In oktober verklaarde premier Charles Michel (MR) in het parlement trots dat zijn regering tegelijkertijd 'de economie een boost heeft gegeven' en 'de overheidsfinanciën heeft gesaneerd'. Zou het?
...

In oktober verklaarde premier Charles Michel (MR) in het parlement trots dat zijn regering tegelijkertijd 'de economie een boost heeft gegeven' en 'de overheidsfinanciën heeft gesaneerd'. Zou het? Dat de regering van N-VA, CD&V, Open VLD en MR onze economie een boost zou hebben gegeven, werd vorige week in Knack al door econoom Gert Peersman (UGent) met cijfers weerlegd: onze economische groei was een van de zwakste in de eurozone, er kwamen minder jobs bij dan we mochten verwachten en onze koopkracht nam minder toe dan elders in Europa. Maar heeft de regering-Michel misschien wel de overheidsfinanciën gesaneerd? Om daar zicht op te krijgen klopten we aan bij de éminence grise onder de begrotingsexperts, professor Wim Moesen van de KU Leuven. Hij vergeleek de begrotingsprestaties van de centrumrechtse regering niet alleen met die in de andere landen van de eurozone, maar ook met die van de vorige Belgische regeringen. Twee parameters zijn belangrijk om zicht te krijgen op de overheidsfinanciën: het begrotingstekort en de overheidsschuld. We kijken eerst naar het begrotingstekort: hoeveel lagen de uitgaven (inbegrepen de interestbetalingen op de overheidsschuld) van de Belgische staat hoger dan zijn inkomsten? In 2014 bedroeg het Belgische tekort 3,1 procent van het bbp (bruto binnenlands product, wat we met zijn allen aan goederen en diensten produceren). Onder de regering-Michel is dat afgebouwd tot een tekort van 0,7 procent vorig jaar, en de Europese Commissie rekent voor dit jaar op een tekort van 1,3 procent (zie tabel). Moesen trekt enkele besluiten: 'Eén: we zitten veilig onder het maximale tekort van 3 procent, dat 20 jaar geleden onder de lidstaten van de Europese Unie werd afgesproken. Twee: België heeft wel elk jaar een groter begrotingstekort dan het gemiddelde van de eurozone. Uitgezonderd in één jaar: in 2017 hebben wij een begrotingstekort van 0,8 procent, terwijl dat in de eurozone 1 procent is. En in 2018 scheelt het nauwelijks iets. Budgettair gezien waren 2017 en 2018 goede jaren, maar 2019 wordt niet goed. Slechts drie landen zullen dit jaar afsluiten met een hoger begrotingstekort: Spanje (2,3 procent), Italië (2,5 procent) en Frankrijk (3,1 procent).' In 2017 en 2018 komen we wel vrij goed uit de vergelijking met de andere landen van de eurozone. Hoe komt dat? Moesen: 'Dat heeft te maken met de voorafbetalingen van de vennootschapsbelasting: als de ondernemingen onvoldoende belastingen voorafbetalen, krijgen ze een boete en de regering-Michel heeft die boetes verhoogd. Gevolg is dat de ondernemingen méér belastingen hebben voorafbetaald en dat leidde tot een forse maar tijdelijke stijging van de inkomsten. Die hogere inkomsten waren in 2017 en 2018 telkens goed voor 0,5 procent van het bbp. Met andere woorden: zonder de tijdelijke gevolgen van die maatregel was het begrotingstekort in 2017 eigenlijk 1,3 procent geweest in plaats van 0,8, en in 2018 1,2 procent in plaats van 0,7 procent. Dan waren we in die twee jaar met ons begrotingstekort ook ruim boven het gemiddelde van de eurozone uitgekomen.' Daar komt nog iets bij: 'Op 19 april 2017 kwam de regering-Michel met een korte persmededeling waarin ze zei dat ze afstapte van het idee om een begroting in evenwicht te halen in 2018', vertelt Moesen. 'Je zag toen dat bij de regering de fut eruit was. Ze heeft zich vanaf die dag in budgettaire gemakzucht gewenteld.' Kijken we dan naar de schuldgraad: die werd tussen 2015 en 2019 afgebouwd van 106,4 procent van het bbp naar 101,3 procent. Moesen: 'Een: we zitten duidelijk boven de schuldgraad van 60 procent van het bbp, die in 1997 werd afgesproken onder de EU- lidstaten. Europa eist dat de schuld boven 60 procent van het bbp in twintig jaar tijd wordt afgebouwd. Dat betekent een vermindering met 2,3 procentpunten van het bbp per jaar. Dat halen we nooit. Tijdens de vijf jaren van de regering-Michel werd onze schuld met 5 procentpunten afgebouwd, dus gemiddeld één procentpunt per jaar. Twee: we liggen ook duidelijk boven het gemiddelde in de eurozone. Slechts drie EU-lidstaten hebben een hogere schuldgraad dan België: Portugal (119,5 procent), Italië (133,7 procent) en Griekenland (174,9 procent).' Moesen vat samen: 'Wie doet het nóg slechter dan België op het vlak van de overheidsfinanciën? Spanje, Portugal, Italië, Griekenland... Dat zijn de zogenaamde ClubMed-landen, die het niet zo nauw nemen met het begrotingstekort en de schuldgraad. Tot die groep van landen willen we toch niet behoren? De regering-Michel wilde de overheidsfinanciën op orde brengen, maar als we dat vergelijken met de rest van de Europa is het resultaat toch teleurstellend.' Premier Charles Michel vergelijkt de financieel-economische prestaties van zijn regering graag met die van de regering-Martens V en VI, die in februari 1982 de Belgische frank devalueerde en met een Spaarplan een herstelbeleid voerde, en met de regeringen onder leiding van Jean-Luc Dehaene die tussen 1992 en 1998 ons land met een Globaal Plan klaarstoomde voor de invoering van de euro. Doorstaat het beleid van de regering-Michel die vergelijkingen? Moesen tovert zijn 'rad van fortuin' tevoorschijn: een overzicht van 50 jaar federaal begrotingsbeleid in één oogopslag (zie infografiek). Hij neemt een korte aanloop: 'Je ziet dat we in de periode 1970 - 1974 een begrotingstekort hadden van 3 procent en een schuldgraad van 60 procent van het bbp. Dat was de laatste periode van budgettaire orthodoxie in ons land, toen de regering onder leiding stond van premier Gaston Eyskens (CVP). Dan krijgen we de eerste olieschok als gevolg van de Jom Kipoeroorlog in 1973: de olieprijzen rijzen de pan uit, het begrotingstekort loopt snel op tot bijna 16 procent en onze overheidsschuld tot meer dan 90 procent.' Vanaf 1981 voert de regering-Martens V een drastisch herstelbeleid. Moesen: 'Tussen 1981 en 1987 verlaagde Wilfried Martens (CVP) het begrotingstekort tot 7,9 procent. Onder zijn leiding verbeterde in zes jaar tijd het begrotingstekort met 7,8 procentpunten, dat is gemiddeld 1,3 procentpunt per jaar.' Dat de schuld in die periode nog opliep tot meer dan 130 procent van het bbp kwam door de rentesneeuwbal: België moest gaan lenen om de interesten te kunnen betalen. Tussen 1988 en 1991 volgde dan de regering-Martens VIII, een coalitie van christendemocraten, socialisten en de Volksunie, en die voerde een ' retour du coeur'-beleid: het zware besparingsbeleid werd stopgezet, de overheidsfinanciën maakten pas op de plaats. In 1992 wordt Jean-Luc Dehaene (CD&V) premier en moeten we het begrotingstekort en de overheidsschuld drastisch afbouwen om te kunnen deelnemen aan de euro. Moesen: 'In 1991 hadden we nog een tekort van 7,4 procent maar tegen 1999 wist Dehaene dat terug te brengen tot 0,5 procent. Dat komt neer op een verbetering van 6,9 procentpunten, of gemiddeld 0,9 procentpunt per jaar.' Daarna volgden de paarse regeringen onder leiding van Guy Verhofstadt (Open VLD), die de beweging ingezet door Dehaene niet voortzette. Ondanks de goede conjunctuur en de lage rente werden er toen geen begrotingsoverschotten geboekt. 'Meer zelfs, ze waren kampioen in de budgettaire alchemie: onder Verhofstadt werd de begroting opgesmukt, met allerlei trucs, die ons later veel geld zouden kosten.' Dan volgde vanaf 2008 de financiële en economische crisis, waardoor het begrotingstekort weer opliep tot 4 procent en de schuldgraad boven 106 procent steeg. Eind 2014 kwam dan de regering-Michel aan de macht. Moesen: 'Tussen 2014 en 2019 werd het begrotingstekort verminderd van 3,1 procent naar 1,3 procent. Dat is een verbetering van 1,8 procentpunt of gemiddeld 0,4 procentpunt per jaar. En dan ben ik niet streng voor de regering-Michel, want die 1,3 procent begrotingstekort voor dit jaar komt van Europa, maar heel wat instellingen verwachten dat het hoger zal liggen, sommigen spreken zelfs van een tekort van 1,7 procent.' Moesen: 'De regeringen-Martens verminderden het tekort met gemiddeld 1,3 procent per jaar, de regering-Dehaene met 0,9 procent en de regering-Michel met 0,4 procent. Ik denk dat het duidelijk is: de regering-Michel kan de vergelijking met Martens of Dehaene niet doorstaan.' En wat als we de begrotingsinspanningen van de regering-Michel vergelijken met die van de regering-Di Rupo? Moesen: 'Elio Di Rupo (PS) begon eind 2011 met een begrotingstekort van 3,9 procent en sloot af met 3,1 procent. Dat is een verbetering van 0,8 procentpunt op 3 jaar of gemiddeld 0,3 procentpunt per jaar. De conclusie is dan ook dat prestaties van de regering-Michel niet beter zijn dan die van Di Rupo.' Daarbij maakt Moesen nog een belangrijke opmerking: 'De regering-Di Rupo had het moeilijker dan de regering-Michel. Onder Di Rupo groeide onze economie gemiddeld 0,3 procent per jaar, je kunt bijna spreken van een stagnatie. De regering-Di Rupo kampte nog met de nasleep van de bankencrisis en met de schuldencrisis waarbij bijvoorbeeld Griekenland zwaar werd getroffen. Onder Michel daarentegen kenden we een groei van 1,5 procent per jaar. De regering-Michel kon niet alleen profiteren van een gunstige conjunctuur, maar ook van het lagerentebeleid van de Europese Centrale Bank. Dankzij die lage rente was de interestfactuur op de overheidsschuld lager. Dat zorgde voor een verlaging van ons begrotingstekort met 0,2 procentpunt per jaar. Als je alleen al maar rekening houdt met die zeer lage rente halveert de begrotingsinspanning van de regering-Michel zelfs tot 0,2 procentpunt per jaar.' 'De regering-Michel heeft haar begrotingsbeleid goed verkocht, maar ze heeft niet aan de verwachting voldaan', besluit Wim Moesen.' We schurken met onze overheidsfinanciën tegen de ClubMed-landen aan, en de regering-Michel kan de vergelijking met de regeringen onder leiding van Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene absoluut niet doorstaan. Zelfs in vergelijking met de regering-Di Rupo komt ze er niet zo goed uit. De verbetering van onze overheidsfinanciën onder premier Charles Michel was homeopathisch. Eigenlijk stelt ze nauwelijks iets voor.'