées jaillit la lumière' (Nicolas Boileau), of is het eerder 'du choc des idées naît fréquemment l'électrocution du jugement' (Albert Brie)?

Dat er effectief licht is aan het eind van het meningsverschil wordt uitvoerig betoogd door Hugo Mercier en Dan Sperber in hun boek The enigma of reason, dat vorig jaar uitkwam. Het boek brengt onderzoek samen van de laatste decennia over het menselijk redeneervermogen. Door de opkomst van laboratorium- en andere experimenten in de sociale wetenschappen heeft het uitgangspunt van individuele rationaliteit de laatste decennia inderdaad heel wat klappen gekregen. Keer op keer wijzen die experimenten erop dat een geïsoleerd individu systematisch eerst kiest, en dan pas zijn keuzes verrechtvaardigt. Als individuen zijn we dus helemaal niet zo redelijk als we wel denken. Overigens heeft deze eigenschap ook weinig te maken met intelligentie, Mercier en Sperber vertellen ook een aantal verhalen van topwetenschappers die vooral indrukwekkend intelligente rationalisaties opzetten om redeneerfouten goed te praten, eerder dan die redeneerfouten zélf te kunnen ontmaskeren.

Misschien precies daarom: topwetenschappers hebben het nadeel dat niemand hen nog durft tegen te spreken. Doorheen hun boek ontwikkelen Mercier en Sperber de stelling dat redeneren een sociale activiteit is: 'redeneren is voor sociale consumptie'. Wat Descartes daarover ook gedacht zou mogen hebben, de rede bloeit niet in individuele solitaire overpeinzingen maar precies in dialoog en gesprek. We zijn enerzijds zeer goed in het zoeken naar bevestiging van de mening die we al hadden - en in het onder de mat vegen van feiten die onze mening tegenspreken. In elk van ons woont een advocaat, klaar om onze acties te verdedigen, soms tegen beter weten in. Dat is precies ook de reden waarom ook het internet, die gigantische explosie van informatie die één klik van ons verwijderd is, toch weer werkt als een bubbel waarin we voortdurend ons gelijk terugvinden. Anderzijds woont in elk van ons ook een rechter. We zijn zeer goed in het evalueren van argumenten van anderen. Onze eigen redeneerfouten zien we niet, maar o wee als anderen ze zouden maken. In één experiment slagen Mercier en Sperber er zelfs in om proefpersonen een (foute) mening te laten verdedigen, om ze dan later diezelfde mening, die nu verkocht wordt als die van een ander, te laten bekritiseren. Je hebt dus een zekere afstand nodig om goed te kunnen evalueren. Maar ook voldoende nabijheid om door de ander overtuigd te worden.

Maar precies dàt nu is wat er ook gebeurt in een alledaags gesprek: in zo'n gesprek komen de advocaat en de rechter samen, meningen worden verdedigd, maar ook meteen beoordeeld tussen mensen die zich proberen in te beelden in de positie van de ander om elkaar te verstaan. Pas daar woont de betere rede. Het evolutionaire voordeel van het menselijke redeneervermogen kan volgens Mercier en Sperber dan ook niet los gezien worden van de realiteit dat mensen steeds opereerden in groepen, pratende groepen. Redeneren doe je samen beter, het is niet noodzakelijk plezieriger, het heeft meestal zelfs iets onplezierigs om je mening te moeten bijstellen. Maar het leidt wel tot superieure kennis.

Uiteraard wordt het allemaal wat moeilijker en complexer als de schaal van het samenleven vergroot van samenlevingen waarin iedereen iedereen kent naar grotere gehelen. Die grotere gehelen maken het ook makkelijker om andere meningen te ontlopen, of om de mening van anderen botweg te bekritiseren zonder de moeite genomen te hebben te begrijpen wat de bedoeling nu precies was. Waardoor de kwaliteit van ons collectief redeneren erop achteruitgaat, althans in die fora waar alleen nog afstand is en geen nabijheid meer.

Het verschil tussen kortsluiting en verlichting zit in de gespreksvorm.

Ook de meeste democratische stemprocedures zijn gericht op het behalen van een gewone meerderheid, waardoor het lijkt alsof de mening van die andere bijna-helft van de bevolking er uiteindelijk toch niet toe doet. Dat kan dan wel tijdswinst opleveren in collectieve besluitvorming, de kans dat zo'n procedure ook tot de beste oplossing zou leiden is allerminst evident.

Het hangt er maar vanaf op welke plaatsen in onze samenleving er dan wél echt gepraat en gedacht wordt. Dat is de dimensie van de deliberatieve democratie, een traditie die even oud is als de democratie zelf, maar af en toe ondergesneeuwd geraakt. Wellicht zijn we in onze zoektocht naar andermans redeneerfouten wel té veel gefixeerd op die plaatsen waar meningen botsen. Maar een goedwerkende democratie is meer dan een choc des idées. Het verschil tussen kortsluiting en verlichting (zou ik dat nu met hoofdletter V schrijven?) zit in de gespreksvorm. In dat opzicht zijn experimenten met burgerinspraak erg verfrissend, én noodzakelijk voor beslissingen van meer belangrijke aard. Of toch zeker zolang het parlementaire halfrond gereduceerd wordt tot niet veel meer dan een stemmachine.