De robotisering, digitalisering, automatisering en veruberisering van onze economie, ontwikkelingen die samengenomen de vierde industriële revolutie worden genoemd, boezemen veel mensen angst in. Banen verdwijnen en oude zekerheden gaan op de schop. Maar volgens Bas ter Weel, algemeen directeur van het Nederlandse onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek en hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam, is het een typisch geval van 'chronocentrisme' om te denken dat deze technologische revolutie sneller en ingrijpender is dan alle voorgaande. Op 13 juni is hij in Bozar een van de sprekers op (R) Evolution@Work, de conferentie van de Stichting P&V over de gevolgen van robotisering en automatisering voor jongeren op de arbeidsmarkt.

Wat zijn kansrijke beroepen? Dat zijn beroepen waar het gaat om interpersoonlijk werk en interacties, want daar zijn mensen beter in dan machines.

Is de digitalisering en de robotisering van onze economie nou een vloek of een zegen?

Bas Ter Weel: Het hangt ervan af wie je bent op de arbeidsmarkt. Digitalisering is vooral aantrekkelijk voor mensen die hoogopgeleid zijn en voor mensen in bepaalde beroepen. Denk aan data-analisten, data scientists, of aan alles wat met duurzame ontwikkeling te maken heeft, zoals het in elkaar schroeven van windmolens. Het is meer een probleem voor degenen die zich in het midden van de arbeidsmarkt bevinden, de grootste groep in de samenleving toch wel, mensen met een gemiddeld opleidingsniveau, die bijvoorbeeld administratief werk doen. In die categorie zitten de beroepen die gaan verdwijnen. Boekhouders, mensen die hypotheken of verzekeringen verkopen - dat doen we allemaal via het internet tegenwoordig - maar ook economen en journalisten krijgen het moeilijker. Voor laagopgeleiden zijn er wel weer nieuwe perspectieven. Met name in de persoonlijke dienstverlening zie je allerlei nieuwe banen ontstaan: het rondbrengen van maaltijden, het vervoeren van personen, noem maar op. Laagopgeleiden lijken dus ook van deze nieuwe ontwikkelingen te profiteren en hebben vaak werk, maar hun inkomen is niet heel hoog.

Je hoort vaak doemberichten over het gigantische aantal banen dat dreigt te verdwijnen als gevolg van die ontwikkelingen, maar u klinkt optimistisch.

Ter Weel: Al die studies en doemverhalen zijn waar, maar ze beschrijven maar een deel van wat er gaande is. Het is inderdaad zo dat er banen gaan verdwijnen, maar dat is van alle tijden. De beroepen die in 1900 bestonden, zijn ook allemaal verdwenen of inhoudelijk heel erg veranderd. Hetzelfde geldt nu opnieuw. Er zullen banen verdwijnen, maar er komen veel meer banen bij. De geschiedenis leert ons dat we ondanks onze welvaart steeds meer gaan werken, niet minder, en die welvaart is de afgelopen eeuw ook veel breder verdeeld dan daarvoor. Daarnaast zijn er trouwens ook allerlei juichverhalen, vooral uit de hoek van de bedrijfswereld, over toegenomen efficiency en hogere winsten. Die verhalen zijn ook waar. Daartegenover staat dat de samenleving meer kosten zal moeten maken om mensen op te leiden.

Hoe is het gesteld met de positie van jongeren die net komen kijken op de arbeidsmarkt?

Ter Weel: Om te beginnen zie je dat de meeste jongeren instromen in beroepen die aan het groeien zijn. Dat is positief nieuws. En wat zijn dan vandaag de kansrijke beroepen? Dat zijn beroepen waar het gaat om interpersoonlijk werk en interacties, want daar zijn mensen beter in dan machines, en beroepen die analytische vaardigheden van ons vragen. Voor eenvoudige problemen hebben we een algoritme, voor complexe problemen moeten we toch vaak even rond de tafel gaan zitten om het op te lossen.

In de digitale economie wordt meer gevraagd van mensen?

Ter Weel: Enerzijds wordt er meer gevraagd en anderzijds worden er andere dingen gevraagd. Als je mee wilt in het hogere segment van de arbeidsmarkt, wordt er meer gevraagd. Maar er zijn ook steeds meer mensen met een hogere opleiding en de lonen in het hogere segment stijgen ook nog steeds, want de vraag blijft hoger dan het aanbod. In het midden zie je opnieuw meer problemen. Een computer kan ook heel goed de boeken controleren. De mensen in de middengroep kunnen proberen op te schuiven naar boven, maar dan is het de vraag of iedereen dat kan. Of ze zakken naar beneden, en daar is wel weer werk. Het doet denken aan het fenomeen van de chasse patate in het wielrennen. Je hebt een kopgroep en het peloton. Een enkeling uit het peloton lukt het om aan te sluiten bij die kopgroep. Maar er is ook een groep die het uit alle macht probeert, en dan toch in het midden blijft hangen. Als die over de finish komt, denkt die: ik had beter in het peloton kunnen blijven zitten. Dat geldt ook op de arbeidsmarkt. Niet iedereen kan en moet proberen om de kopgroep te bereiken.

Maar we gaan wel naar een grotere tweedeling op de arbeidsmarkt?

Ter Weel: Ja, dat zie je in de meeste OESO-landen ook gebeuren. De ongelijkheid neemt toe. Zowel de beloning als de werkzekerheid gaat meer uiteenlopen. Als jij goede vaardigheden hebt, wil een werkgever jou graag aan zich binden en krijg je makkelijk een vaste baan. Maar als jouw vaardigheden ruim beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt, krijg je een flexibel contract. In Nederland zie je dat heel erg opkomen. Jongeren en mensen met een niet zo hoge opleiding belanden veel vaker in een flexibele baan.

Wat zijn de gevolgen van die groeiende ongelijkheid?

Ter Weel: Mensen die minder kansen krijgen op de arbeidsmarkt, zijn minder goed in staat om een eigen leven op te bouwen. En als je daar minder goed toe in staat bent, ben je wat vaker ontevreden en heb je eerder de neiging om op een populistische partij te stemmen. Dat hebben we gezien met de brexit en met de verkiezing van Donald Trump. In een samenleving met meer ongelijkheid, wordt vaker op de flanken gestemd, uiterst rechts of uiterst links. Het probleem is ook dat de instituties de mensen met een vaste baan heel goed beschermen. En degenen die die bescherming juist het meest nodig hebben - mensen die laaggeschoold zijn en een flexibele baan hebben en die gebaat zijn bij scholing, investeringen en meer zekerheid - krijgen die bescherming juist niet. Eén manier om de factor arbeid goedkoper te maken, is namelijk via vrije contracten. Maar daar kun je als overheid natuurlijk wel wat aan doen. De OESO heeft al eens gesuggereerd dat we toe moeten naar een 'single contract': iedereen werkt onder dezelfde voorwaarden, en we spreken niet meer van baanzekerheid maar van werkzekerheid.

Bas ter Weel, Nederlands econoom

- Geboren in 1975 in Wierden

- Studeerde economie aan de Universiteit Maastricht (1993-1998)

- Vanaf 2003 verschillende functies aan de Universiteit Maastricht

- Vanaf 2007 werkzaam bij het Centraal Planbureau, vanaf 2013 als onderdirecteur

- Sinds 2016 algemeen directeur van SEO Economisch Onderzoek en hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn expertise bevindt zich op het terrein van de arbeids-markt, maar ook op het terrein van innovatie en technologie

Sommigen pleiten voor de invoering van een robottaks, omdat robots het werk van mensen zouden afnemen. Hoe staat u daartegenover?

Ter Weel: Het belasten van robots is eigenlijk het belasten van de vooruitgang van de samenleving. Dus dat zou ik niet doen. Maar er is een wat subtielere discussie die daar onder ligt, en die gaat over de belasting op arbeid en kapitaal. Ik zou meer kijken naar manieren om die scheefgetrokken verhouding beter in balans te brengen en de belasting op arbeid wat te verlagen en die op kapitaal te verhogen. Nieuwe technologie leidt tot meer welvaart, maar je moet die welvaart uiteindelijk wel goed herverdelen, en ervoor zorgen dat er niet een grote groep verliezers ontstaat.

Je hoort soms ook dat we dankzij digitalisering minder zullen moeten werken. Is dat een toekomstperspectief?

Ter Weel: De Britse econoom Keynes zei al in de jaren 1950 dat we door technologische vooruitgang steeds minder zouden hoeven te werken. Maar in de realiteit blijkt dat we steeds meer zijn gaan werken. Dat komt ook omdat werken een heel andere vorm van tijdverdrijf is dan vroeger. Toen was werk zwaar, vervelend, en broodnodig om te overleven. Dat is vaak niet meer zo. We doen vooral leuke dingen, en daar krijgen we ook nog voor betaald.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.