Ook als mensen met buitenlandse roots een ingenieursdiploma hebben, vinden ze vaak moeilijk een job. Dat blijkt uit de tweejaarlijkse Socio-economische monitoring van het interfederale gelijkekansencentrum Unia en de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
...

Ook als mensen met buitenlandse roots een ingenieursdiploma hebben, vinden ze vaak moeilijk een job. Dat blijkt uit de tweejaarlijkse Socio-economische monitoring van het interfederale gelijkekansencentrum Unia en de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Nog altijd is er een groot verschil tussen de werkzaamheidsgraad (hoeveel mensen tussen 20 en 64 jaar werken, nvdr) van mensen van Belgische origine (74 procent) en mensen met buitenlandse wortels (net boven de 50 procent). Voor de groep die buiten de EU is geboren, kent ons land zelfs de laagste werkzaamheidsgraad van alle EU-lidstaten. Ook wat de inactiviteitsgraad betreft, is er een groot verschil: bij mensen met Belgische origine ligt die tegen de 20 procent, bij personen met wortels in het Midden-Oosten is dat 56 procent en bij andere origines ongeveer 40 procent. Vooral wie via gezinshereniging naar België komt, belandt vaak in de inactiviteit. 'In dit tempo duurt het wellicht nog zestig jaar voor de kloof tussen mensen van Belgische en van buitenlandse origine is gedicht', zegt Els Keytsman, codirecteur van Unia. 'Ondertussen blijven we talent verspillen.' Maar er is ook goed nieuws, want de kloof wordt wel degelijk kleiner. Steeds meer mensen met buitenlandse roots werken, al zijn er grote verschillen naar afkomst. Wie van EU-, Zuid- of Centraal-Amerikaanse origine is, doet het op de arbeidsmarkt een heel stuk beter dan wie wortels heeft in het Midden-Oosten. Voor die laatste groep liep de werkzaamheidsgraad tussen 2008 en 2016 zelfs 4 procentpunten terug. Dat komt volgens het rapport onder meer doordat veel mensen uit die regio hier pas in de voorbije vijf jaar zijn gearriveerd. Opvallend is dat een groot stuk van de inhaalbeweging van mensen met buitenlandse roots aan vrouwen kan worden toegeschreven. Vooral vrouwen uit de landen die sinds 2004 bij de Europese Unie zijn gekomen, zoals Polen, Roemenië, Tsjechië en Slowakije, maken een grote sprong voorwaarts wat hun deelname aan de arbeidsmarkt betreft (+12 procent), gevolgd door werkneemsters met roots in Europese landen die niet tot de EU behoren, zoals Rusland, Noorwegen en IJsland (+11 procent). Daarnaast studeren steeds meer jongeren van vreemde origine langer en dat is natuurlijk een goede zaak. Alleen loont dat voor hen minder dan voor studenten van Belgische origine. 'Vroeger dacht men dat de achterstelling van mensen met buitenlandse roots op de arbeidsmarkt vooral aan hun opleidingsniveau lag', zegt onderzoekster Hannah Vermaut van Unia. 'Maar ondertussen weten we dat ook hooggeschoolden het moeilijker hebben om een job op hun niveau te vinden. Dat komt echter niet doordat ze voor studierichtingen zouden kiezen die weinig gegeerd zijn bij werkgevers. Uit de nieuwe monitor blijkt dat ze het ook moeilijker hebben dan mensen van Belgische origine als ze over een even goed diploma binnen hetzelfde opleidingsdomein beschikken.' Een veelzeggend voorbeeld is de sector van financiën en verzekeringen. Veel mensen van Belgische origine gaan er aan de slag terwijl ze eigenlijk een heel andere studie hebben gedaan. Nochtans zijn er genoeg werkkrachten met buitenlandse roots die wél het juiste diploma hebben, maar er niet binnen raken. Frappant is dat die achterstelling ook geldt voor knelpuntberoepen, zoals verpleegkundige of ingenieur. In de gezondheidszorg - toch bij uitstek een sector die het moeilijk heeft om geschikt personeel aan te trekken - ligt de werkzaamheidsgraad van mensen van buitenlandse origine liefst 12 procentpunten lager dan die van wie Belgische roots heeft. De monitor leert ook dat sommige jonge mensen er na hun afstuderen veel langer over doen om een baan te vinden dan andere. Mensen van Belgische origine hebben daar gemiddeld drie maanden voor nodig, leeftijdgenoten met Oost-Europese wortels een halfjaar en de groep uit het Midden-Oosten negen maanden. 'Niet alleen doen zij er dubbel of zelfs drie keer zo lang over om werk te vinden, ze zitten ook veel vaker meer dan een jaar zonder werk', zegt Keytsman. 'En dat zijn dan alleen nog maar hooggeschoolden.' Veel mensen met buitenlandse roots zijn laaggeschoold en zij hebben het nóg moeilijker om werk te vinden. Vooral omdat er in België veel minder laaggeschoolde jobs zijn dan in veel andere Europese landen. Maar ook als ze aan de slag zijn, worden mensen met andere roots in veel gevallen achtergesteld. Om te beginnen verdienen ze vaak minder. 'Wie bijvoorbeeld ingenieursstudies heeft gedaan, komt doorgaans terecht in een job met een hoog loon. Niet alleen omdat dat een zware studie is, maar ook omdat werkgevers om zulke diploma's smeken', legt Keytsman uit. 'Toch gaan veel mensen van vreemde origine zelfs met zo'n diploma voor een lager loon aan de slag.' Ook op dat vlak zijn er grote verschillen. Vooral mensen uit de categorie 'kandidaat-EU', waarvan de grote meerderheid van Turkse origine is, komen met zo'n diploma wel aan de bak maar boeken er weinig loonwinst mee. Nog een opvallend onderscheid: als hooggeschoolden van Belgische origine in een andere sector gaan werken dan die waarvoor ze zijn opgeleid, krijgen ze ook daar meestal een hoog loon. Dat geldt echter niet voor werknemers van buitenlandse origine. Komen zij in een andere sector terecht, dan is dat in de meeste gevallen voor een lager loon. Met andere woorden: vaak kiezen ze noodgedwongen voor een andere job omdat ze geen werk vinden in hun eigen sector. Mensen van buitenlandse origine komen ook vaker in minder aantrekkelijke statuten terecht. Zo zijn ze oververtegenwoordigd in de uitzendsector: bijna de helft van de arbeiders is er van buitenlandse origine. Bij de overheid, die als werkgever toch het goede voorbeeld zou moeten geven, heeft een op de vier werknemers buitenlandse roots.Een andere groep die onderbenut wordt, zijn nieuwkomers die in hun land van herkomst een diploma hebben behaald dat hier niet wordt erkend. Die mensen vinden tegenwoordig al wat beter de weg naar de arbeidsmarkt, maar dan wel in jobs die onder hun opleidingsniveau liggen. Veel mensen uit Congo, Rwanda en Burundi bijvoorbeeld zijn hooggeschoold, maar vinden toch hun plaats niet op onze arbeidsmarkt doordat ze geen erkend diploma hebben. 'Op dat vlak doen we het echt niet goed', zegt Vermaut. 'Een Zimbabwaanse verpleegkundige kan in het Verenigd Koninkrijk zo aan de slag, maar in België moet ze het hele opleidingstraject opnieuw doorlopen. Dat zou beter moeten worden geregeld en dan het liefst op Europees niveau.' Discriminatie op de arbeidsmarkt zit volgens de onderzoekers doorgaans verweven in regels en procedures, maar ook in ongeschreven gedragsregels en normen. 'De meeste werkgevers beseffen echt wel dat er op die manier veel talent wordt verspild', denkt Els Keytsman. 'Vaak hebben ze zelf niet eens door dat ze vooroordelen hebben of discrimineren. Eind vorig jaar hebben we een samenwerkingsakkoord met de werkgeversorganisaties ondertekend. De goede wil is er dus. Bovendien zijn er sinds de vorige monitor van 2017 een paar belangrijke stappen gezet: zowel de Brusselse als de federale arbeidsinspectie mag nu praktijktests en mystery calls uitvoeren om te controleren of werkgevers niet discrimineren. Er is geen andere keuze. Doen we niets, dan verliezen we straks weer een hele generatie en dat kunnen we ons echt niet meer veroorloven. Noch uit maatschappelijk noch uit bedrijfseconomisch oogpunt.'