Bij het begin van deze regeerperiode, in oktober 2014, sprak vooral de Franstalige pers van een 'Kamikazeregering', een onmogelijk kabinet waarvan de snelle val in de sterren geschreven stond. Drie jaar geleden wankelde de regering van Charles Michel (MR) immers al op de eerste dag van haar eigen investituurdebat. Dat kwam door de nieuwe oppositieleidster, Laurette Onkelinx (PS) - Laurette Mitraillette.
...

Bij het begin van deze regeerperiode, in oktober 2014, sprak vooral de Franstalige pers van een 'Kamikazeregering', een onmogelijk kabinet waarvan de snelle val in de sterren geschreven stond. Drie jaar geleden wankelde de regering van Charles Michel (MR) immers al op de eerste dag van haar eigen investituurdebat. Dat kwam door de nieuwe oppositieleidster, Laurette Onkelinx (PS) - Laurette Mitraillette. De gewezen vicepremier en federaal minister van (onder meer) Volksgezondheid, Werkgelegenheid, Justitie en Sociale Zaken had meer ervaring, ook in het parlement, dan de verzamelde nieuwkomers op de regeringsbanken voor haar. Die hebben dat geweten. Nog voor de maidenspeech van de premier stond de fractieleidster van de grootste oppositiepartij van het land al op het spreekgestoelte en schoot met scherp: 'Le bruit des bottes résonne dans votre gouvernement.' Onkelinx' kanonnade was gericht op twee kersverse N-VA- excellenties, staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (die gesignaleerd was op het verjaardagsfeestje van Bob Maes, stichter van de extreemrechtse en gewelddadige militie VMO) en minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (die in een interview de collaborateurs vergoelijkt had - 'ze hadden hun redenen'). Met haar aanval wilde ze de nieuwe regering treffen nog voor die het vertrouwen had gekregen. Maar Theo Francken excuseerde zich een eerste keer en de regering hield stand. Dat was, achteraf gezien, een vingeroefening voor een scenario dat zich nog vaak zou herhalen. Na een politieke fout volgen verontschuldigingen, en daar blijft het bij. Daardoor komt de regering amper in de problemen en maakt de oppositie almaar minder indruk - ook al omdat Francken zich alleen nog excuseert als politici uit zijn eigen meerderheid dat vragen, niet als de oppositie het eist. In het najaar van 2014 hoopte de oppositie nog op een snelle lutte finale. Die krachtmeting zou vooral op straat worden aangegaan, en niet alleen in de Kamer. Zeker in Wallonië werd er snel en massaal gemobiliseerd tegen een federale regering met een Waalse premier onder Vlaamse curatele. De vakbonden wilden af van een regering die een indexsprong doorvoerde en werklozen en gepensioneerden de duimschroeven aandraaide. Ze waren niet aan hun proefstuk toe. In 1977 deden ze met hun vrijdagstakingen de regering-Tindemans I vallen; in het volgende kabinet, Tindemans II, hadden de liberalen plaatsgemaakt voor de socialisten. Die strijdbare traditie verhult niet dat veruit de meeste pogingen om via straatprotest regeringen te doen vallen, of fundamenteel van koers te doen veranderen, op bittere mislukkingen zijn uitgedraaid. In 1993 trotseerde Jean-Luc Dehaene (CVP) een algemene staking tegen zijn Globaal Plan. In 2005 hield Guy Verhofstadt (VLD) voet bij stuk toen de vakbonden storm liepen tegen zijn Generatiepact. En in 2012 gaf Elio Di Rupo (PS) geen krimp toen het vakbondsfront zich keerde tegen de eerste socialistische premier in veertig jaar. Ook de vakbondsbetogingen tegen de regering-Michel waren de gevangene van hun eigen voorspelbaarheid. Zeker, de drie vakbonden hadden op 6 november 2014 indrukwekkend gemobiliseerd voor hun eerste grote betoging tegen het rechts- conservatieve beleid. Maar alle mogelijke goodwill verdween al die dag zelf, met de eerste beelden van uitgebrande auto's aan Brussel-Zuid. Vruchteloos distantieerden de vakbonden zich van de herrieschoppers: vooral het ABVV blijft men tot vandaag met straatgeweld identificeren. Er waren de tenenkrullende beelden van regionaal secretaris Raymonde Le Lepvrier, die in een winkel met kleren smeet en naar het personeel snauwde. In oktober 2015 kondigde de vakbond een nieuwe 'hete herfst' aan, en weer liep het fout. Door een wegblokkade ter hoogte van de brug van Cheratte stierf een patiënt omdat een ambulance niet tijdig het ziekenhuis kon bereiken. En aan het einde van de laatste grote betoging in Brussel, op 24 mei 2016, mepte een opgefokte betoger politiecommissaris Pierre Vandersmissen tegen de grond. De vakbondsacties waren hun legitimiteit kwijt. En zo ging de beoogde 'hete herfst' van 2014 de geschiedenis in als een cesuur in het vakbondsprotest. Zelfs in Wallonië is de publieke steun voor de stakingsacties sterk gedaald. Al in oktober 2015 rook Zuhal Demir, toen nog als N-VA-Kamerlid, haar kans en eiste een 'wettelijke aflijning' van het stakingsrecht. In plaats van het de regering lastig te maken, moest de linkse oppositie de vakbonden te hulp schieten. Het mislukte vakbondsprotest leidde tot een omkering van de verhoudingen: ineens was het de oppositie die zich moest verantwoorden en de meerderheid die aanviel, surfend op een golf van volksgunst. Zijn regeringen dan niet beducht voor 'de straat'? Toch wel. Nog altijd spreken de antirakettenbetogingen van de jaren tachtig tot de verbeelding, met hun honderdduizenden deelnemers uit het Vlaamse verenigingsleven. Van Chiro en scouts over studentenorganisaties tot pacifisten: het protest weerklonk verre van alleen bij the usual suspects van de 'progressieve kerk'. In de jaren negentig, ten tijde van de zaak-Dutroux, ontstond de Witte Mars zelfs buiten elke vorm van parlementaire oppositie om. En in 2014 leken de kiemen aanwezig voor een soortgelijk, breed gedragen protest: het burgerinitiatief Hart boven Hard ontstond in middens van ontevreden kunstenaars en sociale organisaties. Hart boven Hard profileert zich als een burgerbeweging die het in de eerste plaats voor een rechtvaardigere samenleving opneemt en daarom tegen het regeringsbeleid protesteert. Aanvankelijk leek haar boodschap aan te slaan, maar inmiddels lijkt het momentum weg. Ook omdat de beweging moeilijk kan loochenen dat ze steunt op ongeveer dezelfde achterban als de vakbonden. Vanaf 2015 zou veel maatschappelijk ongenoegen gekanaliseerd worden door... de federale regering. De eerste politicus die tijdens een belangrijke betoging tv-camera's op zich gericht zag, was de premier zelf. Op 11 januari 2015 stapte hij in Parijs mee, op de eerste rij, in de grootste betoging uit de Franse geschiedenis, toen anderhalf miljoen mensen protesteerden tegen de terroristische aanslagen op Charlie Hebdo en een Joods warenhuis. Naast de Franse president François Hollande stapte de Duitse bondskanselier Angela Merkel mee op, de Britse premier David Cameron, en ook de jonge premier van België. 'Je suis Charlie', zei Charles Michel - en spreek hem maar eens tegen. Toen moorddadige terreur op 22 maart 2016 ook Zaventem en Brussel trof, waren er ineens geen belangrijkere politieke thema's meer dan veiligheid, terreur en moslimextremisme. Daarbij kwam nog de vluchtelingencrisis. De regering werd het gezicht van de bescherming van alles wat 'ons' dierbaar is, de oppositie kon niet anders dan zich aansluiten bij een instantconsensus. In plaats van de regering op haar falende beleid aan te vallen, moesten de linkse partijen zichzelf beginnen te verantwoorden. Zeker nadat was gebleken dat een aantal aanslagplegers uit Molenbeek kwamen: plots was het islamterrorisme mee de verantwoordelijkheid van oud-burgemeester Philippe Moureaux - en dus van de PS, en dus van de hele progressieve linkerzijde. Wéér dwong de meerderheid de oppositie in de rol van 'opgejaagd wild'. Dat bleek ook uit peilingen: ooit als halve fascisten geframede N-VA'ers als Theo Francken en Jan Jambon stonden helemaal bovenaan. Bij de jongste Grote Peiling van Le Soir, Het Laatste Nieuws, RTL en VTM, vorige maand, was Francken in Wallonië zelfs populairder dan Laurette Onkelinx en Elio Di Rupo. Dat was een publieke vernedering voor de PS-top en het zichtbare failliet van hun oppositiestrategie. Peilingen: in de politiek bepalen ze niet alleen het algemene gevoel van wel- en onbehagen. Ze bepalen ook de pikorde. Ook zonder de puike peilingen voor de PTB zou Kamerlid Raoul Hedebouw een vlotte debater zijn, maar zouden pers en publiek wellicht minder hard lachen om zijn slimmigheden en bon mots. Het omgekeerd geldt voor Barbara Pas, fractievoorzitter voor Vlaams Belang in de Kamer. Terwijl Vlaams-radicale clubs haar als een nieuwe grande dame van het radicale flamingantisme promoten, blijft ze buiten de eigen kring zo goed als onbekend. Ja, asiel en migratie en islamfundamentalisme kunnen gesneden koek zijn voor een rechts-nationalistische oppositie, maar Vlaams Belang leidt een kwijnend bestaan in de peilingen: als niemand die partij hoeft te vrezen, waarom zou je dan luisteren naar la Pas? Uitstekende peilingen geven Groen vleugels, waardoor die partij het marktleiderschap op links claimt - linkse oppositiepartijen bekampen vooral elkaar en niet alleen de regering, ook al geven ze dat niet graag toe. De recente peiling die Groen-kopman Wouter Van Besien in Antwerpen haast even groot als N-VA-voorzitter en burgemeester Bart De Wever maakt, versterkt het gevoel dat niet de socialisten maar de PTB (in het zuiden van het land) en Groen (in het noorden) de echte voortrekkers zijn van het protest tegen de regering-Michel. Met respectievelijk Raoul Hedebouw en fractieleider Kristof Calvo hebben die partijen ook de meest bevlogen en wellicht meest zelfverzekerde oppositieleden van de hele Kamer. Hedebouw is nieuw, dus onbezoedeld, en perfect tweetalig. Voor zijn partij is hij van goudwaarde, de eerste PTB'er die De slimste mens ter wereld haalde. De vraag is of dat volstaat om de PVDA, de Nederlandstalige tak van zijn partij, in Vlaanderen te doen doorbreken. En zal de PTB haar hoge score in de peilingen ook kunnen waarmaken als er in 2019 naar de stembus gegaan wordt? Het voorbeeld van Jean-Marie Dedecker leert hoe vluchtig het succes van een kleine, radicale oppositiepartij kan zijn. In 2006 scoorde Dedecker met Rechts voor de raap een politieke bestseller: het boek ging 30.000 keer over de toonbank - alleen Hoe durven ze? van PVDA-boegbeeld Peter Mertens zou in 2015 in de buurt komen, met 25.000 verkochte exemplaren. En in 2008-2009 klom zijn Lijst Dedecker (LDD) tot dik 17 procent in de peilingen. Maar bij de Vlaamse verkiezingen van 2009 haalde LDD 'amper' 7,6 procent. Dedecker werd weggezet als een loser. In 2010 haalde zijn partij nog één zetel in de Kamer, die van hemzelf. Einde verhaal. Maar terwijl LDD vooral decibels veroorzaakte, bracht de PVDA wél een politieke schokgolf teweeg. De associatie met het PVDA-begrip 'graaicultuur' werd in korte tijd menige politicus fataal. En hoewel alle partijen meedraaiden in het systeem, lieten - opnieuw - vooral socialisten zich in de positie van opgejaagd wild manoeuvreren. Van Hasselt tot Gent, van Brussel tot Luik: overal stapten socialisten op. Het ontslag van zo veel lokale politici deed de reputatie van de SP.A en de PS kwaad. Regeringspartij MR leed intussen veel minder onder het vertrek van haar minister van Mobiliteit Jacqueline Galant of de al vergeten minister van Begroting en nitwit Hervé Jamar. Daarin schuilt ook het grote verschil tussen de SP.A en Groen: aan de socialisten blijft een negatief imago kleven, terwijl de groenen hun politieke maagdelijkheid zo goed als herwonnen hebben. Groen zit weer in de positie waarin je kritiek kunt geven zonder zelf het voorwerp van veel tegenspraak te zijn. Enter Kristof Calvo, de immer uitgekookte leider van de fractie Ecolo-Groen in de Kamer. Calvo heeft een neus voor controverse en gaat de verbale krachtpatserij niet uit de weg: nog nooit werd de 'bakfietskritiek' zo scherp verwoord. Geregeld jaagt hij de meerderheid in de hoek. Daardoor staan de camera's altijd op hem gericht, tot grote frustratie van de Vlaamse socialisten. In maart 2015 verzuchtte socioloog Mark Elchardus, oud-voorzitter van de Socialistische Mutualiteiten, in Knack: 'De federale oppositie in dit land bestaat vandaag uit één persoon: Kristof Calvo van Groen.' Dat komt ook omdat de socialistische fractieleidsters Karin Temmerman en (sinds 2015) Meryame Kitir de voorbije jaren een veel minder hanige aanpak hebben getoond. Die geringere zichtbaarheid doet hun achterban terugdenken aan de tijd dat Louis Tobback de meerderheid afwisselend tot razernij en wanhoop bracht. Commentator Manu Ruys bewierookte Tobback senior in De Standaard als 'de meester van de sarcastische plagerij, de indringende vraag die recht naar de zwakke plek in het betoog van de tegenstander doordringt'. Calvo is, op zijn beurt, een meester in het politieke spel. En in het spelletje. Zoals die keer dat hij een schandaal 'creëerde' nadat hij tijdens een Kamerdebat Open VLD'er Luc Van Biesen had horen sissen dat Meryame Kitir 'beter zou terugkeren naar Marokko'. Dat was alleen bedoeld voor de oren van andere liberalen, maar de meesteropposant van Groen maakte er een Zaak van. Kitir was gegriefd, maar gunde Van Biesen zijn publieke excuses (en redde zo zijn politieke vel). Als enige moment de gloire is dat natuurlijk te min voor de grootste Vlaamse oppositiefractie. Zeker, SP.A-voorzitter John Crombez bracht de regering in de problemen toen hij aannemelijk kon maken dat de meerderheid uit is op extra inleveringen in de pensioenen. Maar dat kon alleen omdat hij een kans benutte die de Open VLD'ers Vincent Van Quickenborne en Gwendolyn Rutten hadden aangereikt. Ook dat is een oude Wetstraat-wet: de oppositie kan pas sterk zijn als de meerderheid zelf fouten maakt. Of als het slecht gaat in het land. Daarin zit het de huidige oppositie niet mee. De economie trekt weer aan, er komen jobs bij, er zijn minder werklozen. Of dat komt door de internationale conjunctuur of het beleid van de regering, doet er dan niet toe: economische voorspoed helpt een regering vooruit - en remt de oppositie af. Dat was zo onder de paarse coalitie en is niet anders onder de Zweedse. De klus voor de grootste oppositiepartijen is daar des te zwaarder door. Zowel in Vlaanderen als in Franstalig België zijn dat met grote voorsprong de socialisten: de PS heeft 23 Kamerzetels, alle andere Franstalige oppositiepartijen samen (CDH, Ecolo, Défi, PTB en de Parti Populaire) 20. De SP.A heeft er 13, tegenover 11 voor de rest (Groen, Vlaams Belang en het ex-N-VA-duo Hendrik Vuye-Veerle Wouters). Beide partijen zouden de motor van het verzet moeten zijn, maar zitten niet goed in hun vel. Bijvoorbeeld omdat ze genetisch geëvolueerd zijn: het zijn beleidspartijen geworden. Oppositie voeren ligt hun niet meer. Dat is een van de redenen waarom top-SP.A'ers als Patrick Janssens, Ingrid Lieten en Johan Vande Lanotte de (parlementaire) politiek achter zich gelaten hebben. Protesteren, zelfs tegen onrecht, gaat haast in tegen hun nieuwe sociaaldemocratische aard. Het is niet slecht, en misschien zelfs noodzakelijk, dat politici wier beleid door de kiezer is afgestraft hun conclusies trekken. Alleen duurt het zijn tijd voor een wissel van de wacht ook rendeert. De ooit zo almachtige CVP belandde in 1999 voor het eerst in veertig jaar in de oppositie. Daarop moest ze eerst haar naam veranderen in CD&V (in 2001) en na een verkiezingsnederlaag (in 2003) ook partijvoorzitter Stefaan De Clerck opofferen, voor een nieuwe generatie kon aanpikken bij het oude succes. De nieuwe politieke leider Yves Leterme en het jonge talent Inge Vervotte konden zich profileren als zuiver en radicaal en, ongezien voor christendemocraten, de paarse regering zelfs verwijten aan achterkamertjespolitiek te doen: waar bleven ze, die vijf minuten politiek moed? Intussen lijkt het erop dat de 'kleintjes' vaak voorop moeten gaan in de strijd. Hendrik Vuye kan zijn oud-partijgenoten van de N-VA wel op de zenuwen werken, en met zijn kritiek op hun bleke communautaire erelijst zelfs pijn doen, maar Charles Michel blijft voor hen een maat te groot. En Kristof Calvo zet de Kamer wel in vlam en heeft doorgaans de pers mee, maar wordt hij ook bij verkiezingen een Vlaamse evenknie van Jesse Klaver, de aanjager van GroenLinks in Nederland? Bart De Wever heeft nooit indruk gemaakt als parlementslid, maar ten tijde van de regering-Di Rupo (2011-2014) hing zijn geest wél over alle debatten. Een partij zonder ware kopman komt al gauw in een neerwaartse spiraal terecht. De (meeste) socialisten beseffen dat ook. Alhoewel. Het heeft lang geduurd vooraleer Laurette Onkelinx plaatsmaakte voor een nieuwe generatie, en Elio Di Rupo lijkt dat nog altijd niet van plan. John Crombez voert in eigen rangen een pijnlijke Culturele Revolutie door: op congressen stuurt hij, net als de Chinese revolutionair Mao Zedong, de jongeren vooruit om 'decumuleren' en 'verplichte verjonging bij de lijstvorming' te bepleiten en zo komaf te maken met de oude generatie. Tot de waarschijnlijke slachtoffers van die operatie behoren enkelen van zijn beste krachten, zoals de Kamerleden Hans Bonte en Peter Vanvelthoven. Crombez zet dus in op de toekomst, op 'jonger, nieuwer en beter', maar loopt vandaag, door de bleke oppositie, vooral het risico op 'minder'. De vraag is ten slotte of zo'n wissel van de wacht wel zal volstaan opdat de socialisten zich weer van hun taak kunnen kwijten zoals de oude Britse slagzin over de parlementaire democratie die omschrijft: 'The duty of the opposition is to oppose.'Dat is toch de hamvraag: waarvoor stáát de oppositie? Tussen 1988 en 1999 was de liberaal Guy Verhofstadt niet zomaar de oppositieleider tegen de regeringen van Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene (CVP). Hij was de uitdager van de bestaande orde. Vriend en vijand erkenden hem ook zo: Vlaamse socialisten als Guy Moens en de toen nog jonge studiekop Hans Bonte schreven boekjes om hun achterban te waarschuwen voor 'het gevaar Verhofstadt'. Die wierp zich zelfs op als een heuse schaduwpremier. Met zijn eigen State of the Union trok hij haast evenveel volk als de echte eerste minister. Verhofstadt kon dat doen omdat hij vanaf 1989 eerst een nieuw liberaal verhaal had neergeschreven: de Burgermanifesten. Pas daarna modelleerde hij zijn partij naar die inzichten: de oude PVV werd de gloednieuwe VLD. Dat was de sokkel voor inhoudelijke vernieuwingscongressen (over justitie, de sociale zekerheid enzovoort), waardoor de VLD naar buiten kon komen met een volwaardig politiek alternatief. Voor of tegen: de politieke lijn van de VLD was coherent en zonneklaar. De partij gaf zelfs persconferenties met alternatieve begrotingen, pijnlijke besparingen inbegrepen. Verhofstadt mikte op de stem van de kiezer. En dan duurde het nóg meer dan tien jaar, van 1988 tot 1999, voor hij en zijn Vlaamse liberalen weer in de federale regering raakten. Wat Verhofstadt zo lang probeerde, is nog altijd het alfa en omega van de oppositie: de regering in problemen brengen, of minstens in verlegenheid. Indruk maken bij het publiek - en ultiem, natuurlijk, bij de kiezer. Bart De Wever was tussen 2011 en 2014 de nemesis van premier Elio Di Rupo. In zijn zog maakten jonge parlementsleden als Ben Weyts, Theo Francken en Peter Dedecker indruk - dat ze N-VA'ers waren, volstond al om gehoord te worden en nog eens indruk te maken ook. De deskundige SP.A'er Dirk Van der Maelen mag in de Kazachgate-commissie nog zo hard zijn best doen, zijn kritiek dringt amper door tot de brede lagen van de publieke opinie, laat staan dat hij een echte regeringscrisis kan uitlokken. Omdat een socialist maar weinig angst meer inboezemt. Omdat zijn partij geen helder alternatief biedt. Het blijven voor de oppositie toch existentiële vragen: waarom zou je deze regering weg willen? Hoe sterk is de drang naar andere leiders voor een beter land? 'Probably the best beer in the world', zegt de Deense brouwer Carlsberg van zijn eigen bier. De parlementaire oppositie in dit land worstelt stilaan met de omgekeerde reputatie.